INTERNATIONAAL MANAGEMENT
Sessie 1: globalisering en regionalisering
1. Een platte wereld?
Globalisering = mondiale verwevenheid van landen op cultureel,
economisch, politiek en juridisch vlak.
Bv. smartphoneproductie in de VS
o Economisch vlak: internationale handel
o Juridisch vlak: internationale regels, verdragen en afspraken
o Politiek vlak: internationale samenwerking en organisaties
o Cultureel vlak: verspreiding van normen, waarden, media en
levensstijlen.
Regionalisering = streekgebonden verwevenheid van landen op cultureel,
economisch, politiek en juridisch vlak.
Bv. Europese Unie
NIET: mondiale of regionale expansie van bedrijven
Is de wereld echt plat?
JA, want:
o Internationale communicatie is gemakkelijker en goedkoper (bv.
videocalls)
o Het neoliberale marktsysteem is mondiaal (nog vrij) dominant.
o Internationaal transport is omvangrijker en goedkoper (bv.
containers)
o Handels- en investeringsbarrières zijn geslecht (bv. minder
invoerrechten, meer vrijhandelsakkoorden).
NEE, want:
o Culturele verschillen blijven groot (bv. taal, werkcultuur)
o Politieke systemen zijn steeds meer regionaal of nationaal
georiënteerd (landen verdedigen eigen belangen).
o Transportkosten blijven significant voor veel goederen en diensten.
o Protectionistische maatregelen zijn hardnekkig en recentelijk
versterkt (bv. invoerheffingen, subsidies)
2. Globalisering: een vloek of een zegen?
Positief: meer kansen
o Voor bedrijven:
o Toegang tot grotere markten
o Potentiële verruiming van de winst
o Voor overheden:
o Groter bereik van het beleid
o Mogelijk meer werkgelegenheid
o Extra inkomstenbronnen
, o Voor burgers:
o Nieuwe goederen en diensten
o Nieuwe banen
Negatief: meer bedreigingen
o Voor bedrijven:
o Meer concurrentie
o Mogelijk kleiner marktaandeel
o En mogelijk lagere winst
o Voor overheden:
o Meer concurrentie
o Mogelijk een uitholling van:
Werkgelegenheid
Inkomsten
Reguleringsmacht
o Voor burgers:
o Mogelijk verlies van:
Banen
Culturele identiteit
Arbeidscondities
3. Drijfveren en uitdagingen van internationalisering
Drijfveren van internationalisering:
1) Opschalen van activiteiten
o Uitbuiten van schaalvoordelen in aankoop en productie (lagere
kost per product)
o Vergroten van afzetmarkten
2) Uitbuiten van verschillen
o Arbitrage van verschillen in factorkosten (arbeid, kapitaal,
hulpbronnen)
o Arbitrage van verschillen in institutionele regimes (bv.
regulering, ondersteuning bedrijven)
3) Versterken of behouden van de competitiviteit
o Klantenbinding door vroegtijdige marktbetreding (wanneer je
als bedrijf als eerst op de markt komt, dan zijn klanten minder
geneigd om over te schakelen naar de concurrentie wanneer
die na jou op de markt komt omdat klanten al een vertrouwen
hebben opgebouwd met jouw bedrijf).
o Verdedigen van de mondiale concurrentiepositie (vooral in
wereldwijde markten met weinig spelers = oligopolie)
Uitdagingen van internationalisering:
1) Opschalen van activiteiten
o Vermijden van schaalnadelen in aankoop en productie (fout in
productie zorgt voor extra kosten)
o Vermijden van verlies van en in afzetmarkten (bv.
klantenverlies)
, 2) Omgaan met verschillen
o Beheersing van extra kosten (bv. door afstand, om te voldoen
aan buitenlandse standaarden en regels)
o Inspringen op verschillende omgangsvormen en regimes (bv.
verschillende culturen, gewoontes)
3) Versterken of behouden van de competitiviteit
o Risico van vroegtijdige marktbetreding (bv. door te vroeg de
markt te betreden of op een slechte manier)
o Verlies aan slagkracht door versnippering van middelen (bv. te
veel landen te weinig focus op bv. personeel)
Om de voordelen en nadelen in balans te brengen, kiest men in de praktijk
vaak voor regionalisering:
o Minder culturele en institutionele verschillen
o Meer controle en meer focus
o Lagere kosten en minder risico’s
Artikelen sessie 1:
Artikel 1: Cui et al. (2023)
Kernidee: globalisering is kwetsbaarder geworden door geopolitieke
spanningen en beleidsingrepen, wat leidt tot decoupling tussen landen.
Multinationals moeten hier strategisch op reageren om de risico’s te
beheersen.
Belangrijkste bevindingen:
o Decoupling is geen volledige deglobalisering, maar een selectieve
ontkoppeling (bv. technologie, supply chain)
o Kwetsbaarheid zit vooral in de politieke afhankelijkheid, niet in de
economische inefficiëntie
o Multinationals reageren via aanpassing aan hun internationale
strategie, in plaats van zich volledig terug te trekken.
Belangrijkste begrippen:
o Decoupling = het (gedeeltelijk) loskoppelen van economische
relaties tussen landen om de geopolitieke risico’s te beperken.
o New vulnerability of globalisation = globalisering maakt bedrijven
blootgesteld aan politieke en institutionele shocks. Het maakt
bedrijven nog meer kwetsbaarder.
o 3 response strategies van MNE’s:
o Geographic diversification
Actief zijn in meerdere landen zodat problemen in één
land niet het hele bedrijf raken.
o Operational flexibility
Productie, activiteiten of leveranciers snel aanpassen of
verplaatsen bij problemen
o Institutional hedging
, Inspelen op verschillende wet-en regelgevingssystemen
om de risico’s van politieke of institutionele
veranderingen te beperken.
Artikel 2: Luo en Tung (2025)
Kernidee: de internationael bedrijfsomgeving is geëvolueerd naar een
multipolaire geopolitieke orde waarin meerdere machtsblokken naast
elkaar bestaan. Multinationals moeten een multipolar geostrategy
ontwikkelen, waarbij balancer countries een centrale rol spelen om
geopolitieke risico’s te beheersen.
Belangrijkste bevindingen:
o MNE’s moeten niet langer uitgaan van één dominante wereldorde.
o Balancer countries bieden MNE’s strategische flexibiliteit omdat ze
economisch samenwerken met meerdere machtsblokken zonder
exclusief politieke alignering.
o MNE’s die inzetten op geopolitical hedging en strategic ambiguity
zijn beter bestand tegen decoupling en geopolitieke fragmentatie.
o Klassieke globaliseringsstrategieën volstaan niet, geopolitieke
sensitiviteit wordt een kerncompetentie.
Belangrijkste begrippen:
o Geo-strategy = bedrijfsstrategie die expliciet rekening houdt met
geopolitieke belangen en machtsverhoudingen.
o Balancer countries = landen die niet exclusief aligneren met één
machtsblok maar strategisch schakelen tussen meerdere polen.
o Geopolitical hedging = het verspreiden van activiteiten over
verschillende geopolitieke contexten om de risico’s te beperken.
o Strategic ambiguity = het bewust vermijden van duidelijke politieke
positionering door MNE’s.
Artikel 3: Rosa et al. (2020)
Kernidee: in de praktijk zijn MNE’s vooral regionaal actief in plaats van
echt globaal.
Belangrijkste bevindingen:
o Wereldwijde strategieën zijn zeldzaam; regionale verankering blijft
dominant.
o Succesvolle internationalisering vereist afstemming op regionale
institutionele verschillen.
o Regionalisering betekent niet automatisch wereldwijde uniformiteit.
Belangrijkste begrippen:
o Regional strategy = focus op één of enkele regio’s met vergelijkbare
institutionele kenmerken.
o Global strategy = uniforme aanpak wereldwijd (weinig empirische
steun)
Sessie 1: globalisering en regionalisering
1. Een platte wereld?
Globalisering = mondiale verwevenheid van landen op cultureel,
economisch, politiek en juridisch vlak.
Bv. smartphoneproductie in de VS
o Economisch vlak: internationale handel
o Juridisch vlak: internationale regels, verdragen en afspraken
o Politiek vlak: internationale samenwerking en organisaties
o Cultureel vlak: verspreiding van normen, waarden, media en
levensstijlen.
Regionalisering = streekgebonden verwevenheid van landen op cultureel,
economisch, politiek en juridisch vlak.
Bv. Europese Unie
NIET: mondiale of regionale expansie van bedrijven
Is de wereld echt plat?
JA, want:
o Internationale communicatie is gemakkelijker en goedkoper (bv.
videocalls)
o Het neoliberale marktsysteem is mondiaal (nog vrij) dominant.
o Internationaal transport is omvangrijker en goedkoper (bv.
containers)
o Handels- en investeringsbarrières zijn geslecht (bv. minder
invoerrechten, meer vrijhandelsakkoorden).
NEE, want:
o Culturele verschillen blijven groot (bv. taal, werkcultuur)
o Politieke systemen zijn steeds meer regionaal of nationaal
georiënteerd (landen verdedigen eigen belangen).
o Transportkosten blijven significant voor veel goederen en diensten.
o Protectionistische maatregelen zijn hardnekkig en recentelijk
versterkt (bv. invoerheffingen, subsidies)
2. Globalisering: een vloek of een zegen?
Positief: meer kansen
o Voor bedrijven:
o Toegang tot grotere markten
o Potentiële verruiming van de winst
o Voor overheden:
o Groter bereik van het beleid
o Mogelijk meer werkgelegenheid
o Extra inkomstenbronnen
, o Voor burgers:
o Nieuwe goederen en diensten
o Nieuwe banen
Negatief: meer bedreigingen
o Voor bedrijven:
o Meer concurrentie
o Mogelijk kleiner marktaandeel
o En mogelijk lagere winst
o Voor overheden:
o Meer concurrentie
o Mogelijk een uitholling van:
Werkgelegenheid
Inkomsten
Reguleringsmacht
o Voor burgers:
o Mogelijk verlies van:
Banen
Culturele identiteit
Arbeidscondities
3. Drijfveren en uitdagingen van internationalisering
Drijfveren van internationalisering:
1) Opschalen van activiteiten
o Uitbuiten van schaalvoordelen in aankoop en productie (lagere
kost per product)
o Vergroten van afzetmarkten
2) Uitbuiten van verschillen
o Arbitrage van verschillen in factorkosten (arbeid, kapitaal,
hulpbronnen)
o Arbitrage van verschillen in institutionele regimes (bv.
regulering, ondersteuning bedrijven)
3) Versterken of behouden van de competitiviteit
o Klantenbinding door vroegtijdige marktbetreding (wanneer je
als bedrijf als eerst op de markt komt, dan zijn klanten minder
geneigd om over te schakelen naar de concurrentie wanneer
die na jou op de markt komt omdat klanten al een vertrouwen
hebben opgebouwd met jouw bedrijf).
o Verdedigen van de mondiale concurrentiepositie (vooral in
wereldwijde markten met weinig spelers = oligopolie)
Uitdagingen van internationalisering:
1) Opschalen van activiteiten
o Vermijden van schaalnadelen in aankoop en productie (fout in
productie zorgt voor extra kosten)
o Vermijden van verlies van en in afzetmarkten (bv.
klantenverlies)
, 2) Omgaan met verschillen
o Beheersing van extra kosten (bv. door afstand, om te voldoen
aan buitenlandse standaarden en regels)
o Inspringen op verschillende omgangsvormen en regimes (bv.
verschillende culturen, gewoontes)
3) Versterken of behouden van de competitiviteit
o Risico van vroegtijdige marktbetreding (bv. door te vroeg de
markt te betreden of op een slechte manier)
o Verlies aan slagkracht door versnippering van middelen (bv. te
veel landen te weinig focus op bv. personeel)
Om de voordelen en nadelen in balans te brengen, kiest men in de praktijk
vaak voor regionalisering:
o Minder culturele en institutionele verschillen
o Meer controle en meer focus
o Lagere kosten en minder risico’s
Artikelen sessie 1:
Artikel 1: Cui et al. (2023)
Kernidee: globalisering is kwetsbaarder geworden door geopolitieke
spanningen en beleidsingrepen, wat leidt tot decoupling tussen landen.
Multinationals moeten hier strategisch op reageren om de risico’s te
beheersen.
Belangrijkste bevindingen:
o Decoupling is geen volledige deglobalisering, maar een selectieve
ontkoppeling (bv. technologie, supply chain)
o Kwetsbaarheid zit vooral in de politieke afhankelijkheid, niet in de
economische inefficiëntie
o Multinationals reageren via aanpassing aan hun internationale
strategie, in plaats van zich volledig terug te trekken.
Belangrijkste begrippen:
o Decoupling = het (gedeeltelijk) loskoppelen van economische
relaties tussen landen om de geopolitieke risico’s te beperken.
o New vulnerability of globalisation = globalisering maakt bedrijven
blootgesteld aan politieke en institutionele shocks. Het maakt
bedrijven nog meer kwetsbaarder.
o 3 response strategies van MNE’s:
o Geographic diversification
Actief zijn in meerdere landen zodat problemen in één
land niet het hele bedrijf raken.
o Operational flexibility
Productie, activiteiten of leveranciers snel aanpassen of
verplaatsen bij problemen
o Institutional hedging
, Inspelen op verschillende wet-en regelgevingssystemen
om de risico’s van politieke of institutionele
veranderingen te beperken.
Artikel 2: Luo en Tung (2025)
Kernidee: de internationael bedrijfsomgeving is geëvolueerd naar een
multipolaire geopolitieke orde waarin meerdere machtsblokken naast
elkaar bestaan. Multinationals moeten een multipolar geostrategy
ontwikkelen, waarbij balancer countries een centrale rol spelen om
geopolitieke risico’s te beheersen.
Belangrijkste bevindingen:
o MNE’s moeten niet langer uitgaan van één dominante wereldorde.
o Balancer countries bieden MNE’s strategische flexibiliteit omdat ze
economisch samenwerken met meerdere machtsblokken zonder
exclusief politieke alignering.
o MNE’s die inzetten op geopolitical hedging en strategic ambiguity
zijn beter bestand tegen decoupling en geopolitieke fragmentatie.
o Klassieke globaliseringsstrategieën volstaan niet, geopolitieke
sensitiviteit wordt een kerncompetentie.
Belangrijkste begrippen:
o Geo-strategy = bedrijfsstrategie die expliciet rekening houdt met
geopolitieke belangen en machtsverhoudingen.
o Balancer countries = landen die niet exclusief aligneren met één
machtsblok maar strategisch schakelen tussen meerdere polen.
o Geopolitical hedging = het verspreiden van activiteiten over
verschillende geopolitieke contexten om de risico’s te beperken.
o Strategic ambiguity = het bewust vermijden van duidelijke politieke
positionering door MNE’s.
Artikel 3: Rosa et al. (2020)
Kernidee: in de praktijk zijn MNE’s vooral regionaal actief in plaats van
echt globaal.
Belangrijkste bevindingen:
o Wereldwijde strategieën zijn zeldzaam; regionale verankering blijft
dominant.
o Succesvolle internationalisering vereist afstemming op regionale
institutionele verschillen.
o Regionalisering betekent niet automatisch wereldwijde uniformiteit.
Belangrijkste begrippen:
o Regional strategy = focus op één of enkele regio’s met vergelijkbare
institutionele kenmerken.
o Global strategy = uniforme aanpak wereldwijd (weinig empirische
steun)