HOOFDSTUK 16
GENETICA EN OVERERVING
, DEEL 1: JE GENOTYPE IS DE GENETISCHE BASIS VAN UW FENOTYPE
1. WAT IS GENOTYPE EN FENOTYPE?
• Genotype = al je genetisch materiaal, dus de "instructies" in je DNA die bepalen hoe je lichaam wordt
opgebouwd.
• Fenotype = hoe je eruitziet en functioneert, dus wat er zichtbaar of meetbaar is (zoals je oogkleur,
lengte, bloedgroep...).
→ Je genotype beïnvloedt je fenotype, maar het is niet de enige factor: ook je omgeving en
levensstijl spelen mee (bijvoorbeeld voeding, zonlicht...).
1.1 CHROMOSOMEN : WAAT ZIT JE DNA?
• DNA zit in chromosomen, die zichtbaar worden vlak voor een celdeling.
• Elk chromosoom heeft een eigen grootte, plaats van het centromeer (het middenstuk), en een
specifiek patroon, waardoor ze herkenbaar zijn.
1.2 WAT IS EEN KARYOTYPE EN KARYOGRAM?
• Een karyogram is een afbeelding van alle chromosomen van een mens, netjes op een rij.
• Mensen hebben 23 paar chromosomen, dus in totaal 46:
→ 22 paren zijn autosomen (gewone chromosomen)
→ 1 paar is geslachtschromosomen:
o Vrouwen: XX
o Mannen: XY
1.3 WAT ZIJN HOMOLOGE CHROMOSOMEN ?
• Elk paar bestaat uit twee chromosomen die op elkaar lijken.
• Ze dragen dezelfde genen op dezelfde plaats (locatie), maar:
→ die genen kunnen lichtjes verschillend zijn in hun DNA-sequentie.
→ Die verschillen heten allelen.
1.4 WAT ZIJN ALLELEN ?
• Allelen zijn variaties van hetzelfde gen.
• Bijvoorbeeld: het gen voor oogkleur kan een “bruine” of “blauwe” versie hebben.
• Je hebt van elk gen twee kopieën (één van mama, één van papa).
→ Als ze identiek zijn → je bent homozygoot
→ Als ze verschillend zijn → je bent heterozygoot
VOORBEELD BLOEDGROEP
• Bij het ABO-bloedgroepensysteem zijn er drie mogelijke allelen: A, B, O.
• Je krijgt er twee (bijvoorbeeld: A van je moeder, O van je vader → dan heb je bloedgroep A).
1
GENETICA EN OVERERVING
, DEEL 1: JE GENOTYPE IS DE GENETISCHE BASIS VAN UW FENOTYPE
1. WAT IS GENOTYPE EN FENOTYPE?
• Genotype = al je genetisch materiaal, dus de "instructies" in je DNA die bepalen hoe je lichaam wordt
opgebouwd.
• Fenotype = hoe je eruitziet en functioneert, dus wat er zichtbaar of meetbaar is (zoals je oogkleur,
lengte, bloedgroep...).
→ Je genotype beïnvloedt je fenotype, maar het is niet de enige factor: ook je omgeving en
levensstijl spelen mee (bijvoorbeeld voeding, zonlicht...).
1.1 CHROMOSOMEN : WAAT ZIT JE DNA?
• DNA zit in chromosomen, die zichtbaar worden vlak voor een celdeling.
• Elk chromosoom heeft een eigen grootte, plaats van het centromeer (het middenstuk), en een
specifiek patroon, waardoor ze herkenbaar zijn.
1.2 WAT IS EEN KARYOTYPE EN KARYOGRAM?
• Een karyogram is een afbeelding van alle chromosomen van een mens, netjes op een rij.
• Mensen hebben 23 paar chromosomen, dus in totaal 46:
→ 22 paren zijn autosomen (gewone chromosomen)
→ 1 paar is geslachtschromosomen:
o Vrouwen: XX
o Mannen: XY
1.3 WAT ZIJN HOMOLOGE CHROMOSOMEN ?
• Elk paar bestaat uit twee chromosomen die op elkaar lijken.
• Ze dragen dezelfde genen op dezelfde plaats (locatie), maar:
→ die genen kunnen lichtjes verschillend zijn in hun DNA-sequentie.
→ Die verschillen heten allelen.
1.4 WAT ZIJN ALLELEN ?
• Allelen zijn variaties van hetzelfde gen.
• Bijvoorbeeld: het gen voor oogkleur kan een “bruine” of “blauwe” versie hebben.
• Je hebt van elk gen twee kopieën (één van mama, één van papa).
→ Als ze identiek zijn → je bent homozygoot
→ Als ze verschillend zijn → je bent heterozygoot
VOORBEELD BLOEDGROEP
• Bij het ABO-bloedgroepensysteem zijn er drie mogelijke allelen: A, B, O.
• Je krijgt er twee (bijvoorbeeld: A van je moeder, O van je vader → dan heb je bloedgroep A).
1