HOOFDSTUK 9
ADEMHALINGSSTELSEL
1
, DEEL 1: ADEMHALING DOOR HET HELE LICHAAM
1. ADEMHALING DOOR HET HELE LICHAAM
• Ademhaling is een essentieel proces dat in het hele lichaam plaatsvindt en bestaat uit vier
hoofdprocessen:
1. Ademhaling (ventilatie) : De beweging van lucht in en uit de longen.
2. Externe ademhaling : De uitwisseling van gassen tussen de ingeademde lucht en het bloed in
de longen.
3. Interne ademhaling : De uitwisseling van gassen tussen het bloed en de weefselvloeistoffen in
het lichaam.
4. Cellulaire ademhaling : Zuurstof wordt gebruikt in de cellen om ATP te produceren. Dit proces
genereert koolstofdioxide als afvalstof.
• Het ademhalingssysteem, samen met de bijbehorende botten, spieren en zenuwen, vergemakkelijkt
deze processen.
→ Externe ademhaling vindt plaats in de longen.
→ Interne en cellulaire ademhaling vinden plaats in de weefsels doorheen het hele lichaam.
EXTRA FUNCTIE VAN HET ADEMHALINGSSYSTEEM
• Naast gasuitwisseling speelt het ademhalingssysteem ook een rol in vocalisatie (het produceren van
geluid). Dit is een belangrijk mechanisme, vooral bij baby’s, om signalen af te geven aan hun
verzorgers.
DEEL 2: HET ADEMHALINGSSYSTEEM
2. HET ADEMHALINGSSYSTEEM
• Het ademhalingssysteem zorgt ervoor dat lucht van en naar de longen wordt geleid. Het omvat:
→ Een netwerk van luchtwegen (doorgangen voor luchtcirculatie).
→ De longen zelf (waar gasuitwisseling plaatsvindt).
→ Botten, spieren en het zenuwstelsel die helpen bij de ademhaling.
• Onderverdeling van het ademhalingssysteem
1. Bovenste luchtwegen: Neus (inclusief neusholte) en keelholte.
2. Onderste luchtwegen: Strottenhoofd, luchtpijp, bronchiën en longen.
2.1 BOVENSTE LUCHTWEGEN : FILTEREN, VERWARMEN EN BEVOCHTIGEN
• Wanneer je inademt, komt lucht via de neus of mond binnen en wordt gefilterd, verwarmd en
bevochtigd.
2
, 2.1.1 DE NEUS EN NEUSHOLTE
Functies: Opbouw:
→ Bevat receptoren voor het reukvermogen. Uitwendige neus: Bestaat uit kraakbeen (vooraan)
en neusbeenderen (achteraan).
→ Filtert de lucht en houdt vreemde deeltjes
tegen. Inwendige neus (neusholte):
→ Verdeeld door het neustussenschot.
→ Bevochtigt en verwarmt de lucht. → Lucht wordt gefilterd door neusharen en
verder geleid naar de neusholte.
→ Helpt bij het vormen van de karakteristieke → Bekleed met vochtig epitheelweefsel en
toon van de stem.
voorzien van bloedvaten.
→ Bloedvaten verwarmen de lucht, terwijl het
epitheelweefsel slijm afscheidt om de lucht
te bevochtigen.
→ Cilia (trilharen) bewegen het slijm naar de
keelholte om stof en bacteriën te
verwijderen.
2.1.2 SINUSSEN EN TRAANBUISJES
• Sinussen zijn luchtruimten bekleed met slijmvlies, die helpen bij het vasthouden van vreemde deeltjes.
• Twee traanbuisjes voeren vocht van de ogen af en monden uit in de neusholte.
2.1.3 DE FARYNX (KEELHOLTE)
Functie: Opbouw:
Verbindt de mond en neusholte met het Bovenste keelholte: Verbindt met de neusholte en
strottenhoofd. bevat de gehoorbuizen die de luchtdruk in het
middenoor regelen.
Onderste keelholte:
→ Voedsel gaat naar de slokdarm.
→ Lucht stroomt door naar de onderste
luchtwegen.
→
2.2 ONDERSTE LUCHTWEGEN : GASUITWISSELING
• De onderste luchtwegen omvatten:
→ Het strottenhoofd (belangrijk voor geluid en luchtstroomregulatie).
→ De luchtpijp (geleid lucht naar de bronchiën).
→ De bronchiën en bronchiolen (vertakken zich in de longen).
→ De longen (waar zuurstof wordt opgenomen en koolstofdioxide wordt afgegeven).
3
ADEMHALINGSSTELSEL
1
, DEEL 1: ADEMHALING DOOR HET HELE LICHAAM
1. ADEMHALING DOOR HET HELE LICHAAM
• Ademhaling is een essentieel proces dat in het hele lichaam plaatsvindt en bestaat uit vier
hoofdprocessen:
1. Ademhaling (ventilatie) : De beweging van lucht in en uit de longen.
2. Externe ademhaling : De uitwisseling van gassen tussen de ingeademde lucht en het bloed in
de longen.
3. Interne ademhaling : De uitwisseling van gassen tussen het bloed en de weefselvloeistoffen in
het lichaam.
4. Cellulaire ademhaling : Zuurstof wordt gebruikt in de cellen om ATP te produceren. Dit proces
genereert koolstofdioxide als afvalstof.
• Het ademhalingssysteem, samen met de bijbehorende botten, spieren en zenuwen, vergemakkelijkt
deze processen.
→ Externe ademhaling vindt plaats in de longen.
→ Interne en cellulaire ademhaling vinden plaats in de weefsels doorheen het hele lichaam.
EXTRA FUNCTIE VAN HET ADEMHALINGSSYSTEEM
• Naast gasuitwisseling speelt het ademhalingssysteem ook een rol in vocalisatie (het produceren van
geluid). Dit is een belangrijk mechanisme, vooral bij baby’s, om signalen af te geven aan hun
verzorgers.
DEEL 2: HET ADEMHALINGSSYSTEEM
2. HET ADEMHALINGSSYSTEEM
• Het ademhalingssysteem zorgt ervoor dat lucht van en naar de longen wordt geleid. Het omvat:
→ Een netwerk van luchtwegen (doorgangen voor luchtcirculatie).
→ De longen zelf (waar gasuitwisseling plaatsvindt).
→ Botten, spieren en het zenuwstelsel die helpen bij de ademhaling.
• Onderverdeling van het ademhalingssysteem
1. Bovenste luchtwegen: Neus (inclusief neusholte) en keelholte.
2. Onderste luchtwegen: Strottenhoofd, luchtpijp, bronchiën en longen.
2.1 BOVENSTE LUCHTWEGEN : FILTEREN, VERWARMEN EN BEVOCHTIGEN
• Wanneer je inademt, komt lucht via de neus of mond binnen en wordt gefilterd, verwarmd en
bevochtigd.
2
, 2.1.1 DE NEUS EN NEUSHOLTE
Functies: Opbouw:
→ Bevat receptoren voor het reukvermogen. Uitwendige neus: Bestaat uit kraakbeen (vooraan)
en neusbeenderen (achteraan).
→ Filtert de lucht en houdt vreemde deeltjes
tegen. Inwendige neus (neusholte):
→ Verdeeld door het neustussenschot.
→ Bevochtigt en verwarmt de lucht. → Lucht wordt gefilterd door neusharen en
verder geleid naar de neusholte.
→ Helpt bij het vormen van de karakteristieke → Bekleed met vochtig epitheelweefsel en
toon van de stem.
voorzien van bloedvaten.
→ Bloedvaten verwarmen de lucht, terwijl het
epitheelweefsel slijm afscheidt om de lucht
te bevochtigen.
→ Cilia (trilharen) bewegen het slijm naar de
keelholte om stof en bacteriën te
verwijderen.
2.1.2 SINUSSEN EN TRAANBUISJES
• Sinussen zijn luchtruimten bekleed met slijmvlies, die helpen bij het vasthouden van vreemde deeltjes.
• Twee traanbuisjes voeren vocht van de ogen af en monden uit in de neusholte.
2.1.3 DE FARYNX (KEELHOLTE)
Functie: Opbouw:
Verbindt de mond en neusholte met het Bovenste keelholte: Verbindt met de neusholte en
strottenhoofd. bevat de gehoorbuizen die de luchtdruk in het
middenoor regelen.
Onderste keelholte:
→ Voedsel gaat naar de slokdarm.
→ Lucht stroomt door naar de onderste
luchtwegen.
→
2.2 ONDERSTE LUCHTWEGEN : GASUITWISSELING
• De onderste luchtwegen omvatten:
→ Het strottenhoofd (belangrijk voor geluid en luchtstroomregulatie).
→ De luchtpijp (geleid lucht naar de bronchiën).
→ De bronchiën en bronchiolen (vertakken zich in de longen).
→ De longen (waar zuurstof wordt opgenomen en koolstofdioxide wordt afgegeven).
3