HOOFDSTUK 2
EVOLUTIE EN GEDRAGSGENETICA
1
, DEEL 1: EVOLUTIE
DEEL 1.1: DEFINIËRING PERSPECTIEF
1. GRONVOORWWAARDEN NATUURLIJK SELECTIE
• Natuurlijke selectie is een proces waarbij eigenschappen die bijdragen aan het overleven en
voortplanten van een organisme, doorgegeven worden aan de volgende generatie. Dit gebeurt in drie
stappen:
1. Overerving: Eigenschappen worden genetisch doorgegeven.
2. Variatie: Er is variatie in eigenschappen door mutaties.
→ Mutatie: permanente verandering in het DNA van een organisme die kan leiden tot
variatie in erfelijke eigenschappen
o mutatie kan plaatsvinden door: virussen, externe invloed of spontane fout in
DNA
3. Selectie: Eigenschappen die het reproductief succes vergroten (meer nakomelingen) komen
vaker voor in de volgende generatie.
Dit proces leidt tot evolutie, waarbij genetische verschillen ontstaan tussen opeenvolgende generaties.
Natuurlijk selectie zorgt voor evolutie
→ Evolutie: is een verandering van genetisch code van generatie tot generatie
2. SELECTIE
• In de evolutie draait selectie om "survival of the fittest", maar niet per se de sterkste of slimste.
→ Het gaat erom wie het best past in de veranderende omgeving. Het vermogen om te overleven
en nakomelingen te krijgen (reproductief succes) is cruciaal.
• Er zijn verschillende vormen van selectie:
1. Mortaliteitsselectie: overleven.
2. Vruchtbaarheidsselectie: aantal nakomelingen.
3. Seksuele selectie: kans om te paren.
• Directe fitness: gaat om de persoonlijke reproductief succes, dus ervoor zorgendat eigen genene
doorgegeven worden
• Verwantenfitness of indirecte fitness: het persoonlijk reproductief success wordt aan de zijkant
gelegd, de genene van het ander zijn veel belangrijker, en deze moeten vervolgens overleven en
doorgegeven worden aan het volgend generatie
• Inclusieve fitness: is het totaal van een individu's eigen reproductieve succes plus de bijdrage aan het
voortplantingssucces van genetische verwanten.
→ Inclusieve fitness = directe + indirecte fitness
→ Dit verklaart altruïstisch gedrag, zoals familieleden helpen, omdat gedeelde genen zo worden
doorgegeven
2
, 3. PSYHCOLOGISCHE RELEVANTIE
• Erfelijkheid van psychische kenmerken:
→ Veel belangrijke psychische eigenschappen zijn genetisch verankerd in ons lichaam, wat
betekent dat er een erfelijke invloed op deze kenmerken is.
→ Bijvoorbeeld, de grootte van het brein wordt voor een groot deel genetisch bepaald en wordt
vaak in verband gebracht met IQ.
• Erfelijke invloed via fysieke eigenschappen:
→ Erfelijkheid kan ook invloed hebben via fysieke eigenschappen die op het eerste gezicht niet
psychisch lijken.
→ Bijvoorbeeld, onderzoek heeft aangetoond dat er een verband is tussen extraversie en fysieke
kenmerken zoals lichaamslengte of aantrekkelijkheid (Lukaszewski & Roney, 2015).
o Hierbij kunnen we vaststellen dat psychologische verbanden ook kunnen
plaatsvinden dmv simpelere factoren
• Gedragsgenetica:
→ Het bestuderen van de erfelijkheid van gedrag valt onder de gedragsgenetica, die onderzoekt
hoe genen en omgeving bijdragen aan gedrag.
→ Deze wetenschap heeft echter ook negatieve connotaties door historische misbruik, zoals in de
eugenetica en racistische theorieën.
DEEL 1.2: PRIMATEN
1. PRIMATEN
• Theoretisch gezien vanuit de boom des leven stammen we af van bacteriën → vis → aap → mens
→ Dit toont aan dat alle primaten dezelfde voorouder hebben
• Meestal gaan de meeste organisme zich focussen op 1 niche (= kwaliteit), maar primaten niet, zij
hebben er meerder
• Primaten zijn zoogdieren die zich kenmerken door enkele belangrijke eigenschappen:
→ Generalisten: Ze kunnen allemaal op twee voeten lopen.
→ Groot brein: Dit draagt bij aan complex gedrag en sociaal functioneren.
→ Aangepast aan het leven in bomen: Dit betekent dat ze goed kunnen slingeren en zich
bewegen in een boomrijke omgeving.
→ Grijphanden/-voeten: Ze hebben handen en voeten die ze kunnen gebruiken om vast te
grijpen.
→ Schoudergewricht: Het schoudergewricht is flexibel, wat slingeren mogelijk maakt.
→ Frontaal ingeplante ogen: Dit geeft ze dieptezicht, wat belangrijk is voor het navigeren in de
bomen.
3
EVOLUTIE EN GEDRAGSGENETICA
1
, DEEL 1: EVOLUTIE
DEEL 1.1: DEFINIËRING PERSPECTIEF
1. GRONVOORWWAARDEN NATUURLIJK SELECTIE
• Natuurlijke selectie is een proces waarbij eigenschappen die bijdragen aan het overleven en
voortplanten van een organisme, doorgegeven worden aan de volgende generatie. Dit gebeurt in drie
stappen:
1. Overerving: Eigenschappen worden genetisch doorgegeven.
2. Variatie: Er is variatie in eigenschappen door mutaties.
→ Mutatie: permanente verandering in het DNA van een organisme die kan leiden tot
variatie in erfelijke eigenschappen
o mutatie kan plaatsvinden door: virussen, externe invloed of spontane fout in
DNA
3. Selectie: Eigenschappen die het reproductief succes vergroten (meer nakomelingen) komen
vaker voor in de volgende generatie.
Dit proces leidt tot evolutie, waarbij genetische verschillen ontstaan tussen opeenvolgende generaties.
Natuurlijk selectie zorgt voor evolutie
→ Evolutie: is een verandering van genetisch code van generatie tot generatie
2. SELECTIE
• In de evolutie draait selectie om "survival of the fittest", maar niet per se de sterkste of slimste.
→ Het gaat erom wie het best past in de veranderende omgeving. Het vermogen om te overleven
en nakomelingen te krijgen (reproductief succes) is cruciaal.
• Er zijn verschillende vormen van selectie:
1. Mortaliteitsselectie: overleven.
2. Vruchtbaarheidsselectie: aantal nakomelingen.
3. Seksuele selectie: kans om te paren.
• Directe fitness: gaat om de persoonlijke reproductief succes, dus ervoor zorgendat eigen genene
doorgegeven worden
• Verwantenfitness of indirecte fitness: het persoonlijk reproductief success wordt aan de zijkant
gelegd, de genene van het ander zijn veel belangrijker, en deze moeten vervolgens overleven en
doorgegeven worden aan het volgend generatie
• Inclusieve fitness: is het totaal van een individu's eigen reproductieve succes plus de bijdrage aan het
voortplantingssucces van genetische verwanten.
→ Inclusieve fitness = directe + indirecte fitness
→ Dit verklaart altruïstisch gedrag, zoals familieleden helpen, omdat gedeelde genen zo worden
doorgegeven
2
, 3. PSYHCOLOGISCHE RELEVANTIE
• Erfelijkheid van psychische kenmerken:
→ Veel belangrijke psychische eigenschappen zijn genetisch verankerd in ons lichaam, wat
betekent dat er een erfelijke invloed op deze kenmerken is.
→ Bijvoorbeeld, de grootte van het brein wordt voor een groot deel genetisch bepaald en wordt
vaak in verband gebracht met IQ.
• Erfelijke invloed via fysieke eigenschappen:
→ Erfelijkheid kan ook invloed hebben via fysieke eigenschappen die op het eerste gezicht niet
psychisch lijken.
→ Bijvoorbeeld, onderzoek heeft aangetoond dat er een verband is tussen extraversie en fysieke
kenmerken zoals lichaamslengte of aantrekkelijkheid (Lukaszewski & Roney, 2015).
o Hierbij kunnen we vaststellen dat psychologische verbanden ook kunnen
plaatsvinden dmv simpelere factoren
• Gedragsgenetica:
→ Het bestuderen van de erfelijkheid van gedrag valt onder de gedragsgenetica, die onderzoekt
hoe genen en omgeving bijdragen aan gedrag.
→ Deze wetenschap heeft echter ook negatieve connotaties door historische misbruik, zoals in de
eugenetica en racistische theorieën.
DEEL 1.2: PRIMATEN
1. PRIMATEN
• Theoretisch gezien vanuit de boom des leven stammen we af van bacteriën → vis → aap → mens
→ Dit toont aan dat alle primaten dezelfde voorouder hebben
• Meestal gaan de meeste organisme zich focussen op 1 niche (= kwaliteit), maar primaten niet, zij
hebben er meerder
• Primaten zijn zoogdieren die zich kenmerken door enkele belangrijke eigenschappen:
→ Generalisten: Ze kunnen allemaal op twee voeten lopen.
→ Groot brein: Dit draagt bij aan complex gedrag en sociaal functioneren.
→ Aangepast aan het leven in bomen: Dit betekent dat ze goed kunnen slingeren en zich
bewegen in een boomrijke omgeving.
→ Grijphanden/-voeten: Ze hebben handen en voeten die ze kunnen gebruiken om vast te
grijpen.
→ Schoudergewricht: Het schoudergewricht is flexibel, wat slingeren mogelijk maakt.
→ Frontaal ingeplante ogen: Dit geeft ze dieptezicht, wat belangrijk is voor het navigeren in de
bomen.
3