VMV 3
Hoofdstuk 1: Circulatie – pathologie
Zie korte herhaling circulatie ppt dia 3 - 31
1 Arteriële hypertensie
Arteriële druk
→ maat voor de druk die het bloed uitoefent op de vaatwand
Hypertensie
→ is een langdurig abnormaal verhoogde bloeddruk
Systolische druk
→ de druk die gemeten wordt in een grote arterie tijdens de linkerventrikelcontractie
→ wanneer het hart samentrekt en bloed stuwt in de aorta
Diastolische druk
→ de druk die gemeten wordt in een grote arterie tijdens de relaxatie van het hart
→ wanneer het hart ontspant en vult met bloed
Mean arterial pressure (MAP)
→ formule: (2 x diastolische druk + 1 x systolische druk) / 3
Arteriële bloeding → essentieel voor doorbloeding van organen
▪ Regulatiesystemen:
→ autonome zenuwstelsel (snelle regulatie)
→ RAAS / renine – angtiotensine – aldosteronsysteem (trage regulatie)
Bloeddruk afhankelijk van:
▪ Cardiac outpout (CO) of hartminuutvolume (HMV)
→ = slagvolume x hartfrequentie
▪ Totale perifere weerstand (TWP)
Dus…
▪ Bloeddruk = CO x TWP
▪ CO = hartfrequentie x slagvolume
-1-
,Bloeddruk wordt gemeten door: baroreceptoren in wand van de aortaboog en a. carotis
→ sturen prikkels door naar hersenstam
▪ Bij daling van BD → invloed van orthosympatisch zenuwstelsel toe, met als gevolg:
o Toename CO of HMV → toename HF en toename SV
o Vasoconstrictie arteriolen → toename TPW
o Vasoconstrictie vanulen → toename veneus aanbod
→ daling van BD wordt ook geregistreerd door baroreceptoren in organen
→ sensoren sturen prikkels naar nieren
→ nieren produceren renine
→ activatie RAAS
→ vasoconstrictie van arteriolen (toename SVR) + productie aldosteron
(H20- en zoutretentie m.a.g. hoger bloedvolume)
ACE = angiotensine-converting enzyme
Bij gezonde volwassene:
▪ Systolische druk: < 120 mmHg
▪ Diastolische druk: < 80 mmHg
Bij arteriële hypertensie:
▪ Systolische druk: >140 mmHg
▪ En/of diastolische druk: >90mmHg
-2-
, Systolische bloeddruk Diastolsiche bloeddruk
(mmHg) (mmHg)
Normaal < 130 En < 80
Hypertensie, stadium 1 130 – 139 Of 80 – 89
Hypertensie, stadium 2 ≥ 140 Of ≥ 90
Zorgontvangers met:
▪ Hoog cardiovasculair risico
→ vb. diabetici en zorgontvangers met chronisch nierlijden
(horen steeds bij deze categorie)
▪ Hypertensie stadium 1
→ antihypertensiva opgestart
Wat valt er onder antihypertensiva
▪ Thiaziden
▪ Calciumkanaalblokkers
▪ ACE-inhibitoren
▪ Angiotensine-II-receptorantagonisten
Niet medicamenteuze behandeling
▪ Dieet: zoutbeperking, overgewicht vermijden
▪ Rookstop
▪ Stress vermijden
▪ Meer lichaamsbeweging
Samengevat:
▪ Bij volwassenen is sprake van hypertensie als de gemiddelde arteriële bloeddruk
hoger is dan 140/90 mmHg.
→ als ZO meer dan 4 dagen een hoge bloeddruk heeft, krijgt de diagnose hypertensie
▪ Prehypertensie bij een systolische bloeddruk 130-139 mmHg en diastolische
bloeddruk van 80-89 mmHg
▪ 40% volwassenen in de hele wereld
▪ Een van de belangrijkste factoren voor hartaandoeningen, CVA, nierinsufficiëntie...
Diagnosestelling
▪ Conventionele bloeddrukmeting met gevalideerde bloeddrukmeter (korotkoff-tonen)
▪ Zelfmeting met gevalideerd, automatisch bovenarm toestel gedurende 7 dagen
(2x per dag)
▪ 24u meting
Preventie plus
▪ De meeste mensen gebruiken meer zout dan ze nodig hebben.
▪ Gezonde gewicht
▪ Voldoende beweging
▪ Matig met alcohol
▪ Eet minder vetten en meer groeten en fruit
▪ Stoppen met roken
-3-
, Pathofysiologie
▪ RR = gemiddelde bloeddruk (mean arterial pressure)
▪ SV = slagvolume de hoeveelheid bloed door het hart uitgepompt per slag
▪ HF = hartfrequentie het aantal hartcontracties per minuut
▪ PW = perifere (vaat)weerstand de weerstand dat het bloed ondervindt bij passage
doorheen de vaten van de systeemcirculatie
▪ CO = cardiac output (hartdebiet, hartminuutvolume) de hoeveelheid bloed dat het
hart per minuut uitpompt
▪ Een verhoging van de bloeddruk kan dus het gevolg zijn van een stijging van elk van
deze factoren of een combinatie ervan
1.1 Essentiële of primaire hypertensie
▪ Komt vaak voor (90%)
▪ Ontstaan: combinatie van
→ genetische voorbeschiktheid
→ milieufactoren (zoetgebruik, obesitas, alcohol, fysieke inactiviteit, alcoholgebruik,
tabaksgebruik, stress …)
-4-
Hoofdstuk 1: Circulatie – pathologie
Zie korte herhaling circulatie ppt dia 3 - 31
1 Arteriële hypertensie
Arteriële druk
→ maat voor de druk die het bloed uitoefent op de vaatwand
Hypertensie
→ is een langdurig abnormaal verhoogde bloeddruk
Systolische druk
→ de druk die gemeten wordt in een grote arterie tijdens de linkerventrikelcontractie
→ wanneer het hart samentrekt en bloed stuwt in de aorta
Diastolische druk
→ de druk die gemeten wordt in een grote arterie tijdens de relaxatie van het hart
→ wanneer het hart ontspant en vult met bloed
Mean arterial pressure (MAP)
→ formule: (2 x diastolische druk + 1 x systolische druk) / 3
Arteriële bloeding → essentieel voor doorbloeding van organen
▪ Regulatiesystemen:
→ autonome zenuwstelsel (snelle regulatie)
→ RAAS / renine – angtiotensine – aldosteronsysteem (trage regulatie)
Bloeddruk afhankelijk van:
▪ Cardiac outpout (CO) of hartminuutvolume (HMV)
→ = slagvolume x hartfrequentie
▪ Totale perifere weerstand (TWP)
Dus…
▪ Bloeddruk = CO x TWP
▪ CO = hartfrequentie x slagvolume
-1-
,Bloeddruk wordt gemeten door: baroreceptoren in wand van de aortaboog en a. carotis
→ sturen prikkels door naar hersenstam
▪ Bij daling van BD → invloed van orthosympatisch zenuwstelsel toe, met als gevolg:
o Toename CO of HMV → toename HF en toename SV
o Vasoconstrictie arteriolen → toename TPW
o Vasoconstrictie vanulen → toename veneus aanbod
→ daling van BD wordt ook geregistreerd door baroreceptoren in organen
→ sensoren sturen prikkels naar nieren
→ nieren produceren renine
→ activatie RAAS
→ vasoconstrictie van arteriolen (toename SVR) + productie aldosteron
(H20- en zoutretentie m.a.g. hoger bloedvolume)
ACE = angiotensine-converting enzyme
Bij gezonde volwassene:
▪ Systolische druk: < 120 mmHg
▪ Diastolische druk: < 80 mmHg
Bij arteriële hypertensie:
▪ Systolische druk: >140 mmHg
▪ En/of diastolische druk: >90mmHg
-2-
, Systolische bloeddruk Diastolsiche bloeddruk
(mmHg) (mmHg)
Normaal < 130 En < 80
Hypertensie, stadium 1 130 – 139 Of 80 – 89
Hypertensie, stadium 2 ≥ 140 Of ≥ 90
Zorgontvangers met:
▪ Hoog cardiovasculair risico
→ vb. diabetici en zorgontvangers met chronisch nierlijden
(horen steeds bij deze categorie)
▪ Hypertensie stadium 1
→ antihypertensiva opgestart
Wat valt er onder antihypertensiva
▪ Thiaziden
▪ Calciumkanaalblokkers
▪ ACE-inhibitoren
▪ Angiotensine-II-receptorantagonisten
Niet medicamenteuze behandeling
▪ Dieet: zoutbeperking, overgewicht vermijden
▪ Rookstop
▪ Stress vermijden
▪ Meer lichaamsbeweging
Samengevat:
▪ Bij volwassenen is sprake van hypertensie als de gemiddelde arteriële bloeddruk
hoger is dan 140/90 mmHg.
→ als ZO meer dan 4 dagen een hoge bloeddruk heeft, krijgt de diagnose hypertensie
▪ Prehypertensie bij een systolische bloeddruk 130-139 mmHg en diastolische
bloeddruk van 80-89 mmHg
▪ 40% volwassenen in de hele wereld
▪ Een van de belangrijkste factoren voor hartaandoeningen, CVA, nierinsufficiëntie...
Diagnosestelling
▪ Conventionele bloeddrukmeting met gevalideerde bloeddrukmeter (korotkoff-tonen)
▪ Zelfmeting met gevalideerd, automatisch bovenarm toestel gedurende 7 dagen
(2x per dag)
▪ 24u meting
Preventie plus
▪ De meeste mensen gebruiken meer zout dan ze nodig hebben.
▪ Gezonde gewicht
▪ Voldoende beweging
▪ Matig met alcohol
▪ Eet minder vetten en meer groeten en fruit
▪ Stoppen met roken
-3-
, Pathofysiologie
▪ RR = gemiddelde bloeddruk (mean arterial pressure)
▪ SV = slagvolume de hoeveelheid bloed door het hart uitgepompt per slag
▪ HF = hartfrequentie het aantal hartcontracties per minuut
▪ PW = perifere (vaat)weerstand de weerstand dat het bloed ondervindt bij passage
doorheen de vaten van de systeemcirculatie
▪ CO = cardiac output (hartdebiet, hartminuutvolume) de hoeveelheid bloed dat het
hart per minuut uitpompt
▪ Een verhoging van de bloeddruk kan dus het gevolg zijn van een stijging van elk van
deze factoren of een combinatie ervan
1.1 Essentiële of primaire hypertensie
▪ Komt vaak voor (90%)
▪ Ontstaan: combinatie van
→ genetische voorbeschiktheid
→ milieufactoren (zoetgebruik, obesitas, alcohol, fysieke inactiviteit, alcoholgebruik,
tabaksgebruik, stress …)
-4-