,Ontwikkelingspsychologie gaat over hoe mensen zich ontwikkelen en veranderen door
de tijd heen.
Nature gaat hierbij om de genetische componenten die de ontwikkeling beïnvloedt en
nurture gaat om de omgevingscomponenten. Bij nurture hoort ook de term tabula rasa,
een onbeschreven blad.
Pesten en psychopathologie zijn beide deels genetisch, maar komt tot uiting bij een
samenspel van GxO, dus genen x omgeving. Hierbij speelt positive reinforcement ook
een rol.
Vervolgens zijn er drie modellen van ontwikkeling:
1. Continue ontwikkeling, waarbij mensen zich als een lineaire lijn ontwikkelen.
2. Discontinue ontwikkeling, waarbij mensen in fases ontwikkelen, dit is van
toepassing bij Piaget.
3. Overlapping waves, waarbij mensen, in dit geval kinderen, verschillende
methodes tegelijk toepassen om zo langzamerhand te leren wat het beste werkt.
Een kritieke periode gaat om noodzakelijke gebeurtenissen, gebeuren deze niet, dan
kan hetgeen nooit meer worden aangeleerd.
Een sensitieve periode gaat om een belangrijke gebeurtenis, later kan het nog wel
worden aangelegd, alleen met veel moeite.
Allport zegt dat mensen zich levenslang doorontwikkelen. Adolescenten hebben hierbij
autoriteit nodig, zelfspot, jezelf niet te serieus nemen en stoppen met rebelleren tegen
ouders. Daarnaast worden mensen in huwelijke meer volwassen door verantwoording
en bewustheid van anderen hun behoeftes.
Cross-cultureel onderzoek van Westerse theorieën kloppen niet altijd in andere landen.
Bronfenbrenner’s model zet het kind centraal met lagen eromheen die invloed hebben:
1. Microsysteem, dit is de directe leefomgeving van het kind.
2. Mesosysteem, dit is hoe het microsysteem met elkaar interacteert.
3. Exosysteem, dit is de omgeving waar het kind niet direct deel van uitmaakt.
4. Macrosysteem, dit is de bredere maatschappelijke context.
5. Chronosysteem, dit zijn de ontwikkelingen door de tijd heen.
1
, Erikson zei dat er meer stadia zijn en niet psychoseksueel, zoals Freud. Ook blijven
mensen zich levenslang ontwikkeling. Huidig zijn er meer stadia dan Erikson dacht.
Psychoseksuele ontwikkeling van Freud (lijkt op discontinue ontwikkeling):
1. Orale fase, het gaat om orale stimulatie, dus dingen in de mond stoppen.
2. Anale fase, het gaat om anale stimulatie en hier ontwikkelt het ego zich.
3. Fallische fase kinderen plezier uit genitalieën + oepiduscomplex ontwikkelt.
4. Latentiefase hier staat de psychoseksuele ontwikkeling stil.
5. Genitale fase, weer plezier uit genitaliën.
Klassieke conditionering gaat om gedrag aanleren door associatie.
Operante conditionering gaat om gedrag aanleren door belonen en straffen.
Conditionering zegt volwassen ingrijpen = kinderen moeten alles leren = nurture
Maturational theory zegt dat de mens een biologische agenda heeft die in een vaste
volgorde tot uiting komt door de tijd heen. Nature = gaat vanzelf = minder ingrijpen.
Ethologische theorie gaat over aangeboren gedrag voor overleving zoals imprinting
een plotselinge vorm van attachment. De ethologische methode observeert kinderen in
natuurlijke omgeving.
John Bowlby ontdekte dat vroege scheiding van de moeder leidde tot meer
probleemgedrag, moeilijkere relaties en mogelijk psychopathie.
Evolutionaire psychologie zegt dat de maatschappij sneller is ontwikkeld dan de mens.
Dit kan bepaalde theorieën verklaren die hebben geholpen met overleving bij onze
voorouders, zoals pesten, depressie, stress, etc.
Piaget komt overeen met discontinue ontwikkeling, hij keek naar cognitieve
ontwikkeling bij kinderen. Kinderen leren door trial-and-error. De kritiek op Piaget was
dat de omgeving niet was meegenomen.
Vygotsky legde nadruk op omgeving. Kinderen hebben een leerkracht nodig om verder
te ontwikkelen.
Bewustzijnprobleem gaat over hoe mensen gecodeerd zijn om te functioneren.
2
de tijd heen.
Nature gaat hierbij om de genetische componenten die de ontwikkeling beïnvloedt en
nurture gaat om de omgevingscomponenten. Bij nurture hoort ook de term tabula rasa,
een onbeschreven blad.
Pesten en psychopathologie zijn beide deels genetisch, maar komt tot uiting bij een
samenspel van GxO, dus genen x omgeving. Hierbij speelt positive reinforcement ook
een rol.
Vervolgens zijn er drie modellen van ontwikkeling:
1. Continue ontwikkeling, waarbij mensen zich als een lineaire lijn ontwikkelen.
2. Discontinue ontwikkeling, waarbij mensen in fases ontwikkelen, dit is van
toepassing bij Piaget.
3. Overlapping waves, waarbij mensen, in dit geval kinderen, verschillende
methodes tegelijk toepassen om zo langzamerhand te leren wat het beste werkt.
Een kritieke periode gaat om noodzakelijke gebeurtenissen, gebeuren deze niet, dan
kan hetgeen nooit meer worden aangeleerd.
Een sensitieve periode gaat om een belangrijke gebeurtenis, later kan het nog wel
worden aangelegd, alleen met veel moeite.
Allport zegt dat mensen zich levenslang doorontwikkelen. Adolescenten hebben hierbij
autoriteit nodig, zelfspot, jezelf niet te serieus nemen en stoppen met rebelleren tegen
ouders. Daarnaast worden mensen in huwelijke meer volwassen door verantwoording
en bewustheid van anderen hun behoeftes.
Cross-cultureel onderzoek van Westerse theorieën kloppen niet altijd in andere landen.
Bronfenbrenner’s model zet het kind centraal met lagen eromheen die invloed hebben:
1. Microsysteem, dit is de directe leefomgeving van het kind.
2. Mesosysteem, dit is hoe het microsysteem met elkaar interacteert.
3. Exosysteem, dit is de omgeving waar het kind niet direct deel van uitmaakt.
4. Macrosysteem, dit is de bredere maatschappelijke context.
5. Chronosysteem, dit zijn de ontwikkelingen door de tijd heen.
1
, Erikson zei dat er meer stadia zijn en niet psychoseksueel, zoals Freud. Ook blijven
mensen zich levenslang ontwikkeling. Huidig zijn er meer stadia dan Erikson dacht.
Psychoseksuele ontwikkeling van Freud (lijkt op discontinue ontwikkeling):
1. Orale fase, het gaat om orale stimulatie, dus dingen in de mond stoppen.
2. Anale fase, het gaat om anale stimulatie en hier ontwikkelt het ego zich.
3. Fallische fase kinderen plezier uit genitalieën + oepiduscomplex ontwikkelt.
4. Latentiefase hier staat de psychoseksuele ontwikkeling stil.
5. Genitale fase, weer plezier uit genitaliën.
Klassieke conditionering gaat om gedrag aanleren door associatie.
Operante conditionering gaat om gedrag aanleren door belonen en straffen.
Conditionering zegt volwassen ingrijpen = kinderen moeten alles leren = nurture
Maturational theory zegt dat de mens een biologische agenda heeft die in een vaste
volgorde tot uiting komt door de tijd heen. Nature = gaat vanzelf = minder ingrijpen.
Ethologische theorie gaat over aangeboren gedrag voor overleving zoals imprinting
een plotselinge vorm van attachment. De ethologische methode observeert kinderen in
natuurlijke omgeving.
John Bowlby ontdekte dat vroege scheiding van de moeder leidde tot meer
probleemgedrag, moeilijkere relaties en mogelijk psychopathie.
Evolutionaire psychologie zegt dat de maatschappij sneller is ontwikkeld dan de mens.
Dit kan bepaalde theorieën verklaren die hebben geholpen met overleving bij onze
voorouders, zoals pesten, depressie, stress, etc.
Piaget komt overeen met discontinue ontwikkeling, hij keek naar cognitieve
ontwikkeling bij kinderen. Kinderen leren door trial-and-error. De kritiek op Piaget was
dat de omgeving niet was meegenomen.
Vygotsky legde nadruk op omgeving. Kinderen hebben een leerkracht nodig om verder
te ontwikkelen.
Bewustzijnprobleem gaat over hoe mensen gecodeerd zijn om te functioneren.
2