PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN
1STE BACHELOR
2024 – 2025
1
, HOOFDSTUK 1A
DE PLURALITEIT VAN DE
PEDAGOGIEK
2
,1. PEDAGOGIEK EN HAAR ONTWIKKELING
• Pedagogiek houdt zich bezig met opvoedings- en onderwijsprocessen.
→ Het werd pas in 1779 een academische wetenschap met de benoeming van Ernst Christian
Trapp als eerste hoogleraar in pedagogiek. In Nederland gebeurde dit pas in 1918 met R.
Casimir.
• Voor de academisering hielden filosofen zich al bezig met opvoeding:
1. Plato (427-347 v.C.) zag opvoeding als een manier om de sociale orde in de stadstaat te
behouden.
2. John Locke (1632-1704) beschreef het kind als een "tabula rasa" (onbeschreven blad),
gevormd door opvoeding.
3. Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) pleitte in Emile voor een natuurlijke opvoeding zonder
schadelijke invloeden van de maatschappij.
1.1 VAN INCIDENT NAAT WETENSCHAPPELIJKE PEDAGOGIEK
• Voor de academisering waren opvoeding en onderwijs vooral thema’s van filosofische reflectie.
→ Met de komst van de pedagogische wetenschap werd de aandacht voor opvoeding en
onderwijs systematisch en continu.
→ De wetenschap wil niet alleen opvoedingsprocessen begrijpen, maar ook bijdragen aan de
praktijk.
→ Dankzij betere scholing kunnen opvoeders nu zelf pedagogische kennis toepassen.
pedagogiek is ontstaan vanuit filosofische reflecties, werd in de 18e eeuw een academische discipline
en heeft sindsdien een steeds grotere invloed op de praktijk van opvoeding en onderwijs.
1.2 PEDAGOGIEK ALS WETENSCHAP
• Dit boek richt zich op de academische pedagogiek en onderzoekt hoe deze zich de afgelopen twee
eeuwen heeft ontwikkeld. Belangrijke vragen zijn:
→ Hoe interpreteren pedagogen hun eigen wetenschappelijke activiteiten?
→ Wat maakt pedagogisch onderzoek wetenschappelijk?
→ Wat is de relatie tussen theorie en praktijk?
• In de pedagogiek bestaan verschillende wetenschapstheorieën, die vaak met elkaar botsen.
→ Ze verschillen bijvoorbeeld in hoe ze wetenschappelijkheid definiëren en welke
onderzoeksmethoden ze toepassen.
• Er zijn drie niveaus in de pedagogiek:
1. De praktijk – Opvoeding en onderwijs in de echte wereld.
2. Het object-theoretisch niveau – Theorieën en onderzoek over opvoeding en onderwijs.
3. Het metatheoretisch niveau – Reflectie op hoe pedagogische theorieën en onderzoek worden
gevormd.
• Er is geen overkoepelende metatheorie in de pedagogiek, maar verschillende benaderingen, zoals:
→ Geesteswetenschappelijke pedagogiek (dominant in Nederland).
→ Empirisch-analytische pedagogiek (meer experimenteel, populair sinds de jaren ’50 en ’60).
→ Kritische pedagogiek (beïnvloed door Habermas en de Frankfurter Schule).
→ Cultuurhistorische pedagogiek (gebaseerd op Vygotsky's ideeën).
3
, → Taal-analytische pedagogiek (uit het Angelsaksische taalgebied).
→ Franse opvoedingswetenschappen (minder bekend in Nederland).
→ Pragmatistische pedagogiek (Dewey, weinig invloed in Nederland).
• Dit boek helpt de lezer om verschillende pedagogische theorieën kritisch te evalueren en hun waarde
in te schatten.
1.3 DE MEERVOOUDIGHEID VAN DE PEDAGOGIEK
• Er is geen enkele theorie die de hele pedagogiek kan samenvatten. In plaats van één overkoepelende
benadering zijn er steeds meer verschillende stromingen ontstaan, die naast elkaar blijven bestaan.
1.3.1 PEDAGOGIEK IN DE JAREN 70
• In deze periode waren er drie belangrijke stromingen:
1. Geesteswetenschappelijke pedagogiek → Gericht op interpretatie en begrip van opvoeding.
2. Empirisch-analytische pedagogiek → Gericht op feiten en wetenschappelijk onderzoek.
3. Kritisch-emancipatorische pedagogiek → Gericht op sociale verandering en rechtvaardigheid.
• Wolfgang Klafki probeerde deze stromingen te combineren, maar dat bleek niet haalbaar.
1.3.2 DE GROEIENDE COMPLEXITEIT NA DE JAREN 90
• Na de jaren ’90 werd de pedagogiek nog complexer, met steeds meer nieuwe stromingen.
→ König stelde dat er minstens tien verschillende richtingen waren, zonder dat één theorie dé
oplossing bood voor opvoedkundige problemen.
→ Dit leidde tot een crisis binnen de pedagogiek, versterkt door het postmodernisme en
constructivisme, die de objectieve kennis in twijfel trokken en wetenschappelijke inzichten als
constructies beschouwden in plaats van als absolute waarheden.
1.3.3 DE HUIDIGE SITUATIE
• Er is een toenemende samenwerking tussen verschillende methodes.
→ Kwantitatief onderzoek (cijfers, statistieken) en kwalitatief onderzoek (ervaringen,
interpretaties) worden vaker gecombineerd.
→ Pedagogiek wordt niet langer gezien als een manier om alleen maar opvoeding te verklaren,
maar vooral om nieuwe inzichten te bieden.
• Biesta benoemt twee soorten diversiteit in de pedagogiek:
1. Diachrone pluraliteit → Theorieën volgen elkaar op in de tijd.
2. Synchrone pluraliteit → Verschillende theorieën bestaan tegelijk naast elkaar.
• Volgens Biesta is deze diversiteit nuttig, omdat het kritiek en reflectie binnen de pedagogiek
stimuleert.
4
1STE BACHELOR
2024 – 2025
1
, HOOFDSTUK 1A
DE PLURALITEIT VAN DE
PEDAGOGIEK
2
,1. PEDAGOGIEK EN HAAR ONTWIKKELING
• Pedagogiek houdt zich bezig met opvoedings- en onderwijsprocessen.
→ Het werd pas in 1779 een academische wetenschap met de benoeming van Ernst Christian
Trapp als eerste hoogleraar in pedagogiek. In Nederland gebeurde dit pas in 1918 met R.
Casimir.
• Voor de academisering hielden filosofen zich al bezig met opvoeding:
1. Plato (427-347 v.C.) zag opvoeding als een manier om de sociale orde in de stadstaat te
behouden.
2. John Locke (1632-1704) beschreef het kind als een "tabula rasa" (onbeschreven blad),
gevormd door opvoeding.
3. Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) pleitte in Emile voor een natuurlijke opvoeding zonder
schadelijke invloeden van de maatschappij.
1.1 VAN INCIDENT NAAT WETENSCHAPPELIJKE PEDAGOGIEK
• Voor de academisering waren opvoeding en onderwijs vooral thema’s van filosofische reflectie.
→ Met de komst van de pedagogische wetenschap werd de aandacht voor opvoeding en
onderwijs systematisch en continu.
→ De wetenschap wil niet alleen opvoedingsprocessen begrijpen, maar ook bijdragen aan de
praktijk.
→ Dankzij betere scholing kunnen opvoeders nu zelf pedagogische kennis toepassen.
pedagogiek is ontstaan vanuit filosofische reflecties, werd in de 18e eeuw een academische discipline
en heeft sindsdien een steeds grotere invloed op de praktijk van opvoeding en onderwijs.
1.2 PEDAGOGIEK ALS WETENSCHAP
• Dit boek richt zich op de academische pedagogiek en onderzoekt hoe deze zich de afgelopen twee
eeuwen heeft ontwikkeld. Belangrijke vragen zijn:
→ Hoe interpreteren pedagogen hun eigen wetenschappelijke activiteiten?
→ Wat maakt pedagogisch onderzoek wetenschappelijk?
→ Wat is de relatie tussen theorie en praktijk?
• In de pedagogiek bestaan verschillende wetenschapstheorieën, die vaak met elkaar botsen.
→ Ze verschillen bijvoorbeeld in hoe ze wetenschappelijkheid definiëren en welke
onderzoeksmethoden ze toepassen.
• Er zijn drie niveaus in de pedagogiek:
1. De praktijk – Opvoeding en onderwijs in de echte wereld.
2. Het object-theoretisch niveau – Theorieën en onderzoek over opvoeding en onderwijs.
3. Het metatheoretisch niveau – Reflectie op hoe pedagogische theorieën en onderzoek worden
gevormd.
• Er is geen overkoepelende metatheorie in de pedagogiek, maar verschillende benaderingen, zoals:
→ Geesteswetenschappelijke pedagogiek (dominant in Nederland).
→ Empirisch-analytische pedagogiek (meer experimenteel, populair sinds de jaren ’50 en ’60).
→ Kritische pedagogiek (beïnvloed door Habermas en de Frankfurter Schule).
→ Cultuurhistorische pedagogiek (gebaseerd op Vygotsky's ideeën).
3
, → Taal-analytische pedagogiek (uit het Angelsaksische taalgebied).
→ Franse opvoedingswetenschappen (minder bekend in Nederland).
→ Pragmatistische pedagogiek (Dewey, weinig invloed in Nederland).
• Dit boek helpt de lezer om verschillende pedagogische theorieën kritisch te evalueren en hun waarde
in te schatten.
1.3 DE MEERVOOUDIGHEID VAN DE PEDAGOGIEK
• Er is geen enkele theorie die de hele pedagogiek kan samenvatten. In plaats van één overkoepelende
benadering zijn er steeds meer verschillende stromingen ontstaan, die naast elkaar blijven bestaan.
1.3.1 PEDAGOGIEK IN DE JAREN 70
• In deze periode waren er drie belangrijke stromingen:
1. Geesteswetenschappelijke pedagogiek → Gericht op interpretatie en begrip van opvoeding.
2. Empirisch-analytische pedagogiek → Gericht op feiten en wetenschappelijk onderzoek.
3. Kritisch-emancipatorische pedagogiek → Gericht op sociale verandering en rechtvaardigheid.
• Wolfgang Klafki probeerde deze stromingen te combineren, maar dat bleek niet haalbaar.
1.3.2 DE GROEIENDE COMPLEXITEIT NA DE JAREN 90
• Na de jaren ’90 werd de pedagogiek nog complexer, met steeds meer nieuwe stromingen.
→ König stelde dat er minstens tien verschillende richtingen waren, zonder dat één theorie dé
oplossing bood voor opvoedkundige problemen.
→ Dit leidde tot een crisis binnen de pedagogiek, versterkt door het postmodernisme en
constructivisme, die de objectieve kennis in twijfel trokken en wetenschappelijke inzichten als
constructies beschouwden in plaats van als absolute waarheden.
1.3.3 DE HUIDIGE SITUATIE
• Er is een toenemende samenwerking tussen verschillende methodes.
→ Kwantitatief onderzoek (cijfers, statistieken) en kwalitatief onderzoek (ervaringen,
interpretaties) worden vaker gecombineerd.
→ Pedagogiek wordt niet langer gezien als een manier om alleen maar opvoeding te verklaren,
maar vooral om nieuwe inzichten te bieden.
• Biesta benoemt twee soorten diversiteit in de pedagogiek:
1. Diachrone pluraliteit → Theorieën volgen elkaar op in de tijd.
2. Synchrone pluraliteit → Verschillende theorieën bestaan tegelijk naast elkaar.
• Volgens Biesta is deze diversiteit nuttig, omdat het kritiek en reflectie binnen de pedagogiek
stimuleert.
4