EXTRA
ATTRIBUTIEFOUT
1
, DEEL 1: DE FUNDAMENTEN VAN ATRIBUTIES
1. WAT ZIJN ATTRIBUTIES?
• Attributies: geven een antwoord op de vraag "wat is de oorzaak van deze gebeurtenis”.
• Volgens Heider (1958):
→ is een waarnemer een naïeve wetenschapper, die waarneembaar gedrag probeert te
verklaren door middel van niet-waarneembare oorzaken.
→ Heider’s belangrijkste bijdrage is de opdeling van interne versus externe oorzaken
2. FUNDAMENTEN
2.1 DE INHOUD VAN CAUSALE ATTRIBUTIES
• Causale attributies: Oorzakelijke attributies van gebeurtenis of gedrag.
• Ander type verklaring naast causale attributies:
→ Dispositionele attributies = verklaringen in termen van persoonlijkheidstrekken.
→ Trek: attributies van persoon
→ Reden: worden meestal gegeven om het doel van het gedrag te verklaren en legt dus uit
waarom die veranderingen tot stand komen
→ Excuses: zijn verklaringen waarbij de persoon ontkent dat hij of zij verantwoordelijk is.
2.2 CAUSALE DIMENSIES
• Dimensies van causaliteit:
1. Locus: Dit verwijst naar de oorsprong van de oorzaak, die intern of extern kan zijn.
2. Stabiliteit: Deze dimensie geeft aan of een oorzaak over tijd stabiel blijft of variabel is.
3. Controleerbaarheid (intentionaliteit): Controleerbaarheid betreft de mate waarin iemand de
oorzaak kan beheersen.
→ Intentionaliteit wordt hier vaak mee geassocieerd, hoewel onderzoek (Anderson, 1983)
aangeeft dat intentionaliteit geen aparte dimensie vormt, maar nauw correleert met
controleerbaarheid (r = .90).
4. Globaliteit: Dit beschrijft of de oorzaak breed toepasbaar is (globaal) of specifiek voor een
bepaalde situatie.
• Onderzoek toont aan dat de dimensies locus, stabiliteit en controleerbaarheid veelvuldig naar voren
komen in prestatietaken en het sociale domein (Weiner, 1985b, 1986).
• Globaliteit wordt minder vaak onderzocht, maar wordt in sommige studies ondersteund (Van
Overwalle, 1989).
2
ATTRIBUTIEFOUT
1
, DEEL 1: DE FUNDAMENTEN VAN ATRIBUTIES
1. WAT ZIJN ATTRIBUTIES?
• Attributies: geven een antwoord op de vraag "wat is de oorzaak van deze gebeurtenis”.
• Volgens Heider (1958):
→ is een waarnemer een naïeve wetenschapper, die waarneembaar gedrag probeert te
verklaren door middel van niet-waarneembare oorzaken.
→ Heider’s belangrijkste bijdrage is de opdeling van interne versus externe oorzaken
2. FUNDAMENTEN
2.1 DE INHOUD VAN CAUSALE ATTRIBUTIES
• Causale attributies: Oorzakelijke attributies van gebeurtenis of gedrag.
• Ander type verklaring naast causale attributies:
→ Dispositionele attributies = verklaringen in termen van persoonlijkheidstrekken.
→ Trek: attributies van persoon
→ Reden: worden meestal gegeven om het doel van het gedrag te verklaren en legt dus uit
waarom die veranderingen tot stand komen
→ Excuses: zijn verklaringen waarbij de persoon ontkent dat hij of zij verantwoordelijk is.
2.2 CAUSALE DIMENSIES
• Dimensies van causaliteit:
1. Locus: Dit verwijst naar de oorsprong van de oorzaak, die intern of extern kan zijn.
2. Stabiliteit: Deze dimensie geeft aan of een oorzaak over tijd stabiel blijft of variabel is.
3. Controleerbaarheid (intentionaliteit): Controleerbaarheid betreft de mate waarin iemand de
oorzaak kan beheersen.
→ Intentionaliteit wordt hier vaak mee geassocieerd, hoewel onderzoek (Anderson, 1983)
aangeeft dat intentionaliteit geen aparte dimensie vormt, maar nauw correleert met
controleerbaarheid (r = .90).
4. Globaliteit: Dit beschrijft of de oorzaak breed toepasbaar is (globaal) of specifiek voor een
bepaalde situatie.
• Onderzoek toont aan dat de dimensies locus, stabiliteit en controleerbaarheid veelvuldig naar voren
komen in prestatietaken en het sociale domein (Weiner, 1985b, 1986).
• Globaliteit wordt minder vaak onderzocht, maar wordt in sommige studies ondersteund (Van
Overwalle, 1989).
2