Historische Context ‘De Republiek’
§ 1.1 Het begin van de Opstand
1515 Karel V werd heer der Nederlanden.
1543 Karel V was landsheer van alle 17 Nederlandse gewesten.
1531 Karel V zette zich in voor centralisatie en had daarvoor 3 centrale adviesraden (collaterale
raden).
1. De Raad van State: had het meeste aanzien, belangrijke edelen. Moesten advies geven over
grote en voorname zaken.
2. De Geheime raad: rechtsgeleerden. Moesten wetten opstellen en hielden toezicht op
gewestelijke en plaatselijke besturen.
3. De Raad van Financiën: gingen over belastingen.
De Nederlanden hadden sterke burgerij. Karel was financieel afhankelijk van de belastingen op deze
rijke burgerij omdat hij veel oorlog voerde. In ruil voor belasting beloofde Karel de privileges van de
steden te respecteren. Toch zagen de burgers de centralisatiepolitiek als een bedreiging voor hun
privileges. Vooral de bestrijding van het protestantisme vonden ze een aantasting van hun
zelfstandigheid.
Karel V was ook koning van Spanje en toen hij ook nog in 1519 keizer van het Duitse rijk werd, was
Luther net begonnen met de Reformatie. Luther had kritiek op de kerk:
- De rijkdom en macht van de kerk was te groot
- De bijbel was leidend
- De mens kon niet gered worden door de kerk maar alleen door het geloof en de genade van
God
De kerk had afwijkende opvattingen steeds weten te onderdrukken en probeerde dat ook nu. Toch
werden Luthers opvattingen snel verspreid via boeken en pamfletten. Ook kreeg Luther steun van
Duitse vorsten.
1521 Rijksdag van Worms met alle Duitse vorsten om geloofseenheid te redden. Luther werd
gevraagd zijn uitspraken terug te nemen maar hij weigerde. Hij werd veroordeeld als een ketter en al
zijn boeken werden verboden. Dit alles resulteerde in een jarenlange godsdienstoorlog.
1555 Vrede van Augsburg eindigde godsdienstoorlog en Karel V stemde toe in cuius regio eius
religio (wiens gebied, diens godsdienst) . Dit verdeelde Duitsland in katholieke en protestante
gebieden.
1521 Karel V trad hard op tegen het protestantisme. Hij stelde de inquisitie op die ketters moest
opsporen en vervolgen.
1550 Karel V kwam met strengere regels: het bloedplakkaat: alle ketters moesten gedood worden.
Protestanten waren in de minderheid maar het volk had sympathie voor hen. Bestuurders hadden
moeite met de hardheid van de inquisitie, zij zagen dit als een aantasting van hun privileges.
Filips II werd de opvolger van Karel V.
1560 de leer van Calvijn (calvinisme) verspreidde zich over de Nederlanden. Hij was over veel met
Luther eens behalve over de overheid:
- Luther: je moest altijd de overheid gehoorzamen
- Calvijn: je mocht tegen een ‘goddeloze’ overheid in opstand komen. Dit paste goed bij de
Nederlandse situatie.
1565 Filips trad hard op tegen de calvinisten. Hoge edelen vroegen om de ketters minder hard aan
te pakken. Willem van Oranje (stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht) vroeg zelfs meerdere
geloven toe te staan. Filips II wilde niks van dit.
1566 Lage adel kwam in actie. 400 edelen vertrokken naar het paleis van landvoogdes Margaretha
van Parma in Brussel, waar ze haar in een smeekschrift vroegen de kettervervolging te staken. Zij
stemde toe minder hard op te treden. Dit leidde ertoe dat calvinisten nu openlijke bijeenkomsten
gingen houden en ze vielen honderden kerken en kloosters aan: de Beeldenstorm.
§ 1.1 Het begin van de Opstand
1515 Karel V werd heer der Nederlanden.
1543 Karel V was landsheer van alle 17 Nederlandse gewesten.
1531 Karel V zette zich in voor centralisatie en had daarvoor 3 centrale adviesraden (collaterale
raden).
1. De Raad van State: had het meeste aanzien, belangrijke edelen. Moesten advies geven over
grote en voorname zaken.
2. De Geheime raad: rechtsgeleerden. Moesten wetten opstellen en hielden toezicht op
gewestelijke en plaatselijke besturen.
3. De Raad van Financiën: gingen over belastingen.
De Nederlanden hadden sterke burgerij. Karel was financieel afhankelijk van de belastingen op deze
rijke burgerij omdat hij veel oorlog voerde. In ruil voor belasting beloofde Karel de privileges van de
steden te respecteren. Toch zagen de burgers de centralisatiepolitiek als een bedreiging voor hun
privileges. Vooral de bestrijding van het protestantisme vonden ze een aantasting van hun
zelfstandigheid.
Karel V was ook koning van Spanje en toen hij ook nog in 1519 keizer van het Duitse rijk werd, was
Luther net begonnen met de Reformatie. Luther had kritiek op de kerk:
- De rijkdom en macht van de kerk was te groot
- De bijbel was leidend
- De mens kon niet gered worden door de kerk maar alleen door het geloof en de genade van
God
De kerk had afwijkende opvattingen steeds weten te onderdrukken en probeerde dat ook nu. Toch
werden Luthers opvattingen snel verspreid via boeken en pamfletten. Ook kreeg Luther steun van
Duitse vorsten.
1521 Rijksdag van Worms met alle Duitse vorsten om geloofseenheid te redden. Luther werd
gevraagd zijn uitspraken terug te nemen maar hij weigerde. Hij werd veroordeeld als een ketter en al
zijn boeken werden verboden. Dit alles resulteerde in een jarenlange godsdienstoorlog.
1555 Vrede van Augsburg eindigde godsdienstoorlog en Karel V stemde toe in cuius regio eius
religio (wiens gebied, diens godsdienst) . Dit verdeelde Duitsland in katholieke en protestante
gebieden.
1521 Karel V trad hard op tegen het protestantisme. Hij stelde de inquisitie op die ketters moest
opsporen en vervolgen.
1550 Karel V kwam met strengere regels: het bloedplakkaat: alle ketters moesten gedood worden.
Protestanten waren in de minderheid maar het volk had sympathie voor hen. Bestuurders hadden
moeite met de hardheid van de inquisitie, zij zagen dit als een aantasting van hun privileges.
Filips II werd de opvolger van Karel V.
1560 de leer van Calvijn (calvinisme) verspreidde zich over de Nederlanden. Hij was over veel met
Luther eens behalve over de overheid:
- Luther: je moest altijd de overheid gehoorzamen
- Calvijn: je mocht tegen een ‘goddeloze’ overheid in opstand komen. Dit paste goed bij de
Nederlandse situatie.
1565 Filips trad hard op tegen de calvinisten. Hoge edelen vroegen om de ketters minder hard aan
te pakken. Willem van Oranje (stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht) vroeg zelfs meerdere
geloven toe te staan. Filips II wilde niks van dit.
1566 Lage adel kwam in actie. 400 edelen vertrokken naar het paleis van landvoogdes Margaretha
van Parma in Brussel, waar ze haar in een smeekschrift vroegen de kettervervolging te staken. Zij
stemde toe minder hard op te treden. Dit leidde ertoe dat calvinisten nu openlijke bijeenkomsten
gingen houden en ze vielen honderden kerken en kloosters aan: de Beeldenstorm.