PGO TAAK 11 – leren en trainen
1. Wat is een trainingsschema en een bekrachtigingsschema en hoe zien die eruit?
Trainingsschema: een planmatige opbouw van een training. Hierin staat wat je het dier wilt leren,
hoe je dat gaat aanleren, in welke stappen, onder welke voorwaarden en hoe je het gedrag
beoordeelt en bijstuurt. Het schema richt zich dus op het leerproces.
Bij voorwaarden kan je denken aan: het dier moet een goed dieet hebben en gezond zijn, het plan
bestaat uit kleine haalbare stappen, de omgeving is veilig en prikkelarm.
De uitvoering van het trainingsschema kan verschillende aspecten bevatten:
- Timing: de bekrachtiging moet direct op het gewenste gedrag volgen, een clicker kan
gebruikt worden als bridge.
- Trainingsmethode: bijvoorbeeld shaping, door het gedrag stap voor stap op te bouwen, of
targettraining waarbij het dier leert een object aan te raken of te volgen.
- Observatie van gedrag en emotie: hierbij wordt gelet op stresssignalen of frustratie, alleen
gewenst gedrag wordt bekrachtigd, ongewenst gedrag wordt genegeerd of voorkomen.
Bekrachtigingsschema: beschrijft hoe en wanneer gedrag wordt bekrachtigd en welke
consequenties volgen op gedrag.
Bekrachtiging Iets toevoegen (+) Iets wegnemen (-)
Gedrag neemt toe (+) Positieve bekrachtiging (++) Negatieve bekrachtiging (-+)
Gedrag neemt af (-) Positieve correctie (+-) Negatieve correctie (--)
Primaire bekrachtigers: van nature bekrachtigd
+ voedsel, water, warmte
- wegnemen van pijn, angst, ongemak
Secundaire bekrachtigers: gekoppeld aan primaire bekrachtigers
+ clicker, stemgeluid
- wegnemen van iets dat angst oproept
Op basis van de verwervingssnelheid kan de bekrachtigingsfrequentie worden aangepast.
2. Wat houdt beloningsfrequentie in?
Beloningsfrequentie geeft aan hoe vaak gewenst gedrag wordt bekrachtigd. Tijdens de
aanleerfase is de beloningsfrequente hoog om de verwervingssnelheid te verhogen. Na het
aanleren wordt de frequentie verlaagd en meer variabel gemaakt, hierdoor wordt het gedrag
stabieler en blijft het beter behouden.
, 3. Welke soorten trainingen zijn er? (hoorcollege)
Trainen is het leren met aandacht voor het ‘eigene’ van dieren. Je kan een rat bijvoorbeeld aanleren
om met zijn poot een hendel te duwen, maar niet met zijn staart, ook houd je rekening met het
karakter van het dier.
Vermaak: gericht op het tonen van gedrag aan publiek (shows), target- of clickertraining.
Onderwijs: gericht op informeren van bezoekers, natuurlijk gedrag laten zien, begrip voor dieren
te vergroten, gedrag wordt uitgelegd en in context geplaatst.
Onderzoek: training helpt dieren mee te werken aan onderzoek, vermindert stress en dwang en
verhoogt de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten.
Hobby: gericht op functioneel gedrag, professioneel of recreatief. (hulphonden, politiehonden,
paardensport).
Spel: vooral zichtbaar bij jonge dieren, natuurlijke manier van leren, onvoorspelbaar en speels.
Zorgt voor verbetering van de motoriek, ontwikkeling coördinatie, sociale vaardigheden. Wordt
vaak gestimuleerd door een ouder dier
Observerend leren: ook wel sociaal leren, dieren leren door het gedrag van soortgenoten te
observeren, kan leiden tot culturele overdracht van gedrag
- Cognitie: het verwerken van informatie, omvat waarnemen, geheugen, beslissen, plannen
en organiseren van respons.
Omgevingsleren: leren door ervaring met de omgeving, dieren onthouden ruimtelijke informatie,
vaak via een cognitieve map. Dit is belangrijk voor navigatie, foerageren en territorium gebruik.
4. Wat is klassieke en operante conditionering?
CS = conditionele stimulus OS = onconditionele stimulu
CR = conditoneel respons OR = onconditioneel respons
Klassieke conditionering: een vorm van leren waarbij een dier leert verbanden te herkennen
tussen prikkels, het dier leert dat 1 stimulus het andere stimulus voorspelt. Het gaat om
associatief leren, niet om gedrag.
- Voorwaarden: een conditionele stimulus (CS) moet gelijktijdig of vlak voor de
onconditionele stimulus (OS) worden aangeboden, OS roept van nature een reactie op.
- OS + CS wordt OR
Operante conditionering: een vorm van leren waarbij een dier leert te reageren op zijn omgeving
op basis van gevolgen van zijn gedrag. Gedrag dat bekrachtigd wordt, neemt toe en andersom. Er
wordt geleerd door trial and error, het dier is actief.
- Voorwaarde: het gedrag moet passen binnen het natuurlijke gedrag van het dier.
1. Wat is een trainingsschema en een bekrachtigingsschema en hoe zien die eruit?
Trainingsschema: een planmatige opbouw van een training. Hierin staat wat je het dier wilt leren,
hoe je dat gaat aanleren, in welke stappen, onder welke voorwaarden en hoe je het gedrag
beoordeelt en bijstuurt. Het schema richt zich dus op het leerproces.
Bij voorwaarden kan je denken aan: het dier moet een goed dieet hebben en gezond zijn, het plan
bestaat uit kleine haalbare stappen, de omgeving is veilig en prikkelarm.
De uitvoering van het trainingsschema kan verschillende aspecten bevatten:
- Timing: de bekrachtiging moet direct op het gewenste gedrag volgen, een clicker kan
gebruikt worden als bridge.
- Trainingsmethode: bijvoorbeeld shaping, door het gedrag stap voor stap op te bouwen, of
targettraining waarbij het dier leert een object aan te raken of te volgen.
- Observatie van gedrag en emotie: hierbij wordt gelet op stresssignalen of frustratie, alleen
gewenst gedrag wordt bekrachtigd, ongewenst gedrag wordt genegeerd of voorkomen.
Bekrachtigingsschema: beschrijft hoe en wanneer gedrag wordt bekrachtigd en welke
consequenties volgen op gedrag.
Bekrachtiging Iets toevoegen (+) Iets wegnemen (-)
Gedrag neemt toe (+) Positieve bekrachtiging (++) Negatieve bekrachtiging (-+)
Gedrag neemt af (-) Positieve correctie (+-) Negatieve correctie (--)
Primaire bekrachtigers: van nature bekrachtigd
+ voedsel, water, warmte
- wegnemen van pijn, angst, ongemak
Secundaire bekrachtigers: gekoppeld aan primaire bekrachtigers
+ clicker, stemgeluid
- wegnemen van iets dat angst oproept
Op basis van de verwervingssnelheid kan de bekrachtigingsfrequentie worden aangepast.
2. Wat houdt beloningsfrequentie in?
Beloningsfrequentie geeft aan hoe vaak gewenst gedrag wordt bekrachtigd. Tijdens de
aanleerfase is de beloningsfrequente hoog om de verwervingssnelheid te verhogen. Na het
aanleren wordt de frequentie verlaagd en meer variabel gemaakt, hierdoor wordt het gedrag
stabieler en blijft het beter behouden.
, 3. Welke soorten trainingen zijn er? (hoorcollege)
Trainen is het leren met aandacht voor het ‘eigene’ van dieren. Je kan een rat bijvoorbeeld aanleren
om met zijn poot een hendel te duwen, maar niet met zijn staart, ook houd je rekening met het
karakter van het dier.
Vermaak: gericht op het tonen van gedrag aan publiek (shows), target- of clickertraining.
Onderwijs: gericht op informeren van bezoekers, natuurlijk gedrag laten zien, begrip voor dieren
te vergroten, gedrag wordt uitgelegd en in context geplaatst.
Onderzoek: training helpt dieren mee te werken aan onderzoek, vermindert stress en dwang en
verhoogt de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten.
Hobby: gericht op functioneel gedrag, professioneel of recreatief. (hulphonden, politiehonden,
paardensport).
Spel: vooral zichtbaar bij jonge dieren, natuurlijke manier van leren, onvoorspelbaar en speels.
Zorgt voor verbetering van de motoriek, ontwikkeling coördinatie, sociale vaardigheden. Wordt
vaak gestimuleerd door een ouder dier
Observerend leren: ook wel sociaal leren, dieren leren door het gedrag van soortgenoten te
observeren, kan leiden tot culturele overdracht van gedrag
- Cognitie: het verwerken van informatie, omvat waarnemen, geheugen, beslissen, plannen
en organiseren van respons.
Omgevingsleren: leren door ervaring met de omgeving, dieren onthouden ruimtelijke informatie,
vaak via een cognitieve map. Dit is belangrijk voor navigatie, foerageren en territorium gebruik.
4. Wat is klassieke en operante conditionering?
CS = conditionele stimulus OS = onconditionele stimulu
CR = conditoneel respons OR = onconditioneel respons
Klassieke conditionering: een vorm van leren waarbij een dier leert verbanden te herkennen
tussen prikkels, het dier leert dat 1 stimulus het andere stimulus voorspelt. Het gaat om
associatief leren, niet om gedrag.
- Voorwaarden: een conditionele stimulus (CS) moet gelijktijdig of vlak voor de
onconditionele stimulus (OS) worden aangeboden, OS roept van nature een reactie op.
- OS + CS wordt OR
Operante conditionering: een vorm van leren waarbij een dier leert te reageren op zijn omgeving
op basis van gevolgen van zijn gedrag. Gedrag dat bekrachtigd wordt, neemt toe en andersom. Er
wordt geleerd door trial and error, het dier is actief.
- Voorwaarde: het gedrag moet passen binnen het natuurlijke gedrag van het dier.