FYSIOTHERAPIE
2020/2021
Blok 1.3 Onderste extremiteiten.
Hoorcolleges
Werkcolleges (opdrachten verwekt).
Medisch/Biologisch (MB)
Gedrag/Communicatie (GC)
Fysiotherapeutische Zorg (FT)
Naam: M.A.S. Velthuis
School: Hanzehogeschool Groningen
Studiejaar: 1
1
,INHOUDSOPGAVE
Medisch/biologisch ................................................................................................................................................................... 3
Hoorcollege 1 ‘Heup en heupprotese’ ..................................................................................................................................... 3
Hoorcollege 2 ‘De ziekte van Bechterew’ ................................................................................................................................ 7
Hoorcollege 3: ‘knie anatomie en propioceptie’ ..................................................................................................................... 11
Hoorcollege 4: ‘Kruisbanden en knieletsel’ ............................................................................................................................ 13
Hoorcollege 5: ‘Enkel en voet’ ............................................................................................................................................... 17
Hoorcollege 6: ‘Spierscheur’ ................................................................................................................................................. 19
Hoorcollege 7: ‘Artrose’......................................................................................................................................................... 22
Gedrag en Communicatie ....................................................................................................................................................... 24
Hoorcollege 1 ‘Psychosociale theorieen’ ............................................................................................................................... 24
Hoorcollege 2 ‘Stress’ ........................................................................................................................................................... 27
Hoorcollege 3: ‘Interculturele communicatie’ ......................................................................................................................... 30
Hoorcollege 4: ‘Pijn en anamnese’ ........................................................................................................................................ 32
Fysiotehrapie........................................................................................................................................................................... 35
Hoorcollege 2 ‘Gangbeeld en bewegingsanalyse’ ................................................................................................................. 35
Hoorcollege 4: ‘Onderzoek WK en OE’ ................................................................................................................................. 36
Hoorcollege 5: ‘behandelen WK en OE’ ................................................................................................................................ 38
Hoorcollege 6: ‘Interpetatie pijn (pijnmodulatie)’ .................................................................................................................... 40
Hoorcollege 7: “Pijn behandelen met warmte en koude thermotherapie” ............................................................................... 41
Hoorcollege 8: ‘Arbeid en gezondheid’ .................................................................................................................................. 42
2
, MEDISCH/BIOLOGISCH
HOORCOLLEGE 1 ‘HEUP EN HEUPPROTESE’
Anatomie van de heup
De heup (art. acetabulo femurale) of (art. coxae) is een kogelgewricht en heeft daardoor veel bewegingsmogelijkheden. De
heup kan flexie, extensie, abductie, adductie, endorotatie en exorotatie maken. De heup bestaat uit: het bekken (pelvis) en het
dijbeen (femur). De kop van het femur rust in het acetabulum van het pelvis. Het acetabulum is een diepe kom en zorgt
daarmee (samen met het labrum) voor veel stabiliteit van het heupgewricht. Veel stabiliteit betekent weinig mobiliteit. Iets
uitgebreider uitgelegd bestaat het bekken uit het femur en het pelvis. Het heupgewricht wordt gevormd door de heupkom
(acetabulum) en de femurkop (caput femoris). De acetabulum is onderdeel van het pelvis en de caput femoris maakt deel uit
van het femur. De caput femoris is via de nek (collum) verbonden met de schacht van het dijbeen. Er is sprake van een
kogelgewricht, waardoor het femur ten opzichte van het pelvis kan bewegen.
Art. Coxae:
Beweging Uitslag Eindgevoel
Flexie 140 graden Elastisch
Extensie 20 garden Elastisch
Endorotatie 50 graden Elastisch
Exorotatie 40 graden Elastisch
Abductie 80 graden Elastisch
Adductie 20 graden Elastisch
Kapselpatroon Flexie → abductie → endorotatie
Resting position 30 flexie + 30 abductie + 5 exorotatie
Closed packed position Volledige extensie + endorotatie + abductie
Synoviaal gewricht
Het synoviale gewricht zorgt voor schokdemping en flexibiliteit in het skelet. Het bestaat uit het:
▪ Periosteum (botweefselvlies); Dit beenvlies zorgt naast bescherming van het bot er ook voor dat
er pezen aan het bot kunnen binden.
▪ Ligamenten; zorgen ervoor dat het gewricht stabiel is, zodat het niet kan verdraaien.
Ligamenten maken zo de normale bewegingen van het gewricht mogelijk.
▪ Gewrichtsholte (cavitas); is die gevuld is met een stroperige vloeistof: de synoviale vloeistof. Dit
vocht is bedoeld om de beweging tussen de botten soepel te laten verlopen.
▪ Gewrichtskraakbeen; De belangrijkste functie van kraakbeen is wrijving verminderen tussen
bewegende gewrichten, beschermd het bot en absorbeert schokken.
▪ Capsula articularis (Gewrichtskapsel): omringt en stabiliseert het gewricht, filteren van
bacteriën en stevigheid bieden.
Capsula fibrosa (fibreus kapsel); stevigheid aan het gewricht.
Membrana synovialis (synoviaal membraan); produceren synovia – smeermiddel,
schok demping en voedingstoffen voor kraakbeen.
Botstukken ▪ Ilium
▪ Pubis
▪ Ischium
Botpunten ▪ Lesser trochanter (minor)
▪ Greater trochanter (major)
Ligamenten ▪ Iliofemorale ligament
▪ Pubocapsulair ligament
▪ Pubofemurale ligament
▪ Cotyloid ligament
▪ Ligamenten teres (intern, zorgt voor bloedvoorziening (voedingstoffen en CO2) van detop van de heupkop (caput femoris)
Heupprothese
Definitie: een artificieel substituut (vervanger) voor een ontbrekend lichaamsdeel.
Mogelijke oorzaken voor het krijgen van een heupprothese:
▪ Artrose (coxartrose) of reumatoïde artritis
▪ Avasculaire necrose;
▪ Heupfracturen;
▪ Bottumoren;
▪ Ziekte van Bechterew;
▪ Heupdysplasie.
3
, Fracturen
▪ Collumfractuur: dit is een breuk in het bovenste deel van het dijbeen. De bloedvoorziening is vaak nog intact, maar
kan in gevaar komen. Hierdoor kan de heupkop (deels) afsterven. Dit is vaak op te lossen door pinnen/schroeven aan
te brengen. (intracapsulaire breuk)
▪ Petrochanterfractuur: deze breuk bestaat meestal uit meerdere delen. Dit maakt de breuk extra
onstabiel. Afhankelijk van de ernst van de breuk kan de kop verloren gaan. (extracapsulaire breuken)
▪ Subtrochanterfractuur: dit is een breuk direct onder de verdikking. Afhankelijk van de ernst van de
breuk kan de kop verloren gaan. (extracapsulaire breuken)
Avasculaire necrose
Avasculaire necrose ontstaat als gevolg van tijdelijk of permanent verlies van bloedtoevoer naar het
bot. Zonder bloedtoevoer sterven de botweefselcellen af en “stort” het bot in. Bij avasculaire necrose
van de heup is de bloeddoorstroming van de heupkop verstoord. Het bot wordt zacht en de heupkop
kan in elkaar zakken. Daardoor kan de bolle vorm van de heupkop verdwijnen en afplatten.
Heupdysplasie
Bij heupdysplasie is het heupgewricht niet goed ontwikkelt. Dit merkt men vaak vlak na de geboorte al. De heupkom is niet diep
genoeg en omsluit de heupkop niet goed. Hierdoor kunnen subluxaties of heupontwrichtingen ontstaan met tot gevolg
vervroegde heupslijtage.
Prothese
Bij een heupprothese wordt er een kunstheup geplaats, als vervanger voor de originele heup. De kop kan metaal (kobalt-
chroom of titanium), plastic of keramiek zijn.
▪ Totale heupprothese: bij een totale heupvervanging worden beide gewrichtsuiteinden van de heup helemaal
verwijderd en vervangen. Je krijgt bij deze ingreep een nieuwe heupkop en heupkom die precies in elkaar passen.
▪ Gedeeltelijke heupprothese (resurfacing): bij deze prothese wordt de kop niet verwijderd van het dijbeen, maar wordt
er een metalen dop bovenop gezet en vastgemaakt aan de kop.
Er kunnen complicaties optreden na het plaatsen van een heupprothese. Iatrogene schade is schade die wordt veroorzaakt
door medisch handelen. Complicaties kunnen zijn:
▪ Bloeding (tijdens de operatie);
▪ Infecties (1% direct na operatie);
▪ Trombose;
▪ Delirium en verwardheid (bij ouderen);
▪ Niet goed geplaatste prothese (beenlengte);
▪ Het raken van een zenuw (uitvalsverschijnselen);
▪ Luxaties (3% gaat uit de kom).
Binnen een aantal dagen na de operatie begin je al met het mobiliseren van de patiënt. De patiënt mag met krukken belasten.
Het duurt ongeveer drie maanden voordat er globaal functieherstel heeft opgetreden en het kapsel sterk genoeg is. Er is hierna
weinig kans meer op luxaties.
Gedeeltelijke heupprothese
Voorwaarden voor een gedeeltelijke heupprothese is een goede botkwaliteit. Een voorbeeld hiervan zijn jonge actieve mensen
(<50 jaar) met artrose, die mogelijk later nog een nieuwe operatie moeten ondergaan (als huidige prothese niet meer voldoet).
Voordelen van een gedeeltelijke heupprothese, in vergelijking met een totale heupprothese zijn:
▪ Het is botsparend;
▪ Het is stabiel;
▪ Er is weinig slijtage;
▪ Er is een snelle revalidatie (3 maanden).
Complicaties van een gedeeltelijke heupprothese kunnen zijn:
▪ De femurhals kan afbreken;
▪ De kom kan gaan loszitten (10% na 10 jaar);
▪ Lokale metaaldeeltjes kunnen een immuunreacties opwekken waardoor bot aangetast wordt en de prothese
los gaat zitten;
▪ Metaaldeeltjes kunnen vrijkomen in het bloed.
Totale heupprothese
▪ Ongecementeerde prothese: een ongecementeerde prothese is gemaakt van materiaal met een ruw oppervlak en
poreuze coating met hydroxy-apatiet (hier bestaat botweefsel ook uit). De prothese wordt in het bot gedrukt en
stimuleert het lichaam om extra bot aan te maken, waardoor de prothese vast komt te zitten. Dit wordt vooral
uitgevoerd bij mensen jonger dan 65. Deze ingreep is pijnlijker dan een gecementeerde prothese, omdat het niet
direct stabiel is. Na 12 weken kan de patiënt weer volledig belasten.
4
2020/2021
Blok 1.3 Onderste extremiteiten.
Hoorcolleges
Werkcolleges (opdrachten verwekt).
Medisch/Biologisch (MB)
Gedrag/Communicatie (GC)
Fysiotherapeutische Zorg (FT)
Naam: M.A.S. Velthuis
School: Hanzehogeschool Groningen
Studiejaar: 1
1
,INHOUDSOPGAVE
Medisch/biologisch ................................................................................................................................................................... 3
Hoorcollege 1 ‘Heup en heupprotese’ ..................................................................................................................................... 3
Hoorcollege 2 ‘De ziekte van Bechterew’ ................................................................................................................................ 7
Hoorcollege 3: ‘knie anatomie en propioceptie’ ..................................................................................................................... 11
Hoorcollege 4: ‘Kruisbanden en knieletsel’ ............................................................................................................................ 13
Hoorcollege 5: ‘Enkel en voet’ ............................................................................................................................................... 17
Hoorcollege 6: ‘Spierscheur’ ................................................................................................................................................. 19
Hoorcollege 7: ‘Artrose’......................................................................................................................................................... 22
Gedrag en Communicatie ....................................................................................................................................................... 24
Hoorcollege 1 ‘Psychosociale theorieen’ ............................................................................................................................... 24
Hoorcollege 2 ‘Stress’ ........................................................................................................................................................... 27
Hoorcollege 3: ‘Interculturele communicatie’ ......................................................................................................................... 30
Hoorcollege 4: ‘Pijn en anamnese’ ........................................................................................................................................ 32
Fysiotehrapie........................................................................................................................................................................... 35
Hoorcollege 2 ‘Gangbeeld en bewegingsanalyse’ ................................................................................................................. 35
Hoorcollege 4: ‘Onderzoek WK en OE’ ................................................................................................................................. 36
Hoorcollege 5: ‘behandelen WK en OE’ ................................................................................................................................ 38
Hoorcollege 6: ‘Interpetatie pijn (pijnmodulatie)’ .................................................................................................................... 40
Hoorcollege 7: “Pijn behandelen met warmte en koude thermotherapie” ............................................................................... 41
Hoorcollege 8: ‘Arbeid en gezondheid’ .................................................................................................................................. 42
2
, MEDISCH/BIOLOGISCH
HOORCOLLEGE 1 ‘HEUP EN HEUPPROTESE’
Anatomie van de heup
De heup (art. acetabulo femurale) of (art. coxae) is een kogelgewricht en heeft daardoor veel bewegingsmogelijkheden. De
heup kan flexie, extensie, abductie, adductie, endorotatie en exorotatie maken. De heup bestaat uit: het bekken (pelvis) en het
dijbeen (femur). De kop van het femur rust in het acetabulum van het pelvis. Het acetabulum is een diepe kom en zorgt
daarmee (samen met het labrum) voor veel stabiliteit van het heupgewricht. Veel stabiliteit betekent weinig mobiliteit. Iets
uitgebreider uitgelegd bestaat het bekken uit het femur en het pelvis. Het heupgewricht wordt gevormd door de heupkom
(acetabulum) en de femurkop (caput femoris). De acetabulum is onderdeel van het pelvis en de caput femoris maakt deel uit
van het femur. De caput femoris is via de nek (collum) verbonden met de schacht van het dijbeen. Er is sprake van een
kogelgewricht, waardoor het femur ten opzichte van het pelvis kan bewegen.
Art. Coxae:
Beweging Uitslag Eindgevoel
Flexie 140 graden Elastisch
Extensie 20 garden Elastisch
Endorotatie 50 graden Elastisch
Exorotatie 40 graden Elastisch
Abductie 80 graden Elastisch
Adductie 20 graden Elastisch
Kapselpatroon Flexie → abductie → endorotatie
Resting position 30 flexie + 30 abductie + 5 exorotatie
Closed packed position Volledige extensie + endorotatie + abductie
Synoviaal gewricht
Het synoviale gewricht zorgt voor schokdemping en flexibiliteit in het skelet. Het bestaat uit het:
▪ Periosteum (botweefselvlies); Dit beenvlies zorgt naast bescherming van het bot er ook voor dat
er pezen aan het bot kunnen binden.
▪ Ligamenten; zorgen ervoor dat het gewricht stabiel is, zodat het niet kan verdraaien.
Ligamenten maken zo de normale bewegingen van het gewricht mogelijk.
▪ Gewrichtsholte (cavitas); is die gevuld is met een stroperige vloeistof: de synoviale vloeistof. Dit
vocht is bedoeld om de beweging tussen de botten soepel te laten verlopen.
▪ Gewrichtskraakbeen; De belangrijkste functie van kraakbeen is wrijving verminderen tussen
bewegende gewrichten, beschermd het bot en absorbeert schokken.
▪ Capsula articularis (Gewrichtskapsel): omringt en stabiliseert het gewricht, filteren van
bacteriën en stevigheid bieden.
Capsula fibrosa (fibreus kapsel); stevigheid aan het gewricht.
Membrana synovialis (synoviaal membraan); produceren synovia – smeermiddel,
schok demping en voedingstoffen voor kraakbeen.
Botstukken ▪ Ilium
▪ Pubis
▪ Ischium
Botpunten ▪ Lesser trochanter (minor)
▪ Greater trochanter (major)
Ligamenten ▪ Iliofemorale ligament
▪ Pubocapsulair ligament
▪ Pubofemurale ligament
▪ Cotyloid ligament
▪ Ligamenten teres (intern, zorgt voor bloedvoorziening (voedingstoffen en CO2) van detop van de heupkop (caput femoris)
Heupprothese
Definitie: een artificieel substituut (vervanger) voor een ontbrekend lichaamsdeel.
Mogelijke oorzaken voor het krijgen van een heupprothese:
▪ Artrose (coxartrose) of reumatoïde artritis
▪ Avasculaire necrose;
▪ Heupfracturen;
▪ Bottumoren;
▪ Ziekte van Bechterew;
▪ Heupdysplasie.
3
, Fracturen
▪ Collumfractuur: dit is een breuk in het bovenste deel van het dijbeen. De bloedvoorziening is vaak nog intact, maar
kan in gevaar komen. Hierdoor kan de heupkop (deels) afsterven. Dit is vaak op te lossen door pinnen/schroeven aan
te brengen. (intracapsulaire breuk)
▪ Petrochanterfractuur: deze breuk bestaat meestal uit meerdere delen. Dit maakt de breuk extra
onstabiel. Afhankelijk van de ernst van de breuk kan de kop verloren gaan. (extracapsulaire breuken)
▪ Subtrochanterfractuur: dit is een breuk direct onder de verdikking. Afhankelijk van de ernst van de
breuk kan de kop verloren gaan. (extracapsulaire breuken)
Avasculaire necrose
Avasculaire necrose ontstaat als gevolg van tijdelijk of permanent verlies van bloedtoevoer naar het
bot. Zonder bloedtoevoer sterven de botweefselcellen af en “stort” het bot in. Bij avasculaire necrose
van de heup is de bloeddoorstroming van de heupkop verstoord. Het bot wordt zacht en de heupkop
kan in elkaar zakken. Daardoor kan de bolle vorm van de heupkop verdwijnen en afplatten.
Heupdysplasie
Bij heupdysplasie is het heupgewricht niet goed ontwikkelt. Dit merkt men vaak vlak na de geboorte al. De heupkom is niet diep
genoeg en omsluit de heupkop niet goed. Hierdoor kunnen subluxaties of heupontwrichtingen ontstaan met tot gevolg
vervroegde heupslijtage.
Prothese
Bij een heupprothese wordt er een kunstheup geplaats, als vervanger voor de originele heup. De kop kan metaal (kobalt-
chroom of titanium), plastic of keramiek zijn.
▪ Totale heupprothese: bij een totale heupvervanging worden beide gewrichtsuiteinden van de heup helemaal
verwijderd en vervangen. Je krijgt bij deze ingreep een nieuwe heupkop en heupkom die precies in elkaar passen.
▪ Gedeeltelijke heupprothese (resurfacing): bij deze prothese wordt de kop niet verwijderd van het dijbeen, maar wordt
er een metalen dop bovenop gezet en vastgemaakt aan de kop.
Er kunnen complicaties optreden na het plaatsen van een heupprothese. Iatrogene schade is schade die wordt veroorzaakt
door medisch handelen. Complicaties kunnen zijn:
▪ Bloeding (tijdens de operatie);
▪ Infecties (1% direct na operatie);
▪ Trombose;
▪ Delirium en verwardheid (bij ouderen);
▪ Niet goed geplaatste prothese (beenlengte);
▪ Het raken van een zenuw (uitvalsverschijnselen);
▪ Luxaties (3% gaat uit de kom).
Binnen een aantal dagen na de operatie begin je al met het mobiliseren van de patiënt. De patiënt mag met krukken belasten.
Het duurt ongeveer drie maanden voordat er globaal functieherstel heeft opgetreden en het kapsel sterk genoeg is. Er is hierna
weinig kans meer op luxaties.
Gedeeltelijke heupprothese
Voorwaarden voor een gedeeltelijke heupprothese is een goede botkwaliteit. Een voorbeeld hiervan zijn jonge actieve mensen
(<50 jaar) met artrose, die mogelijk later nog een nieuwe operatie moeten ondergaan (als huidige prothese niet meer voldoet).
Voordelen van een gedeeltelijke heupprothese, in vergelijking met een totale heupprothese zijn:
▪ Het is botsparend;
▪ Het is stabiel;
▪ Er is weinig slijtage;
▪ Er is een snelle revalidatie (3 maanden).
Complicaties van een gedeeltelijke heupprothese kunnen zijn:
▪ De femurhals kan afbreken;
▪ De kom kan gaan loszitten (10% na 10 jaar);
▪ Lokale metaaldeeltjes kunnen een immuunreacties opwekken waardoor bot aangetast wordt en de prothese
los gaat zitten;
▪ Metaaldeeltjes kunnen vrijkomen in het bloed.
Totale heupprothese
▪ Ongecementeerde prothese: een ongecementeerde prothese is gemaakt van materiaal met een ruw oppervlak en
poreuze coating met hydroxy-apatiet (hier bestaat botweefsel ook uit). De prothese wordt in het bot gedrukt en
stimuleert het lichaam om extra bot aan te maken, waardoor de prothese vast komt te zitten. Dit wordt vooral
uitgevoerd bij mensen jonger dan 65. Deze ingreep is pijnlijker dan een gecementeerde prothese, omdat het niet
direct stabiel is. Na 12 weken kan de patiënt weer volledig belasten.
4