betalings – en
financieringstechnieken:
Maart 2025:
Theorie:
1. Welke stelling is fout?
a. Renting heeft geen aankoopoptie aan het einde van de huurtermijn
b. Als de klant BTW-plichtig is, moet zijn BTW-nummer op de factuur
vermeld worden
c. Bij militaire overheidsaankopen dient men steeds een consulaire
factuur op te tellen
d. Een contante betaling wil zeggen dat het verschuldigde bedrag
binnen de voorziene betalingstermijn wordt betaald.
2. Welke stelling is juist?
a. Bij een betaling onder rembours zal de vervoerder bij aflevering van
de goederen de verschuldigde som innen
b. Als een cheque geviseerd is, wil dat zeggen dat de betrokken bank
de betaling ervan geweigerd heeft
c. Men kan geen hypothecaire lening afsluiten voor landbouwterreinen
d. De incoterms zijn van toepassing op internationale
vervoerovereenkomsten
3. Borgstelling: welke bewering is fout?
a. Het is een eenzijdige verbintenis
b. Er staat geen limiet op de borgstelling want het bevat geen
beperking qua bedrag
c. Bij wanbetaling moet de schuldeiser eerst de schuldenaar tot
betaling dwingen alvorens hij de borg mag aanspreken
d. Een rechtspersoon kan borg staan als het door de statuten is
toegestaan
4. Antwoord met juist of fout
a. Een circulaire cheque is een ander woord voor eco-cheque
b. Het documentair incasso wordt enkel gebruikt in de internationale
handel
c. Een creditnota wordt opgesteld door de verkoper
5. Geef een bondige definitie van ‘het pand’ en omschrijf er twee kenmerken
van.
6. Definieer beknopt het begrip ‘kaskrediet’.
7. Wat bedoelt men met ‘het endossement van een wisselbrief’?
, Oktober 2012:
1. Welke stelling is fout?
a. Een wisselbrief kan slechts van eigendom veranderen door een
endossement op de keerzijde
b. Op de wisselbrief moet men het bedrag zowel in cijfers als in letters
vermelden. In geval van verschil geldt het bedrag in letters als het
juiste bedrag
c. Al diegenen die op de wisselbrief getekend hebben (trekker,
endossanten), zijn hoofdelijk een solidair aansprakelijk voor de
betaling van de wisselbrief
d. De vervaldag van de wisselbrief dient steeds bepaald te worden op
een welbepaalde en nauwkeurig aangegeven datum.
2. Welke stelling is juist?
a. Men kan geen hypotheek nemen op nog op te richten gebouw dat
enkel op plan bestaat
b. Een hypotheek op onroerende goederen vereist een notariële akte
behalve indien een derde partij zich persoonlijk voor de koper borgt
stelt
c. De inpandgeving van een handelszaak kan zowel immateriële als
materiële bestanddelen (zoals de ‘goodwill’ van een firma) omvatten
d. De inpandgeving van een handelszaak mag nooit toegekend worden
aan financiële instellingen
3. Kaskrediet: welke stelling is fout?
a. Het is een soepele maar vrij dure kredietvorm
b. De rente is maandelijks herzienbaar
c. Via het kaskrediet krijgt de cliënt van de bank de toestemming om
voor een welbepaald overeengekomen maximum bedrag in debiteur
te staan op een rekening-courant
d. De cliënt mag zelf beschikken over de kredietlijn en mag dus zelf
kiezen of hij een deel, het gehele bedrag of helemaal niets opneemt
4. Incassokrediet: geef een definitie en omschrijf bondig het doel van deze
kredietvorm
5. Antwoord met juist of fout
a. Een borgtocht kan onbeperkt zijn in duurtijd
b. De inpandstelling van de handelszaak kan vastgelegd worden met
zowel een notariële als een onderhandse akte.
c. Een pro-forma factuur kan dienst doen als bewijs van de eigenlijke
verkoop van goederen aan de grens.
6. Geef een bondige uitleg over de kenmerkende elementen van een
borgtocht.