H5: EEN NETWERK IS GEEN GROEP. DE DIVERSITEIT VAN SAMENLEVINGEN EN
SAMENLEVINGSVERBANDEN.
1. SOCIALE NETWERKEN
Sociaal netwerk: geheel van posities en relaties met een bepaalde mate van
(onbewuste) organisatie
Netwerk: bestaat uit de relaties tussen verschillende positie(bekleder)s
Die relaties worden gezien als kanalen die verschillende plaatsen met
elkaar verbinden
o Dyade: relatie tussen twee personen
o Persoonlijk of ego-werk
o Drie zones (subnetwerken)
o Potentiële vs. actuele relaties
Actuele relaties = relaties die er effectief zijn
Potentiële relaties = relaties die je misschien zou kunnen
hebben, zou kunnen ontwikkelen maar is er nog niet
Via-via netwerk = relatie dat ontstaat als u via één van
bovenstaande netwerken iemand anders leert kennen (is
onbeperkt, de samenleving in haar geheel)
Zones van het ego-netwerk
Via-via netwerk/relatie
Potentieel netwerk/relatie (via)
Actueel netwerk/relatie (persoonlijk)
Ego-netwerk (individu)
o Sociaal kapitaal (Putnam): zorgt dat de samenleving niet zo snel uit
elkaar valt
, Pijltjes van sommige personen naar andere personen, niet iedereen zit in hetzelfde
netwerk
Het netwerk bestaat uit de verschillende relaties (neutrale afstandelijke relaties)
tussen personen
Probleem bij de studie van netwerk: relaties op zich zijn niet zichtbaar daarom
vertrekken vanuit de zichtbare communicatie en interactie tussen actoren = de
waarneembare uitdrukking van de relaties tussen de sociale posities
Kenmerken van netwerken:
Morfologische kenmerken vorm van netwerk
o Grootte: hoe groter het netwerk, hoe meer actoren en daardoor zal het
netwerk een groter potentieel aan hulpbronnen bevatten
o Dichtheid: aantal actuele relaties ten aanzien van het theoretisch
mogelijke relaties
Dichte/hechte netwerken kennen een sterkere solidariteit tussen leden
waardoor er betere toegang is tot de verschillende sociale goederen die
binnen dat netwerk circuleren
o Diversiteit: netwerk met grote diversiteit biedt een grote
verscheidenheid van sociale goederen aan en een netwerk met kleine
diversiteit biedt meer dezelfde goederen aan
o Centraliteit: netwerk is gestructureerd rond centrale actoren, die
hebben de macht in handen en kunnen ongelijkheden in de
samenleving creëren
Interactionele kenmerken manier waarop de posities uitgegeven worden
aan de relaties in het netwerk
o Sterkte: verwijst naar de manieren waarop anderen dan ego aanwezig
zijn in het leven van het ego frequentie/duur van aanwezigheid,
emotionele draagwijdte/betrokkenheid en aantal domeinen waarop men
in het leven van het ego aanwezig is/multiplexiteit
Score op die netwerken hoog => sterke banden
(vb; frequentie, sommige mensen zijn langer in het leven of duiken
vaker op dan anderen)
o Verwantschap: als de eigen sociale positie sterk is vallen de sterke en
zwakke banden voor een deel samen
(vb; als je informatie nodig hebt over interessante jobs hoef je na het
afstuderen niet ver te zoeken want iemand uit je omgeving zal je de
nodige info bezorgen)
o Samenstelling: intermenselijke relaties tussen individuen relaties
tussen organisaties bestaan ook
o Inhoud van relaties tussen organisaties: instrumenteel van aard
omdat het gaat over de doorstroom en uitruil van hulpbronnen
o Formalisering van relaties: de relatie krijgt een officiële status
door afspraken, en procedures
o Intensiteit: hoeveelheid hulpbronnen die wordt uitgewisseld
o Standaardisering: verwijst naar mate waarin organisatie in de
tijd met dezelfde organisatie een relatie opbouwt
2. GROEPEN
Elke groep bevat meerdere netwerken, maar niet elk netwerk kunnen we een groep
noemen.
Leden van de groep moeten zich identificeren met bepaalde waarden en normen.
SAMENLEVINGSVERBANDEN.
1. SOCIALE NETWERKEN
Sociaal netwerk: geheel van posities en relaties met een bepaalde mate van
(onbewuste) organisatie
Netwerk: bestaat uit de relaties tussen verschillende positie(bekleder)s
Die relaties worden gezien als kanalen die verschillende plaatsen met
elkaar verbinden
o Dyade: relatie tussen twee personen
o Persoonlijk of ego-werk
o Drie zones (subnetwerken)
o Potentiële vs. actuele relaties
Actuele relaties = relaties die er effectief zijn
Potentiële relaties = relaties die je misschien zou kunnen
hebben, zou kunnen ontwikkelen maar is er nog niet
Via-via netwerk = relatie dat ontstaat als u via één van
bovenstaande netwerken iemand anders leert kennen (is
onbeperkt, de samenleving in haar geheel)
Zones van het ego-netwerk
Via-via netwerk/relatie
Potentieel netwerk/relatie (via)
Actueel netwerk/relatie (persoonlijk)
Ego-netwerk (individu)
o Sociaal kapitaal (Putnam): zorgt dat de samenleving niet zo snel uit
elkaar valt
, Pijltjes van sommige personen naar andere personen, niet iedereen zit in hetzelfde
netwerk
Het netwerk bestaat uit de verschillende relaties (neutrale afstandelijke relaties)
tussen personen
Probleem bij de studie van netwerk: relaties op zich zijn niet zichtbaar daarom
vertrekken vanuit de zichtbare communicatie en interactie tussen actoren = de
waarneembare uitdrukking van de relaties tussen de sociale posities
Kenmerken van netwerken:
Morfologische kenmerken vorm van netwerk
o Grootte: hoe groter het netwerk, hoe meer actoren en daardoor zal het
netwerk een groter potentieel aan hulpbronnen bevatten
o Dichtheid: aantal actuele relaties ten aanzien van het theoretisch
mogelijke relaties
Dichte/hechte netwerken kennen een sterkere solidariteit tussen leden
waardoor er betere toegang is tot de verschillende sociale goederen die
binnen dat netwerk circuleren
o Diversiteit: netwerk met grote diversiteit biedt een grote
verscheidenheid van sociale goederen aan en een netwerk met kleine
diversiteit biedt meer dezelfde goederen aan
o Centraliteit: netwerk is gestructureerd rond centrale actoren, die
hebben de macht in handen en kunnen ongelijkheden in de
samenleving creëren
Interactionele kenmerken manier waarop de posities uitgegeven worden
aan de relaties in het netwerk
o Sterkte: verwijst naar de manieren waarop anderen dan ego aanwezig
zijn in het leven van het ego frequentie/duur van aanwezigheid,
emotionele draagwijdte/betrokkenheid en aantal domeinen waarop men
in het leven van het ego aanwezig is/multiplexiteit
Score op die netwerken hoog => sterke banden
(vb; frequentie, sommige mensen zijn langer in het leven of duiken
vaker op dan anderen)
o Verwantschap: als de eigen sociale positie sterk is vallen de sterke en
zwakke banden voor een deel samen
(vb; als je informatie nodig hebt over interessante jobs hoef je na het
afstuderen niet ver te zoeken want iemand uit je omgeving zal je de
nodige info bezorgen)
o Samenstelling: intermenselijke relaties tussen individuen relaties
tussen organisaties bestaan ook
o Inhoud van relaties tussen organisaties: instrumenteel van aard
omdat het gaat over de doorstroom en uitruil van hulpbronnen
o Formalisering van relaties: de relatie krijgt een officiële status
door afspraken, en procedures
o Intensiteit: hoeveelheid hulpbronnen die wordt uitgewisseld
o Standaardisering: verwijst naar mate waarin organisatie in de
tijd met dezelfde organisatie een relatie opbouwt
2. GROEPEN
Elke groep bevat meerdere netwerken, maar niet elk netwerk kunnen we een groep
noemen.
Leden van de groep moeten zich identificeren met bepaalde waarden en normen.