Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Complete samenvatting Vastgoedeconomie

Rating
-
Sold
1
Pages
26
Uploaded on
21-01-2026
Written in
2025/2026

Hierbij een complete samenvatting voor het vak Vastgoedeconomie welke wordt aangeboden tijdens de Minor Makelaardij. In de samenvatten wordt het gehele boek van Jan Buist behandeld en is alles duidelijk per hoofdstuk omschreven.

Institution
Course

Content preview

Samenvatting Vastgoedeconomie
Hoofdstuk 1 – Inleidende begrippen in de economie
De (algemene) economie → De wetenschap die zich bezighoudt met de keuzes die mensen
maken bij de productie, consumptie en distributie van schaarste goederen en diensten.

Zowel consumenten als bedrijven proberen zo veel mogelijk behoeften te bevredigen, ook wel
nutsmaximalisatie genoemd. Ze proberen met de beschikbare middelen combinaties te maken
die hen maximaal nut opleveren. Bij bedrijven spreken we van winstmaximalisatie in plaats van
nutsmaximalisatie.

Schaarste is de spanning tussen de behoeften enerzijds en de beschikbare middelen anderzijds.

Welvaart is de mate waarin de spanning tussen behoeften en beperkte middelen zijn opgeheven.
In Nederland kunnen we de meeste behoefte (voedsel, onderdak ect.) redelijk tot goed
bevredigen. Er is sprake van een redelijke welvaart. Welzijn is de mate van de bevrediging van
behoeften die niet afhankelijk zijn van schaars beschikbare middelen. Deze middelen zijn
kosteloos en onbeperkt beschikbaar (zuurstof in de lucht). Ook hangt welzijn af van je
persoonlijke geluksgevoel. Welstand ten slotte heeft te maken met persoonlijke voorspoed in de
zin van gezondheid en bemiddeld zijn (financieel stabiel en levend in een goed huis).

Behoefte is het menselijk verlangen waarvan voldaan wordt door de beschikking over schaarse
goederen en diensten (beschikbaar inkomen).

- Primaire versus secondaire behoefte → primaire behoefte zijn behoeften aan
elementaire goederen (voedsel en onderdak). Secondaire behoeften zijn behoeften aan
goederen die niet noodzakelijk zijn (luxegoederen en reizen).
- Stoffelijke versus onstoffelijke behoeften → Stoffelijke behoeften zijn behoeften aan
tastbare goederen (voedsel, auto). Onstoffelijke behoeften zijn behoeften aan
immateriële goederen (dienstverlening).
- Individuele versus collectieve behoeften → individuele behoeften zijn de eigen
behoeften van de individuele consument die hij ook individueel kan invullen.
Commerciële bedrijven voorzien veelal in deze behoeften. Collectieve behoeften zijn
behoeften die iedereen heeft maar die hij niet individueel kan invullen (veiligheid,
onderwijs). Veelal is de overheid degene die voorzien in de bevrediging van deze
collectieve behoeften.

Inkomen is de stroom van verworven koopkracht zonder in te teren. Dat wil zeggen dat het
inkomen de beloning is die mensen verdienen op grond van productieve prestaties gedurende
een bepaalde periode. Ieder onderdeel genereert zijn inkomen: pacht uit natuur, loon uit arbeid,
rente en dividend uit kapitaal en winst uit ondernemerschap. De opbouw van ons inkomen ziet
er als volgt uit:

Bruto inkomen (incl. belasting en sociale premies)
Af: Belasting en sociale premies
Beschikbaar of netto inkomen (inkomen na belasting en premieheffing)
Af: uitgaven voor primaire levensbehoeften en vaste lasten (=gebonden inkomen)
Blijft: Vrij besteedbaar of discretionair inkomen (dat inkomen kunnen we besteden aan luxe
goederen en/of sparen)

,De overheid rekent het onder andere tot haar taak een rechtvaardige verdeling van inkomens te
bevorderen. Door belastingen en premies te heffen en sociale uitkeringen te verstrekken kan de
overheid veranderingen realiseren tussen de primaire inkomensverdeling (inkomens die verdient
worden in het productieproces → lonen, maar ook dividenden → aandelen, en rente → op
leningen) en de secondaire inkomensverdeling (de verdeling van inkomens nadat de overheid
heeft ingegrepen via belastingen, uitkeringen en toeslagen). De personele inkomensverdeling is
de manier waarop de totale verdiende inkomen in een land is verdeeld over de bevolking. Dit
geeft ook een beeld in het verschil tussen arm en rijk. Dat kan je illustreren via een Lorenzcurve.
Naast de secondaire inkomens kennen we ook nog de tertiaire inkomensverdeling. Veel mensen
hebben ook recht op toeslagen, kinderbijslag en anderen betalen onroerendgoedbelasting. Deze
tertiaire inkomensverdeling nivelleert de inkomens nog meer (het verschil kleiner maken).

Productie is het geschikt maken van goederen en diensten voor gebruik. Kan plaats vinden door
bedrijven (productiehuishoudingen) en de overheid. Producenten maken gebruik van
productiefactoren. Dit zijn middelen waarmee geproduceerd kan worden. 3 klassieke
productiefactoren:

- Natuur → grond, bossen en delfstoffen. Alles wat de natuur voorbrengt behoort er toe.
- Arbeid → datgene wat mensen met lichamelijke en/of geestelijke inspanning tot stand
brengen

Deze 2 zijn de oorspronkelijke productiefactoren

- Kapitaal: ook wel de afgeleide productiefactor genoemd → duurzame en vlottende
kapitaalgoederen zoals gebouwen, machines en eventueel voorraden om productie te
kunnen realiseren.
- Ondernemerschap → een eigenaar die het bedrijf begint.

Ieder land kent een economische orde. Dit is de wijze waarop in een land vraag en aanbod is
georganiseerd. De mate waarin de overheid marktwerking toestaat is hier van belang.

We kennen een drietal vormen van de economische orde:

- Centraal geleide planeconomie: In deze vorm is de planning van aanbod geheel
gereguleerd door de centrale overheid. Deze kan in detail voorschrijven hoeveel en wat er
geproduceerd wordt in hun land. De overheid bemoeid zich actief met het land, de
consument, vraag en aanbod en de prijzen.
- Vrijemarkteconomie: In deze vorm is het toewijzen van productiefactoren geheel
overgelaten aan de vrije markt, dus aanbieders en consumenten bepalen gezamenlijk
waar behoefte aan is en wat er wordt geproduceerd en afgenomen. De overheid vervult
alleen kerntaken als defensie, onderwijs en justitie.
- Georiënteerdemarkteconomie: Deze vorm vinden we veel in westerse landen en houdt
het midden tussen planeconomie en vrijemarkteconomie. Het vrijemarkteconomie
speelt een belangrijke rol, maar de overheid heeft hierin een nadrukkelijk regulerende
rol. Producenten en consumenten zijn vrij om te beslissen over investeringen, productie
en consumptie, echter de overheid kan dit sturen door middel van belastingheffing en
regelgeving.

Drie soorten niveaus binnen de economie:

, - Macro-economie → kijken naar productie, consumptie en overheidsgedrag van een land
als geheel.
- Meso-economie → kijken naar economische processen op het niveau van de bedrijfstak
waarin bedrijven opereren. Centraal hierin staat de concurrentie binnen en buiten de
bedrijfstak.
- Micro-economie → kijken naar alles wat zich afspeelt op het niveau van individuele
consumenten en bedrijven. Het gaat hierbij om beslissingen op economisch gebied van
een individuele consument of individueel bedrijf. Prijs, kostprijs en inkomensaspecten
vormen bij het nemen van deze beslissingen een rol.

Economische factoren zijn invloeden uit de macro-omgeving met betrekking tot de stand van
economie.

- Binnenlandse factoren:
o Groei van het bruto binnenlands product
o Conjuncturele situatie
o Index van het consumentenvertrouwen
o Ontwikkeling van de werkloosheid, lonen en arbeidsproductiviteit
o Inflatie speelt een rol bij de ontwikkeling van prijzen: deze prijzen worden meestal
gecorrigeerd met het inflatiepercentage
o Orderportefeuille bedrijven
- Buitenlandse factoren:
o Renteontwikkelingen
o Ontwikkeling export en import
o Ontwikkeling wisselkoersen
o Verloop van de dollarkoers
o Ontwikkeling energieprijzen

Het Centraal Plan Bureau (CPB) speelt een belangrijke rol bij prognoses voor de economische
ontwikkelingen van Nederland. Het CPB houdt in de prognoses ook rekening met de binnen- en
buitenlandse ontwikkelingen en de bijbehorende indicatoren die we hierboven hebben
behandeld.



Hoofdstuk 2 – Macro-economie


In de macro-economie worden 2 sectoren onderscheiden van ‘bedrijven’ in de markt: de
collectieve sector bestaat uit overheid in ruime zin (het Rijk, provincie en gemeenten) en de
instellingen die de sociale wetten uitvoeren. De particuliere sector bestaat uit de
ondernemingen die de consumenten voorzien van individuele goederen en diensten.

Gesloten economie → zonder overheid of relaties met het buitenland, zonder investeringen en
besparingen. Hierbij geld:

- Y=C
- BBP = C
- Y = BBP

Y = nationaal inkomen, C = consumptie en BBP = Bruto binnenlands product

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
January 21, 2026
Number of pages
26
Written in
2025/2026
Type
SUMMARY

Subjects

$9.24
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller
Seller avatar
mnijzink05

Get to know the seller

Seller avatar
mnijzink05 Hogeschool Windesheim
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
1
Member since
1 year
Number of followers
0
Documents
1
Last sold
5 months ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions