• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 34 pagina's
Samenvatting

Samenvatting - Pedagogische systemen in de kindertijd en adolescentie ()

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 34 pagina's

Een volledige samenvatting van de hoorcollege stof in combinatie met de literatuur uit het boek.

Voorbeeld van de inhoud

Aantekeningen HC1, Theorieën opvoeding / socialisatie
PSKA  Centraal staat: micro- en mesosystemen en de invloed hiervan op de ontwikkeling
van kinderen en jongeren

Wat is socialisatie?
Socialisatie is hoe kinderen leren mee te doen in de samenleving. Ze leren kennis,
vaardigheden, gedrag, waarden en normen. Zo kunnen ze functioneren in de maatschappij.

Wat is een kenmerk van socialisatie?

- Het is een proces
- Het kind moet wel iets verkrijgen/leren/binnenkrijgen
- Wat is de omgeving (wat bepaald de socialisatie)

Hoe gebeurt socialisatie?

 Unidirectioneel: ouder beïnvloedt kind, kind luistert vooral.
 Bidirectioneel: ouder en kind beïnvloeden elkaar.
 Transactioneel: een doorlopende wisselwerking, beide beïnvloeden elkaar structureel.

Socialisatie & impulsen (Freud)

De psychodynamische benadering van Freud ziet socialisatie als het proces waarin kinderen
leren hun instinctieve impulsen te reguleren. Door opvoeding en identificatie met ouders
worden normen geïnternaliseerd in het superego, waardoor zelfcontrole ontstaat.

 Id: primitieve driften, wil direct plezier.
 Ego: regelt impulsen en houdt rekening met de werkelijkheid.
 Superego: geweten, normen, ontstaat door ouders en omgeving.
 Ouders leren kinderen impulsen te beheersen → van externe naar interne controle.

Zelfregulatie door de tijd (Rothbart – Block & Block)

 Ego-control: hoeveel iemand impulsen kan onderdrukken.
 Ego-resiliency: hoe flexibel iemand met stress omgaat (wanneer je het kan laten zien)
 Effortful control: doelgericht gedrag, aandacht en impulsen reguleren.

Ontwikkelingspsychologie, onderzoekt systematische veranderingen in mensen gedurende
hun leven. Dit omvat fysieke, cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling, vanaf de
geboorte tot de dood. De druk ligt zowel op stabiliteit als de veranderingen in gedrag over
tijd.

Verschillende theorieën:

1. Piagnet’s cognitieve ontwikkelingstheorie: Kinderen zijn "kleine wetenschappers" die
actief kennis construeren door interactie met hun omgeving. Het is zinloos om
kinderen dingen te leren waar ze cognitief nog niet klaar voor zijn; aansluiting bij hun
fase is cruciaal. (sensomotorisch-, pre-operationeel-, concreet-operationeel-,
formeel-operarioneel fase)

, 2. Erikson’s psychosociale theorie: acht levensfasen waarin mensen te maken krijgen
met specifieke conflicten (krisissen) tussen twee tegenovergestelde krachten, zoals
vertrouwen vs. wantrouwen, die de vorming van hun identiteit en sociale vaardigheden
beïnvloeden. Het succesvol oplossen van deze conflicten leidt tot de ontwikkeling van
'egokrachten' (deugden), wat een gezonde ontwikkeling van de persoonlijkheid
bevordert.
3. Vygotsky’s socioculturele theorie: stelt dat cognitieve ontwikkeling een sociaal proces
is, gevormd door interactie met anderen (ouders, leeftijdsgenoten, leraren) en de
cultuur waarin we opgroeien, waarbij taal en culturele hulpmiddelen cruciaal zijn
voor het internaliseren van kennis, in plaats van een puur intern proces zoals Piaget
stelde, en introduceerde het concept van de Zone van Naaste Ontwikkeling (ZNO)
(Het verschil tussen wat een kind alleen kan en wat het kan met hulp; dit is waar
effectief leren plaatsvindt) voor wat een kind met hulp kan leren.

Methoden van onderzoek:
4. Longitudinaal, het volgen van dezelfde individuen over een lange periode.
5. Cross-sectioneel onderzoek, het vergelijken van verschillende leeftijdsgroepen op
één moment
6. Cross-sequentieel onderzoek, een combinatie van longitudinaal en cross-sectioneel
onderzoek

Nature VS. Nurture: Ontwikkeling wordt beïnvloed door genetische factoren (nature) en
omgevingsinvloeden (nurture). Het huidige perspectief benadrukt de interactie tussen deze
twee.

Identiteitsvorming, de adolescentie is een cruciale periode voor het ontwikkelen van
identiteit, zoals beschreven door Erikson’s stadium van identiteit versus rolverwarring.
Adolescenten experimenten met verschillende rollen en waarden om te ontdekken wie ze zijn.

Peers en sociale relaties, vriendengroepen worden belangrijker en bieden steun en
bevestiging. Peers spelen een grote rol bij het ontwikkelen van sociale normen en
gedragingen, zoals kledingkeuzes, taalgebruik en risicogedrag.

Relaties met ouders, Adolescenten streven naar meer autonomie, wat vaak leidt tot conflicten
met ouders. Echter, een ouder-kindrelatie blijft belangrijk voor emotionele stabiliteit.

Risicogedrag en hersenontwikkeling, door veranderingen in de prefrontale cortex en limbisch
systeem zijn adolescenten meer geneigd tot impulsief gedrag, zoals experimenteren met
alcohol en drugs.

Visies op opvoeden

 Langeveld: kinderen leren zelfstandig worden, geen overmatig vertroetelen.
(zelfverantwoordelijke zelfbepaling) van hulpeloos wezen naar een wezen wat goed en
kwaad is en verantwoordelijkheid te nemen
 Dr. Spock: ouderlijke steun en warmte zijn belangrijk.

Behaviorisme (uitsluitend op observeerbaar gedrag en innerlijke processen worden
buiten beschouwing gelaten)

,  Klassieke conditionering: gedrag = aanleren via associaties. (watson) er wordt dus
niet om een handeling gevraagd
 Operante conditionering: gedrag = bekrachtiging of straf. (skinner) er wordt wel om
een handeling gevraad
 Ouders: beloof gewenst gedrag, negeer ongewenst gedrag. (dus conditionering en
bekrachtiging)

S–R-relaties, behavioristen verklaren gedrag via stimulus–responsrelaties:

 stimulus: prikkel uit de omgeving
 respons: gedrag van het kind

De omgeving bepaalt welk gedrag wordt opgeroepen en versterkt.

Negatieve interacties (coercion cycle) (patterson)

 Kind en ouder raken in strijd → kind leert dat tegenwerken werkt → meer
probleemgedrag. (kind ziet dat een bepaald strategie werkt dus herhaald dit de
volgende keer weer)

Sociaal-cognitieve leertheorie (Bandura)

 Kinderen leren door te kijken en te imiteren.
 Motivatie (zorg ervoor dat het kind zelf ook wil uitvoeren) en zelfvertrouwen (self-
efficacy) bepalen of ze gedrag laten zien.

Hechting (Bowlby & Ainsworth)

 Kind zoekt nabijheid bij ouder, ouder = veilige basis.
 Het kind heeft de aangeboren neiging om bij de ouder bescherming te zoeken in geval
van stress, gevaar of ziekte / gebruikt ouder om omgeving te exploreren  ouders
troosten en bieden veiligheid.

Contextuele invloeden, sociale en emotionele ontwikkeling wordt beïnvloed door gezin, peers,
schoolomgeving en bredere sociale contexten, zoals media en technologie.

Technologie in de ontwikkeling kan postief zijn: educatieve apps, en sociale interacties
makkelijker maken, maat ook negatief: overmatig gebruik wordt in verband gebracht met
slechtere slaappatronen, sociale isolatie en verhoogde angst.

Morele ontwikkeling

7. Kohlberg’s theorie, beschrijft hoe mensen in vaste stadia denken over goed en kwaad,
van strafvermijding naar universele ethische principes, verdeeld in drie hoofdniveaus
(preconventioneel, conventioneel, postconventioneel) met elk twee fasen:
o 1. Perconventioneel niveau, gehoorzaamheid om straf te vermijden
o 2. Conventioneel niveau, aanpassing aan sociale normen en wetten
o 3. Postconventioneel niveau, principes overstijgen wetten, gericht op
universele waarden

, Praktische toepassingen, morele ontwikkeling wordt bevorderd door ethische discussies, het
stellen van morele dilemma’s en het tonen van voorbeeldgedrag.

Socialisatie van genderrollen, Genderrollen worden vanaf jonge leeftijd beïnvloed door
ouders, peers en media. Traditionele rollen worden vaak onbewust versterkt, zoals jongens die
worden aangemoedigd om fysiek actief te zijn en meisjes om zorgzaam te zijn.

Biologische en culturele factoren, Biologische verschillen, zoals hormonen, spelen een rol in
genderontwikkeling, maar sociale factoren zoals verwachtingen en opvoeding hebben een
even grote invloed.

Inclusiviteit, De acceptatie van non-binaire en genderdiverse identiteiten groeit, wat nieuwe
perspectieven biedt op genderrollen. Scholen en gezinnen kunnen inclusiviteit bevorderen
door stereotiepe rollen ter discussie te stellen.

Biologisch / evolutionair

 Lorenz: imprinting in kritieke periode. Imprinting is een vroeg en blijvend leerproces
waarbij jonge dieren zich in een kritische periode hechten aan het eerste bewegende
object dat zij waarnemen, meestal de moeder. Lorenz toonde dit aan bij ganzen die
hem gingen volgen na het uitkomen van het ei.
 Harlow: warmte en veiligheid belangrijker dan voedsel.

Theorieën

 Modellen om de werkelijkheid te begrijpen, relaties te zien tussen concepten,
hypotheses op te stellen, te testen met onderzoek.

Socialisatieprocessen

1. Opvoeding beïnvloedt kindgedrag.
2. Kindgedrag beïnvloedt opvoeding.
3. Samenwerking opvoeding × kindgedrag → ontwikkeling (moderatie)
1. Strenge opvoeding leidt tot:
- meer probleemgedrag bij een angstig kind,
- maar tot meer structuur en beter functioneren bij een impulsief kind.
4. Kindgedrag → opvoeding → ontwikkeling (mediatie).
1. Een kind vertoont veel opstandig gedrag → ouders gaan strenger en
controlerender opvoeden → het kind ontwikkelt meer gedragsproblemen.

Opvoedingsstijlen (Baumrind & Lewin)

 Autoritair: veel controle, weinig warmte.
 Autoritatief / democratisch: veel warmte + controle →
beste uitkomsten.
 Permissief / laissez-faire: weinig controle, hoge warmte.
 Onverschillig: weinig controle, weinig warmte.

Specifieke mechanismen van ouderlijke invloed:

Inhoudsopgave

  1. 01 Aantekeningen HC1, Theorieën opvoeding / socialisatie 1
  2. 02 S–R-relaties, behavioristen verklaren gedrag via stimulus–responsrelaties: 3
  3. 03 Aantekeningen HC3, Gendersocialisatie: Processen en gevolgen 10
  4. 04 Terminologie 10
  5. 05 Aantekeningen HC4, Ontwikkeling (morele) emoties 14
  6. 06 Primaire emoties (verdriet, angst, blijheid, interesse etc.) komen al vroeg in de ontwikkeling tot uiting, zijn relatief automatische reactie op omgeving en zijn van belang voor overleving. 14
  7. 07 Secundaire emoties (trots, jaloezie, spijt, schaamte etc.) 14
  8. 08 Theoretische perspectieven op emotionele expressies 14
  9. 09 Begrijpen van emoties 15
  10. 10 Emoties herkennen & benoemen 15
  11. 11 Herkennen 15
  12. 12 Primaire emoties herkennen en benoemen op 3 / 4 jarige leeftijd 15
  13. 13 Ontwikkeling van het herkennen van secundaire emoties en het onderscheiden van subtiele verschillen daarin ontwikkelt door tot in adolescentie 15
  14. 14 Drie benaderingen 15
  15. 15 Emoties begrijpen 15
  16. 16 Emotionele scripts  emoties identificeren en voorspellen 15
  17. 17 Meerdere emoties tegelijk mogelijk 15
  18. 18 Begrip van oorzaken buiten directe situatie 15
  19. 19 Emotieregulatie 15
  20. 20 Vaardigheid om duur en intensiteit van een emotionele reactie te reguleren 15
  21. 21 Functies: 15
  22. 22 eigen welbevinden 15
  23. 23 reacties van anderen 15
  24. 24 Langdurige ontwikkeling: 15
  25. 25 hersenontwikkeling prefrontale cortex 15
  26. 26 kennis van omgangsregels 15
  27. 27 cognitieve- en gedrags copingstrategieën 15
  28. 28 Individuele verschillen: 15
  29. 29 biologisch/aanleg (temperament) 15
  30. 30 cultureel 15
  31. 31 opvoeding 16
  32. 32 Ontwikkelingspaden & Mijlpalen 16
  33. 33 Uiten van primaire emoties: 0+ en gedurende eerste levensjaar 16
  34. 34 Uiten van secundaire emoties: 1+ en gedurende kindertijd en adolescentie 16
  35. 35 Emotieherkenning: basisemoties in eerste levensjaar, en labelen en subtielere signalen in kindertijd en adolescentie 16
  36. 36 Emoties begrijpen: 3/4+ en verdere ontwikkeling in kindertijd en adolescentie 16
  37. 37 Emotieregulering: 0+ tot in adolescentie 16
  38. 38 Volgens Denham (1988) worden emoties gesocialiseerd via modeling, reacties van ouders op emoties van het kind en coaching. Deze processen vinden plaats binnen een breder emotioneel gezinsklimaat en worden beïnvloed door kenmerken van ouders, zoals emotieregulatie en mentale gezondheid 16
  39. 39 Drie centrale socialisatieprocessen 16
  40. 40 Breder kader: contextuele invloeden 16
    1. Emotioneel gezinsklimaat 16
  41. 41 Belang van morele emoties 16
  42. 42 Schaamte: 16
  43. 43 helpt gevoel over zichzelf te definiëren 16
  44. 44 minder gunstige samenhang met moreel gedrag 16
  45. 45 focus op zelf ipv ander, focus op persoon ipv gedrag 16
  46. 46 Spijt 16
  47. 47 motiveert tot zelfreflectie, leren van ervaringen 16
  48. 48 iets meer op zelf gericht dan schuldgevoel 16
  49. 49 speelt gunstige rol in morele ontwikkeling 16
  50. 50 Schuldgevoel: 16
  51. 51 geeft motivatie om fout te herstellen 16
  52. 52 belangrijk in morele ontwikkeling (focus op ander, focus op gedrag) 17
  53. 53 “teveel” schuldgevoel hangt samen met internaliserende klachten 17
  54. 54 Empathie 17
  55. 55 belangrijk in morele ontwikkeling (focus op ander) 17
  56. 56 motivatie voor om ander niet te schaden èn ander te help 17
  57. 57 Empathie is een multi-dimensioneel construct 17
  58. 58 Drie kernvoorwaarden voor empathie 17
  59. 59 1. Zelf–ander onderscheid 18
  60. 60 Empathie vereist dat je weet: 18
  61. 61 “Dit gevoel is van de ander, niet van mij.” 18
  62. 62 Emotional contagion = automatisch besmet raken door emoties van anderen (bijv. een baby gaat huilen als een andere baby huilt) ➝ géén empathie 18
  63. 63 Empathie begint pas wanneer iemand het zelf–ander onderscheid kan maken. 18
    1. 2. Focus op de ander 18
    2. Empathie betekent aandacht voor de emoties en behoeften van de ander. 18
    3. Personal distress = eigen ongemak of spanning voelen bij het zien van andermans leed (bijv. wegkijken omdat je het niet aankunt) ➝ géén empathie 18
    4. Bij empathie blijft de aandacht gericht op de ander, niet op het eigen ongemak. 18
    5. 3. Emotieregulatie is essentieel 18
    6. Zonder regulatie kan iemand de emoties van een ander niet hanteren. 18
    7. Goede emotieregulatie maakt het mogelijk om: 18
    8. emotionele signalen waar te nemen, 18
    9. erbij te blijven, 18
    10. en prosociaal te reageren (helpen, troosten). 18
  64. 64 Eisenberg, Fabes & Murphy (1994) 18
    1. Twee belangrijke patronen: 18
  65. 65 Ontwikkeling van prosociaal gedrag 19
    1. Aantekeningen HC5, Ouder-kind relaties tijdens de adolescentie 21
    2. Adolescentie, voorbereiding van de volwassenheid 21
    3. Autonomie = gevoel van zelf als zelfstandig, onafhankelijk en zelfbeslissend individu (Cognitief, emotioneel, gedrag) 22
  66. 66 Theoretische perspectieven op adolescentie (1) 22
    1. Psycho-analytisch perspectief – separatie–individuatie (Blos, 1962) 22
    2. Social Relations Theory (Laursen & Collins, 2009) 22
    3. Social Cognitive Domain Theory (Smetana, 2011) 22
    4. Drie kernaspecten van de ouder–adolescentrelatie 22
  67. 67 Ouderlijke controle en ouder–adolescentrelatie 23
    1. Twee vormen van ouderlijke controle 23
    2. Legitimiteit van ouderlijke autoriteit (Smetana) 23
    3. Normatieve veranderingen in de adolescentie 23
    4. Verandering of continuïteit? 24
    5. Variaties tussen gezinnen 24
    6. Aantekeningen HC6, Jongeren en Scheiding 25
    7. Mogelijke gevolgen voor kinderen met gescheiden ouders: 25
    8. Slechter academisch functioneren (cijfers, eindniveau, drop-out, concentratie) 25
    9. Meer internaliserende problemen (angst, depressie, suicide) 25
    10. Meer externaliserende problemen (agressie, delinquentie, strafblad) 26
    11. Meer problemen in sociale relaties 26
    12. Lager zelfvertrouwen/gevoel van eigenwaarde 26
    13. Het exosysteem omvat factoren buiten het kind die indirect invloed hebben, zoals werk, woonomgeving, sociale netwerken en beleid. Co-ouderschap komt vaker voor bij hoger opgeleide ouders en ouders met een hogere SES, deels door praktische mogelijkheden en opvattingen over genderrollen. Het is minder stabiel bij veel of ver weg werken van vaders, nieuwe partners van vaders en grotere geografische afstand tussen ouders. Afwijzing vanuit het sociale netwerk hangt samen met meer ouderlijke conflicten en minder vergevingsgezindheid. De ondersteuning voor gezinnen verschilt per gemeente en vereist vaak instemming van beide ouders. 26
    14. Drie belangrijk elementen van gezinnen als systeem: 26
    15. Meerdere subsystemen binnen een gezin 26
    16. Wederzijdse invloed/afhankelijkheid subsystemen 27
    17. Hiërarchisch georganiseerd, duidelijke grenzen oudersysteem 27
    18. Grensvervaging 27
    19. Vaker in gescheiden dan intacte gezinnen 27
    20. Vooral bij hoge mate ouderlijk conflict 27
    21. Triangulatie (kind betrekken in oudersysteem / conflicten) 27
    22. Nare dingen zeggen ex-partner 27
    23. Kind als boodschapper 27
    24. Druk uitoefenen om kant te kiezen 27
    25.  Kind meer problematiek door loyaliteits-conflicten & lager zelfvertrouwen 27
    26. Parentificatie (kind in ouderrol plaatsen) 27
    27. Emotioneel (als steunfiguur ouder) 27
    28. Instrumenteel (financieel, in huis helpen, opvoeden siblings, etc.) 27
    29. “Protective buffering”  eigen problemen bij zich houden omdat ze het gevoel hebben dat dat een extra last is 27
    30.  Kind meer problematiek, maar ook zelfvertrouwen? 27
    31. Kindsysteem: Kindfactoren 27
    32. Kindfactoren 27
    33. Gender (mixed results), leeftijd (type problemen varieren) 27
    34. Coping (vermijdend, steun zoeken) 27
    35. Empathie (signaleren en overnemen van andermans emoties) 27
    36. Ook: bidirectionele verbanden ouderlijk conflict en problemen 27
    37. Empathie als risicofactor (meer last van scheidingen) 27
    38. Aantekeningen HC7, Relaties met leeftijdgenoten 27
    39. Waarom focus op peerrelaties? Rol socialisatie is groot, sterk verband tussen problemen met peers en positieve ontwikkeling, maar ook latere problemen en impact op ontwikkeling. Sociaal, emotioneel en kwaliteit van leven hebben peers. 27
    40. Theorie Persoonlijkheidstheorieën 27
  68. 68 Psychopathologie: behavioral inhibition en sociale problemen 31
    1. Aantekeningen HC8, Jeugd en Media 32
    2. Doel van het college, een genuanceerd en wetenschappelijk beeld van de invloed van media op kinderen te hebben door kennis over: 32
    3. 1. Waarom media zo aantrekkelijk zijn voor kinderen en jongeren 32
    4. a. Kinderen worden voornamelijk aangetrokken door media inhoud die gematigd afwijkt van wat ze kennen, kunnen en begrijpen. 32
    5. b. Kinderen zijn niet of minder ingetresseerd in media inhoud die te veel afwijkt van hun bestaande denkbeelden en ervaringen 32
    6. c. Moderate Discrepancy hypothesis (MDH) (Dit past bij een "Het omgekeerde U -vormige interessepatroon, waarbij de nieuwigheid piekt in het midden. Dit principe verklaart waarom baby's de voorkeur geven aan enigszins nieuwe, maar herkenbare patronen. Het bevordert de cognitieve ontwikkeling door het verkennen van wat net buiten hun huidige begrip ligt aan te moedigen, in plaats van volledig vertrouwde of volstrekt vreemde dingen.) verklaart waarom media entertainment voorkeuren zo verschillen tussen kinderen van verschillende leeftijden 32
    7. Baby en dreumes, Aandacht: in eerste instantie gestuurd oriëntatie reflex (opvallende stimuli) later ook door interesse (inhoud) (Felle kleuren, hoge stemmen en geluiden, muziek) 32
    8. Informatieverwerking: alles is nieuw, weinig ervaringen en dus ook weinig mentale representaties (schema’s) (bekende context, langzaam en herhaling, verhaallijn heel simpel maar niet nodig) 32
    9. Taal: begint rond 1 jaar te ontwikkelen (verbal labeling) 32
    10. Peuter en kleuter, Informatieverwerking: iets meer schema’s maar nog erg beperkt (simpele verhaallijn) 32
    11. Egocentrisme: geen onderscheid kunnen maken tussen eigen perspectief en dat van iemand anders (slechts 1 perspectief) 32
    12. Centratie: neiging om aandacht te richten op het meest opvallende detail (herhaling) 32
    13. Perceptuele gebondenheid: beoordelen puur op basis van uiterlijk (simpele karakters en duidelijk perceptuele cues) 32
    14. Fantasie/realiteit: geen onderscheid (fantasie is leuk) 32
    15. Basisschoolkind, Informatieverwerking: maakt sprong. Veel meer schema’s (Minder interesse in langzame educatieve media, meer interesse in snellere media, meer interesse in complexere media) 33
    16. Aandacht: spanne neemt toe (langere spanningsboog oftewel kunnen langer hun aandacht vasthouden) (toenamen in gebruik) 33
    17. Emoties: Beter instaat eigen emoties en die van anderen te herkennen (voorkeur voor getoonde emoties die relevant zijn, identificeren met karakters, herkennen slecht acteren) 33
    18. Fantasie/realiteit: Duidelijk onderscheid (voorkeur voor realiteit (vooral meisjes)) 33
    19. Adolescent, Informatieverwerking: geavanceerd  metacognitie en abstract denken (grote issues, humor, complexe verhaallijnen en karakters) 33
    20. Emoties: meer ontwikkeld, maar moeite met emotieregulatie en behoefte aan onmiddellijk beloning (muziek, actie en sensatie via media) 33
    21. Autonomie: loskomen van ouders (zelf content maken, eigen wereld buiten ouders) 33
    22. Identiteit: zelfbeeld en zelfvertrouwen (rolmodellen in media, experimenteren met identitieit) 33
    23. Intimiteit: vormen en onderhouden betekenisvolle relaties (contact maken via social media, monitoren van vrienden, samen gebruiken) 33
    24. De veronderstelde meerwaarde van social media ligt in hun affordances, zoals verbondenheid, zelfpresentatie en sociale feedback, die ontwikkelingsprocessen van jongeren kunnen ondersteunen of versterken. 33
    25. 2. Theorieën over media-effecten 33
    26. a. Educatieve media (academische vaardigheden)  Educatieve media hebben positieve korte- en langetermijneffecten op academische vaardigheden, variërend van beginnende geletterdheid en schoolrijpheid tot hogere schoolprestaties en academisch zelfvertrouwen. Samengevat laten deze bevindingen zien dat educatieve media een belangrijke rol kunnen spelen in het aanleren van sociaal gewenst gedrag, mits de inhoud expliciet prosociaal is en aansluit bij de ontwikkelingsfase van het kind. 33
    27. Het Capacity Model stelt dat het werkgeheugen van kinderen beperkt is. Educatieve media bevatten twee elementen: de verhaallijn en de educatieve inhoud (het leerdoel). Beide vragen aandacht en belasten het werkgeheugen. 33
    28. Drie processen doen een beroep op het werkgeheugen: 33
    29. a. het volgen van de verhaallijn; 33
    30. b. het verwerken van de educatieve inhoud; 33
    31. c. de cognitieve afstand tussen verhaal en leerdoel. 33
    32. Wanneer verhaal en leerdoel niet samenhangen, raakt het werkgeheugen overbelast en wint de verhaallijn altijd van de educatieve inhoud: kinderen onthouden het verhaal, maar leren weinig. Wanneer de educatieve inhoud geïntegreerd is in het verhaal, ondersteunen verhaal en leerdoel elkaar en zijn leereffecten groter. 33
    33. Steeds meer educatieve apps worden ontwikkeld. Nog weinig studies naar de leeropbrengsten van deze apps. Er zijn enkele studies die laten zien dat digitale apps vocabulaire fonologisch bewustzijn en creativiteit. Maar niet alle studies laten dit zien, kwaliteit van de apps kan parten spelen 33
    34. 3. Empirische bevindingen van media-effecten 34
    35. a. Desensitisatietheorie: Herhaalde blootstelling aan mediageweld vermindert fysieke, emotionele en cognitieve reacties op echt geweld. Hierdoor worden jongeren onverschilliger, voelen zij minder empathie voor slachtoffers en ervaren zij minder remming om agressief gedrag te vertonen. Daarnaast kan het arousalniveau dalen, wat samenhangt met aandachtsproblemen (zoals ADHD-achtige symptomen). 34
    36. b. Sociale media en sociale relaties: onderzoek toont voornamelijk positieve invloed aan mbt de invloed van sociale media voor sociale relaties, maar alleen als: 34
    37. Online communicatie niet anoniem is 34
    38. Online communicatie met offline vrienden is 34
    39. (verklaring = door het gevoel van controle op sociale media delen jongeren meer  zorgt voor beter contact 34
    40. Hyperpersonal theory of communication (walter),: online communicatie is positiever, socialer en persoonlijker dan offline communicatie omdat in online communicatie minder cues zijn. Dit gebeurt via drie samenhangende processen, mogelijk gemaakt door de affordances van social media: 34
    41. Verzender – optimale zelfpresentatie De verzender kan bewust selecteren wat hij of zij deelt, waardoor een ideale of positieve versie van zichzelf wordt gepresenteerd. 34
    42. Ontvanger – overinterpretatie van cues De ontvanger vult het gebrek aan informatie zelf in en interpreteert beperkte cues vaak extra positief. 34
    43. Feedback – positieve feedbackcirkel Positieve reacties bevestigen het positieve beeld, wat leidt tot nog positievere communicatie en meer intimiteit. 34
    44. Sociale media en het zelfvertrouwen: 34
    45. 1. Sociale vergelijking 34
    46. 2. Positieve feedback 34
    47. 3. Zelfreflectie 34
    48. Problematisch sociale mediagebruik: Meer depressieve gevoelens, Meer impulsiviteit en Lagere schoolcijfers 34
    49. 4. Hoe kenmerken van het kind en de omgeving media-effecten bepalen 34
    50. a. Differential susceptibillity to media effects model (DSMM) 34
    51. b. Invloed van dispositie: agressie als persoonlijkheidstrek, neiging tot negatieve sociale vergelijking, sociale angst 34

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
19 januari 2026
Aantal pagina's
34
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
$7.86

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
2
Volgers
0
Items
4
Laatst verkocht
5 maanden geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen