• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 155 pagina's
Samenvatting

Samenvatting communicatiewetenschappen - Sofie Apers

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 155 pagina's

Voor politieke wetenschappen, communicatiewetenschappen en sociologie. Deze samenvatting dekt alle leerstof die behandeld werd in de les, aangevuld met informatie uit het handboek. Bij het instuderen van deze samenvatting heb je dus niet meer je handboek nodig, omdat dit het volledige plaatje dekt, ideaal voor het examen van januari.

Voorbeeld van de inhoud

COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN


INLEIDING

Inzicht in communicatie nuttig voor sociologen, politieke wetenschappers, sociaal-economische
wetenschappers en communicatiewetenschappers... (en anderen):

 Media als een belangrijke socialisatiebron
= media reproduceren normen, waarden en machtsstructuren, maar dagen deze ook uit.
 Vb. schoonheidsidealen via tijdschriften en sociale media; vrouwen zijn slank,
mannen gespierd. Body positivity-beweging: body-positivity daagt deze standaard uit.
 Series en programma’s dagen seksuele normen en genderuitingen uit (vb. Europhoria)

 Politiek:
= media fungeert als de ‘4de macht’ en beïnvloeden de publieke opinie
 Politici gebruiken media om hun achterban te onderhouden en nieuwe stemmers
aan te trekken
 Jongeren worden vooral beïnvloed via influencers en sociale media (vb. palestina, milieu,..)


 Economisch (Social/ Profit-organisaties):
= marketing via media is cruciaal om producten te verkopen.
 Influencers en sociale media spelen hierin een belangrijke rol


 Mediaprofessionals en journalisten:
 cruciale rol in democratie: burgers informeren zodat ze keuzes kunnen maken.
 Communicatieverantwoordelijken adviseren bij vb. apolgy-video’s
(vb. woordvoerder Bart de Pauw)

CommunicatieWETENSCHAP
 Communicatiewetenschap onderzoekt de realiteit en het gebruik van media
 Methoden: theorieën, concepten/modellen, empirisch onderzoek (inhoudsanalyse,
survey, experiment, diepte-interviews, observaties, focusgroups, meta-analyses)
 Wetenschappelijke literatuur: artikels in academische “journals”, boeken, …
 voorbeeldonderzoek: invloed van gamen of sociale media op gedrag en mentale gezonheid
(vb. The Anxious Generation)




 Modellen
waarmee je je gaat
identificeren



 Opwinding
van games
toepassen in het
dagelijks leven

1

,COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN


Geschiedenis

 Communicatiewetenschap is een relatief jonge wetenschap (na WOII in Europa rond 1950). Het werd
eindelijk een zelfstandige discipline, los van sociologie, psychologie, taalkunde, enz.

 Voorafgaand werd communicatie bestudeerd via retoriek (Aristoteles),
propaganda/ media-effecten, informatietheorie, en groepsdynamica:
 Aristoteles: Drie intrinsieke middelen om publiek te overtuigen;
- Ethos: persoonlijkheid en waarden van de spreker
- Pathos: inspelen op de emoties van het publiek
- Logos: logica van argumentatie
 Propaganda & media-effecten: veel aandacht tijdens WOI en WOII

 Informatietheorie: transmissie van informatie elektronisch onderzoeken

 Groepsdynamica: invloed van mensen op elkaar in kleine groepen (Lewin:

leiderschap, Mead: elkaar leren kennend)



 Heath & Bryant- vier invalshoeken:
1. Retoriek
2. Propaganda en media-effecten
3. Informatietheorie
4. Groepsdynamica




2

, COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN



HOOFDSTUK 2: BASISCONCEPTEN EN MODELLEN

Wat is communicatie

 Etymologie/ afstamming van het begrip communicatie  ‘communicare’ (Latijn):
gemeenschappelijk maken
 Woordenboekdefinities: overdracht of uitwisseling van informatie (transmissie)
 Wetenschappelijke definities van communicatie: talrijk
 Nadruk op : ontvanger, zender, verbinding, symbolen, betekenis of
transmissie...
1. Meerdere juiste definities (zie ppt voor enkele definities, slide 31)

Twee belangrijke perspectieven (Heath & Bryant)

1. Processchool:
 ziet communicatie als transmissie/ overdracht van boodschappen

 Nadruk: hoe zender en ontvanger encoderen en decoderen, hoe kanalen
en media efficiënt kunnen worden ingezet
 Communicatie = strategisch beïnvloedingsproces
 Communicatiefouten= mislukkingen in het proces
2. Acties van communicatie = Acts of communication


2. Betekeniscreatieschool:

 ziet communicatie als de productie en uitwisseling van betekenissen

 Nadruk op betekenis achter de communicatie

 Niet als communicatiefout bekeken tussen zender en ontvanger, maar
bv. als culturele verschillen tussen partijen

 Centrale methode = semiotiek (tekenleer)
Werken van communicatie = Works of communication:
vb. krantenartikels, reclamespots, televisieprogramma’s, enz


3. Proces—versus betekeniscreatieschool
= Een fout in het proces kan betekenis veranderen




3

, COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN


Breek- of discussiepunten

1. Intentionaliteit
= er moet een intentie zijn om te communiceren

 Vier situaties volgens het passief-actief model van McQuail:

1) ACTIEF-ACTIEF: persoon die intentioneel een boodschap uitstuurt en een persoon
die intentioneel ontvangt
Vb. brood bestellen bij de bakker, de verkoper luistert naar mij

2) PASSIEF-ACTIEF: persoon die niet-intentioneel een boodschap stuurt naar die
persoon die intentioneel ontvangt
Vb. luisteren naar een gesprek tussen treinreizigers in dezelfde wagon

3) ACTIEF-PASSIEF: persoon zendt bewust een boodschap uit naar een persoon de
niet-intentioneel ontvangt
Vb. passief luistergedrag in de klas

4) PASSIEF-PASSIEF: persoon zendt een niet-intentionele boodschap uit naar persoon
die niet-intentioneel ontvangt (onbedoelde boodschap)
Vb. indrukken die we krijgen van iemand op straat

 Teleologische opvatting = er zit een doel / intentie achter de communicatie, zowel bij
de zender als de ontvanger.
 De zender wil iets bereiken (vb. overtuigen, informeren)
 De ontvanger probeert dat doel te begrijpen
 De processchool hoort daarbij, omdat ze communicatie zien als doelgericht
proces tussen zender en ontvanger: een boodschap wordt overgedragen met
een bepaalde intentie en effect

 Enkel communicatie in situatie 1, eventueel 3; intentie of bedoeling is basis van
communicatie (processchool)

 Gedragsopvatting = bestudeert interpersoonlijke communicatie
 Stelt dat elk gedrag communicatie is, ook zonder bewuste bedoeling of betekenis
(zoals een tikkend been, stilte, wegkijken…)
 ‘niet communiceren is ook communiceren’
 Er is zowel in situatie 1, 2, 3 en 4 sprake van communicatie: ruime definitie 
intentie hoeft niet aanwezig te zijn

1. Broodje bestellen en dat krijgen van de
bakker
2. Handen die trillen bij een examen 
leerkracht heeft door dat je stress hebt
3. Niet opletten wanneer leerkracht praat
4. Indrukken krijgen van mensen



 Breekpunt: intentionaliteit is vaak moeilijk vast te stellen,
maar ook omgekeerd: bedoeld als onbedoeld vermomd

4

Inhoudsopgave

  1. 01 FACTOREN 23
  2. 02 FUNCTIES 23
  3. 03 Zender 23
  4. 04 Emotieve functie 23
  5. 05 Ontvanger 23
  6. 06 Conatieve functie 23
  7. 07 Contact (psychisch/ fysiologisch) 23
  8. 08 Fatische functie 23
  9. 09 Boodschap 23
  10. 10 Poëtische functie 23
  11. 11 Context (=hetgene waaraan de booschap refereert) 23
  12. 12 Referentiële boodschap 23
  13. 13 Code 23
  14. 14 Metalinguïtische functie 23
  15. 15 Geschiedenis 2
  16. 16 Wat is communicatie 3
  17. 17 Twee belangrijke perspectieven (Heath & Bryant) 3
  18. 18 1. Processchool: 3
  19. 19 ziet communicatie als transmissie/ overdracht van boodschappen 3
  20. 20 Nadruk: hoe zender en ontvanger encoderen en decoderen, hoe kanalen en media efficiënt kunnen worden ingezet 3
  21. 21 Communicatie = strategisch beïnvloedingsproces 3
  22. 22 3. Proces—versus betekeniscreatieschool 3
  23. 23 Breek- of discussiepunten 4
  24. 24 2. Geslaagdheid als criterium Geslaagde versus niet geslaagde communicatie? Wat is geslaagde communicatie (volgens Fauconnier)? 5
  25. 25 3. Richting van de communicatie? 5
  26. 26 4. Observatieniveau In de communicatiewetenschappen beperkt men zich tot “menselijke” communicatie 6
  27. 27 Elementen van het communicatieproces = bron/ zender verstuurt boodschap waarbij een gedachte-inhoud wordt omgezet in tekens, die d.m.v. een medium worden omgezet in signalen die via een kanaal worden doorgestuurd naar de ontvanger 7
  28. 28 Ontvanger/bestemmeling 7
  29. 29 Boodschap 7
  30. 30 Signaal =Dragers van tekens (bv. luchttrillingen, lichtgolven) vb. woorden/ tekens worden via luchttrillingen verzonden. 9
  31. 31 Kanaal = drager van het signaal; de weg of materie waarlangs signalen worden verstuurd 9
  32. 32 Medium = object of technisch middel dat de boodschap draagt of het tot uiting brengt zodat het via de zintuigen kan worden waargenomen (= hulpmiddel waardoor een boodschap bij de ontvanger komt) 9
  33. 33 Vb. massacommunicatie: televisie, krant, radio: het apparaat zelf is het medium. 9
  34. 34 Vb. face-to-face: stem kan gezien worden als medium, woorden (tekens) worden via de stem omgezet in luchttrillingen (signaal) die door het kanaal (lucht) naar de ontvanger gaan. 9
  35. 35 Andere vb’en. Briefje op de muur, grafitti, wegmarkering,.. 9
  36. 36 Ruis = elke stimulus die de ontvangst of interpretatie van een boodschap belemmerd (volgt processchool) Soorten ruis: 10
  37. 37 De zender drukt iets uit (een boodschap) en draagt dit over aan de ontvanger door middel van tekens, dit kunnen verbale (woorden) of non-verbale (gebaren, symbolen) stimuli zijn 18
  38. 38 Taal is daarbij het belangrijkste communicatiesysteem van de mens 18
  39. 39 Taal stelt ons in staat om: 18
  40. 40 Betekenissen te creëren 18
  41. 41 Betekenissen te delen 18
  42. 42 Werkelijkheid te benoemen 18
  43. 43 Elk teken is een voertuig van betekenis (bestaan uit 2 componenten): 18
  44. 44 Signifiant (betekenaar) = de vorm (klanken, woorden, gebaren, kleuren,…) 18
  45. 45 Signifié (betekende)= de betekenis of het concept dat in ons hoofd wordt opgeroepen. Vb. het woord ‘boom’ is een afgesproken teken voor het object dat we ermee bedoelen: het had evengoed iets anders kunnen betekenen 18
  46. 46 Een teken verbindt inhoud met vorm 18
  47. 47 Soorten tekens: 18
  48. 48 Symbolen: hebben geen natuurlijke relatie tussen betekenaar en betekende; de betekenis is cultureel bepaald door conventie 18
  49. 49 Vb. het woord ‘tafel’ verwijst naar een object omdat we dat zo afgesproken hebben 18
  50. 50 Iconen: er is een fysieke gelijkenis tussen betekenaar en betekende. 18
  51. 51 Vb. een foto, een pictogram of een emoji 18
  52. 52 Indices (aanwijzingen): er is een rechtstreeks, sensorisch verband tussen A en B 18
  53. 53 Vb. rook (A) verwijst naar vuur (B): donkere wolken naar regen 18
  54. 54 Taal bestaat uit symbolen: er is geen natuurlijke relatie tussen het woord en het object, enkel een conventie 18
  55. 55 Natuurlijke taal = taal die spontaan ontstaan is binnen een menselijke gemeenschap en die kinderen van jongs af aan leren als moedertaal (vb. Nederlands, Engels, Frans,..) Kenmerken 18
  56. 56 Artificiële taal 19
  57. 57 De fundamentele eigenschappen van taal TAAL: 19
  58. 58 1. Bestaat uit symbolen 19
  59. 59 2. Is een kennisgeheel 19
  60. 60 3. Bestaat uit regels en is productief 19
  61. 61 4. Beïnvloedt ons beeld van de werkelijkheid 19
  62. 62 Er bestaan 2 soorten tekenrelaties 19
  63. 63 Kennisgeheel 19
  64. 64 Beïnvloed beeld van de werkelijkheid 20
  65. 65 Taalvormen 20
  66. 66 Welke kennis heb je nodig Klanken 21
  67. 67 Klankensysteem- Fonologie 21
  68. 68 Woorden Betekenissysteem = klanken gecombineerd tot een bepaalde betekenis. 21
  69. 69 Zinnen Syntaxis= wetenschap die zich concentreert op de zinsstructuur van een taal 21
  70. 70 Sociale context van taal Effectieve communicatie= sprekers moeten het juiste zeggen, op het juiste moment en op de juiste manier Context is cruciaal om alles in perspectief te kunnen zetten, deze context noemt men pragmatiek 21
  71. 71 SPEECH ACT THEORY/ taalhandelingstheorie 22
  72. 72 Taal gebruiken= een vorm van handelen 22
  73. 73 Als we spreken voeren we een handeling uit met woorden Vb. “Ik beloof om morgen langs te komen” dwz dat je een belofte maakt, en handeling, die andere persoon die handelt ook naar wat je hebt gezegd 22
  74. 74 Taal om bepaalde doelen te bereiken (doel= speech act) 22
  75. 75 Succesvolle communicatie= relatie begrijpen tussen klanken, woorden en zinnen + de speech act die ze representeren 22
  76. 76 Zinnen kunnen meer dan één pragmatisch structuur bevatten= dezelfde zin kan verschillende doelen (speech acts) hebben Vb. “Heeft u een horloge? “; op straat is dat om de tijd te weten, in een enquête om te weten of je het sieraad bezit, te laat in de les kan het als kritiek zijn OF “Heb je het boek gelezen?”: vrienden die het vragen: eerlijk,mening,… terwijl leerkracht dit jan doen tijdens een spreekbeurt 22
  77. 77 COORDINATED MANAGEMENT OF MEANING THEORY 22
  78. 78 Zorg dat we rekening moeten houden met 4 soorten context: 22
  79. 79 1. Episode: situatie waarin we ons bevinden Vb. “doe het raam een dicht”, kan anders overkomen als baas vs. wn 22
  80. 80 2. Relatie: rolverplichting tegenover ontvangen, taal aanpassen aan relatie met ontvanger Vb. president versus ‘volgers’ (rolverplichting die we ervaren’, vb: zou je het raam eens willen dichtdoen ik heb het koud 22
  81. 81 3. Levensscript: professionele of persoonlijke identiteit 22
  82. 82 4. Cultureel patroon: culturele normen die we delen met anderen; andere manier van communicatie met andere culturen 22
  83. 83 Vb. als spreker professionele identiteit van ‘harde advocaat’ (life script) heeft die betrokken is in een kruisverhoor (episode) met een vijandige getuige (relatie) in een gerechtshof in de VS (cultureel patroon) zit, moet hij of een bepaalde manier communiceren. Als hij daarna met zijn partner gaat eten, dient hij die stijl drastisch te veranderen 22
  84. 84 Functioneel structuralisme: Onderscheid functies van taal voor een communicatieproces 22
  85. 85 Emotieve functie = houding dat de zender tegenover wat hij connoteert/ drukt attitudes of emoties uit Vb. “Gelukkig was hij er niet!”, “Verdorie, ik heb het weer fout gedaan!” 23
  86. 86 Conatieve functie = iets gedaan te krijgen bij de ontvanger of die zijn attitudes beïnvloeden (klemtoon ontvanger) Vb. “Kom!” 23
  87. 87 Fatische functie = berichten die er in de plaats toedienen om communicatie tot stand te brengen, voort te zetten of af te breken Vb. “Zeg, luister je nog?”, “Ben je nog mee?” 23
  88. 88 Poëtische functie = klemtoon ligt op talige boodschap (poëzie, spreekwoorden en zegswijze) Vb. “Heerlijk, helder, Heiniken” 23
  89. 89 Referentiële functie = nadruk ligt op de referent; puur om te omschrijven Vb. “Hij liep gisteren op straat” 23
  90. 90 Metalinguïstische functie = wordt vervuld wanneer de zender en/of ontvanger genoodzaakt zijn na te gaan of ze dezelfde code gebruiken; men spreekt over taal en nadruk ligt op code Vb. ‘Wat bedoel je met de “schacht”? die bij ons op kot zit’ 23
  91. 91 Pragmatische stijlen en structuren 23
  92. 92 2 vormen: PRIVAAT en PUBLIEK: 25
  93. 93 Principes van Grice (1975) Aan de basis van gebalanceerde, succesvolle communicatie liggen principes 26
  94. 94 Small talk = informele en oppervlakkige conversatie vooral voorkomt aan het begin en einde van een interactie 27
  95. 95 Het gaat om luchtige, niet-controversiële onderwerpen (“koetjes en kalfjes”) die helpen de sociale sfeer te regelen in plaats van inhoud over te brengen 27
  96. 96 Heeft fatische functie: het onderhoudt het sociale contact zonder diepgaande info uit te wisselen 27
  97. 97 Functies van small talk 1. Organiserende & structurerende functie = helpt om de communicatie te organiseren en te sturen 27
  98. 98 2. Rituele functie = small talk is vaak ritueel en routinematig: 27
  99. 99 Twee specifieke functies van Small talk 27
  100. 100 Verschillende topics binnen small talk: Afhankelijk van de sociale verhouding of machtsverhouding tussen gesprekspartners, verschilt het type small talk: 28
  101. 101 Geografische verschillen = taalgebruik verschilt ook sterk tussen regio’s en dialecten 30
  102. 102 Leeftijdsverschillen =taal evolueert met leeftijd: 30
  103. 103 Opleidingsniveau =sociale identiteit te zien in ons taalgebruik 30
  104. 104 Taal evolueert voortdurend = taal past zich aan aan maatschappelijke veranderingen 30
  105. 105 Taal en culturele verschillen =Taal evolueert voortdurend, zelfs binnen één cultuur 30
  106. 106 Vb. het woord dagdagelijks werd enkele jaren geleden erkend, maar is nu niet meer officieel. Ook media, zoals De Standaard, volgen deze evoluties (vb. test over jongerentaal) We kunnen dus dezelfde taal spreken, maar toch een miscommunicatie ervaren door culturele verschillen in taalgebruik en context 30
  107. 107 Contextafhankelijkheid (2 soorten) Hoe exact moet je communiceren? Dit hangt af van cultuur: 31
  108. 108 Verbale directheid 31
  109. 109 Formaliteit 31
  110. 110 Kenmerken van non-verbale communicatie Non-verbale communicatie is onmiddellijk, continu en natuurlijk 32
  111. 111 Voor welk soort informatie is non-verbale communicatie belangrijk? Eerste indrukken 33
  112. 112 Relationele informatie =Via tekens zien we hoe de interactie verloopt en wat de andere denkt 33
  113. 113 Emoties uitdrukken 33
  114. 114 Versterking of verwarring 33
  115. 115 Wisselwerking NVC-VC 33
  116. 116 1. Emblemen = gedragingen met een directe verbale vertaling (“stille woorden”) 35
  117. 117 2. Illustratoren = gebaren die de taal ondersteunen of uitbeelden 35
  118. 118 3. Regulatoren = non-verbale tekens die als “verkeerssignalen” werken tijdens interacties 35
  119. 119 4. Affectvertoners = lichaamsbewegingen of gezichtsuitdrukkingen die onze emotionele toestand tonen 35
  120. 120 5. Adaptoren = repetitief, nerveus, of zelf aanpassend gedrag dat stress of spanning helpt te reguleren 36
  121. 121 2. Spiegelen (imitatie van houding) 36
  122. 122 Proxemics = studie van territorialiteit en ruimtegebruik = het onderzoekt hoe mensen ruimte gebruiken in hun interacties en welke betekenis dat gebruik heeft 37
  123. 123 Soorten territoria Territorium= ruimte die iemand als ‘van zichzelf’ beschouwt of waarin bepaalde gedragsregels gelden 37
  124. 124 Persoonlijke ruimte = een draagbaar territorium dat we overal meenemen = de afstand die we houden tot anderen hangt af van: 38
  125. 125 Haptics 38
  126. 126 Chronemics = de studie van tijdsgedrag- hoe tijd invloed heeft op communicatie 39
  127. 127 3 soorten van tijdsoriëntaties 39
  128. 128 Fysieke kenmerken 40
  129. 129 Lichaamsbouw (somatotypes) 40
  130. 130 Grootte 40
  131. 131 Kleding 40
  132. 132 Taal van objecten = voorwerpen en bezittingen (zoals kleding, interieur, gadgets) die een boodschap over onszelf communiceren = ze drukken waarden, status, rijkdom of identiteit uit 40
  133. 133 Vb. nieuwste iPhone= teken van trendbewustheid of financiële status 40
  134. 134 Vb. inrichting van huis= weerspiegelt persoonlijkheid 40
  135. 135 Worden bewust of onbewust gebruikt als communicatiemiddel (impressiemanagement) 40
  136. 136 Paralinguïstiek/ Vocalics = de wijze waarop woorden worden uitgesproken (vb. klemtoon, haperingen, stiltes,..) 40
  137. 137 4 definities: 43
  138. 138 Verschil tussen communicatie met bekenden en onbekenden: 43
  139. 139 Onbekenden: formeel, beperkt tot algemene onderwerpen (weer, school, werk,..) 43
  140. 140 Bekenden (vrienden, familie, partner): informeel, ontspannen, open. Meer persoonlijke onderwerpen. Je bepaalt zelf wat je deelt 43
  141. 141 Verschillende regels: 43
  142. 142 Tienstappenmodel van Knapp = beschrijft hoe relaties ontstaan, zich verdiepen en soms eindigen. 44
  143. 143 De focus ligt op communicatie als motor van deze ontwikkeling: 44
  144. 144 Er zijn 2 grote fases: 44
  145. 145 Toenaderingsfase: 44
  146. 146 Verwijderingsfase 45
  147. 147 Interpersoonlijke aantrekkingskracht: De filtertheorie (Duck) = waarom en hoe we ons aangetrokken voelen tot bepaalde mensen en relaties aangaan 46
  148. 148 Zelfonthulling: = vrijwillig persoonlijke info over jezelf delen, die anderen anders niet zouden weten (proces is essentieel voor het ontwikkelen van intieme, vertrouwelijke relaties) Vb. je vertelt wat je voelt, denkt, hebt meegemaakt of waar je bang voor bent 47
  149. 149 Belang: 47
  150. 150 Vergroot vertrouwen, intimiteit en verbondenheid 47
  151. 151 Helpt de ander je beter te begrijpe, 47
  152. 152 Risico’s: 47
  153. 153 Je maakt jezelf kwetsbaar, want je persoonlijke info is in macht 47
  154. 154 Reactie van de ander kan positief of negatief zijn 47
  155. 155 Belangrijk; 47
  156. 156 Denkt na wat, wanneer, en tegen wie je iets vertelt 47
  157. 157 Doe dit geleidelijk: van kleine naar meer persoonlijke onthullinhen 47
  158. 158 Zoek balans: beide personen moeten ongeveer evenveek weten 47
  159. 159 Gender: 47
  160. 160 Vrouwen onthullen meestal meer dan mannen 47
  161. 161 Resultaat: 47
  162. 162 Sterkere, meer vertrouwelijke relatie 47
  163. 163 Johari-venster: = toont aan wat mensen wel en niet van zichzelf weten 47
  164. 164 Spanningsvelden binnen relaties hebben betrekking op dialectieken = elke relatie bevat tegenstrijdige behoeften die in balans moeten blijven 48
  165. 165 Autonomie vs. samenhorigheid 48
  166. 166 Innovativiteit vs voorspelbaarheid 48
  167. 167 Macht in een relatie 49
  168. 168 7 vormen van afwijzende communicatie op een rijtje (Sieburg) 49
  169. 169 Groepscommunicatie 49
  170. 170 3 belangrijke soorten groepen 50
  171. 171 In een groep zijn 2 dingen belangrijk 52
  172. 172 2 soorten leiderschap 52
  173. 173 In sommige groepen zijn dit 2 verschillende personen 52
  174. 174 1) Intrede in een groep Wanneer iemand nieuw in een groep komt, ontstaat er altijd een voorzichtige fase waarin zowel de nieuweling als de bestaande leden elkaar aftasten, 53
  175. 175 2) Groepsontwikkeling 53
  176. 176 Een organisatie: 56
  177. 177 Doelgroep die de organisatie aanspreekt: 56
  178. 178 Het onderwerp van de communicatie: 56
  179. 179 Interne communicatie: Soorten informatie en hun functies 57
  180. 180 Formele en informele communicatie 58
  181. 181 Communicatiestromen en -netwerken = beschrijven hoe informatie circuleert binnen een organisatie tussen leidinggevenden, middenkader, medewerkers, teams en afdelingen 60
  182. 182 We onderscheiden verticale, horizontale, diagonale communicatie en communicatienetwerken (zoals linking-pins) 60
  183. 183 Verticale communicatie Verticale communicatie loopt tussen verschillende hiërarchische niveaus 60
  184. 184 Er zijn twee richtingen 60
  185. 185 a) Neerwaartse of ‘top-down’ communicatie = Communicatie van de top  naar medewerkers. Dit is meestal de belangrijkste en meest gebruikte vorm van formele communicatie. 60
  186. 186 Voorbeelden: 60
  187. 187 Instructies, procedures 60
  188. 188 Evaluatiegesprekken 60
  189. 189 Infosessies 60
  190. 190 Telefoontjes/ mails van leiding naar team 60
  191. 191 Plannen en beleidswijzigingen 60
  192. 192 Top-down verloopt meestal ‘via de lijn’ De boodschap gaat door verschillende hiërarchische niveaus die op elk moment kunnen optreden als filters 60
  193. 193 Filters kunnen positief zijn: 60
  194. 194 Boodschap wordt verduidelijkt 60
  195. 195 Aangepast aan het team (vb. concreter gemaakt) 60
  196. 196 Filters kunnen negatief zijn: 60
  197. 197 Boodschap vervormt of verzwakt 60
  198. 198 Medewerkers krijgen verschillende versies 60
  199. 199 Belangrijke details verdwijnen 60
  200. 200 Daarom gebruiken organisaties vaak ook parallelle communicatie: 60
  201. 201 Zoals mails, nieuwsbrieven, intranet, zodat iedereen tegelijk dezelfde boodschap ontvangt 60
  202. 202 Rol van het middenkader: Het middenkader is cruciaal: 61
  203. 203 Zij staan tussen topmanagement en de werkvloer 61
  204. 204 Kent beide realiteiten 61
  205. 205 Vertaalt de boodschap naar het team 61
  206. 206 Heeft voeling met wat er ‘op de werkvloer’ leeft 61
  207. 207 Filtert, verduidelijkt of nuanceert info 61
  208. 208 Wat maakt top-down goed? (is via de lijn) De zender (leidinggevende): 61
  209. 209 Moet voldoende kennis hebben 61
  210. 210 Moet bereid zijn duidelijk te communiceren 61
  211. 211 Moet stoorzenders vermijden (ruis, onduidelijkheden, valse info) 61
  212. 212 Rol van organisatieleiding De top moet als filter enkel de belangrijke boodschappen selecteren, zoals: 61
  213. 213 Evaluatiegesprekken 61
  214. 214 Opleiding sessies 61
  215. 215 Personeelsblad 61
  216. 216 Grote beleidsmededeling 61
  217. 217 b) Opwaartse of ‘bottom-up’ communicatie = communicatie van medewerkers naar de top. Deze richting is essentieel omdat leiders anders geen zicht heeft op wat er leeft 61
  218. 218 Voorbeelden: 61
  219. 219 Wekelijkse follow-up sessies 61
  220. 220 Rapporten 61
  221. 221 Direct contact met leidinggevende 61
  222. 222 Feedback op management of beleid 61
  223. 223 Enquêtes, klachtenbox, ideeënbus 61
  224. 224 Informele gesprekken 61
  225. 225 Delegatie: Leiding moet niet alleen zenden, maar ook opvolgen wat ondergeschikten signaleren. Delegatie betekent: 61
  226. 226 Medewerkers krijgen verantwoordelijkheid 61
  227. 227 Hun input wordt meegenomen 61
  228. 228 Leiding moet luisteren en verwerken 61
  229. 229 Een voorwaarde voor effectieve bottom-up communicatie 61
  230. 230 Moeilijkheden bij bottom-up: 61
  231. 231 Medewerkers ervaren schroom (durven niet te spreken) 61
  232. 232 Informatie wordt opnieuw gefilterd door tussenliggende niveaus 61
  233. 233 Persoonlijke assistenten van managers hebben vaak veel macht over wat doorstroomt 61
  234. 234 Hoe groter de organisatie, hoe moeilijker en trager bottom-up verloopt 61
  235. 235 Vereisten van de ontvanger (leiding): De leiding moet beschikken over: 62
  236. 236 Communicatievaardigheden: luisteren, analyseren, feedback verwerken 62
  237. 237 Communicatiebereidheid: openstaan voor kritiek en ideeën 62
  238. 238 Geïnstitutionaliseerd bottom-up Organisaties maken bottom-up betrouwbaarder door officiële vormen zoals: 62
  239. 239 Jaarlijkse personeelsenquêtes 62
  240. 240 Formele evaluatiegesprekken 62
  241. 241 Regelmatige feedbackmomenten 62
  242. 242 Ideeënbus 62
  243. 243 Ondernemingsraad 62
  244. 244 Mintzberg: de vijf organisatietypen Mintzberg onderscheidt vijf organisatietypen, gebaseerd op: 64
  245. 245 Hoe ze gecoördineerd worden 64
  246. 246 Hoe de structuur eruit ziet 64
  247. 247 Hoe communicatie loopt 64
  248. 248 Belangrijk: elk type heeft een andere communicatiestijl (dit is examenmateriaal) 64
  249. 249 Machinebureaucratie: 64
  250. 250 Professionele bureaucratie: 64
  251. 251 Divisiestructuur: 65
  252. 252 Adhocratie: 65
  253. 253 Organisatiecultuur en interne communicatie 66
  254. 254 Stijl van leiding geven aan interne communicatie 66
  255. 255 Online interne communicatie 68
  256. 256 Corporate communicatie 69
  257. 257 Imago 69
  258. 258 Identiteit 70
  259. 259 Identiteit 70
  260. 260 Wie de organisatie echt is 70
  261. 261 Niet wie ze zegt dat ze is, maar wat ze in praktijk toont door: waarden, gedrag, cultuur, symbolen (logo, kleding, inrichting,..), manier van werken… 70
  262. 262 Het zijn de echte, dagelijkse kenmerken van de organisatie 70
  263. 263 Voorbeeld: een bedrijf dat echt duurzaam werkt  gebruikt groene energie, gerecycleerd materiaal en doet inspanningen 70
  264. 264 Gewenste identiteit: 70
  265. 265 Hoe de organisatie wil overkomen (beeld dat ze graag willen uitstralen) 70
  266. 266 De organisatie probeert dit te tonen via: campagnes, huisstijl, missie en visie, communicatie.. 70
  267. 267 Voorbeeld: een bedrijf wil bekendstaan als ‘innovatief’, ook al werkt het nog niet op alle vlakken innovatief 70
  268. 268 De relatie tussen imago en gewenste identiteit In praktijk komen imago & identiteit vaak NIET overeen 70
  269. 269 Aspecten van het corporate imago (Vos) 71
  270. 270 Image-of impressiemanagement 73
  271. 271 De online reputatie van een organisatie 75
  272. 272 Marketingcommunicatie-mix Bestaat uit twee hoofdvormen 76
  273. 273 Marketingcommunicatie in het digitale tijdperk 78
  274. 274 Merken of “brands” 79
  275. 275 Merken (brands) 79
  276. 276 Ontstaan vanaf 19e eeuw: 80
  277. 277 Massacommunicatie-onderzoek: 80
  278. 278 Richt zich op 3 zaken: 80
  279. 279 Organisatie-Interne factoren die inhoud beïnvloeden: 81
  280. 280 Externe factoren die inhoud beïnvloeden: Mediaorganisaties staan niet los van samenleving. Ze krijgen druk van buitenaf: 81
  281. 281 Kern= inhoud 82
  282. 282 Een organisationele benadering van de nieuwsproductie 82
  283. 283 De inhoud van het nieuws 82
  284. 284 Organisatie-interne en -externe factoren die de nieuwsinhoud beïnvloeden 84
  285. 285 Invloeden op het niveau van de mediaroutines Mediaroutines = vaste werkwijzen van nieuwsmakers 86
  286. 286 Invloeden op het niveau van de organisatie 91
  287. 287 Het dagbladbedrijf 93
  288. 288 Het televisiestation 93
  289. 289 Externe invloeden 96
  290. 290 Culturele/ideologische invloeden (algemeen kader): 97
  291. 291 Een organisationele benadering van de fictieproductie (in casu: de soapproductie) 99
  292. 292 De inhoud van soap opera’s 99
  293. 293 Organisatie-interne en -externe drukkingen op de inhoud van soaps 100
  294. 294 Wat is een mediatekst? 103
  295. 295 Open versus gesloten teksten 104
  296. 296 Soorten “lezingen” of “decoderingen” 104
  297. 297 Realisme van mediateksten 104
  298. 298 Analyse van mediateksten 105
  299. 299 Mediagenres (belangrijk!!!) 106
  300. 300 Nieuwssatire 108
  301. 301 Veranderde publieksconcepten 1ste visie: MASSA 109
  302. 302 2de visie: GROEP 109
  303. 303 3de visie: MARKT 109
  304. 304 4de visie: WEB 2.0 109
  305. 305 Onderzoekstradities in publieksonderzoek 110
  306. 306 Onderzoeksmethoden 112
  307. 307 Totstandkoming van een (Tv)-publiek 112
  308. 308 Structurele verklaringen voor tv-kijken: hoge kijkcijfers 112
  309. 309 USES AND GRATIFICATIONS: mediagebruik als doelbewuste behoeftebevrediging 114
  310. 310 1ste kritiek: “needs” 116
  311. 311 2de kritiek: erg individualistische theorie 116
  312. 312 3de kritiek: gebruikte methodes 116
  313. 313 4de kritiek: onderzoeksmethode 116
  314. 314 Integratie van beide perspectieven 116
  315. 315 Televisie 2.0 117
  316. 316 Mediablootstelling in het digitale tijdperk: opnieuw een kwestie van individuele en structurele verklaringen? 117
  317. 317  4 paradigma’s 118
  318. 318 Propaganda 118
  319. 319 Technieken van propaganda 118
  320. 320 Name-calling: 118
  321. 321 Tegenstanders negatief voorstellen, zwartmaken 118
  322. 322 Hen labels geven (vb. terroristen) 118
  323. 323 Glittering Generality: 118
  324. 324 Eigen kant positief voorstellen 118
  325. 325 Mooie, vage waarden gebruiken (vrijheid, eer) 118
  326. 326 tegenovergestelde van name-calling 118
  327. 327 Transfer: 119
  328. 328 Positieve gevoelens overdragen 119
  329. 329 Vb. vlag, of nationale symbolen gebruiken 119
  330. 330 Testimonial: 119
  331. 331 Bekend persoon gebruiken die steun geeft aan een bepaalde persoon of een bepaald idee 119
  332. 332 Hun doel: overtuigen 119
  333. 333 Vb. beroemdheden die partijen kiezen ( vb. beyoncé voor kamala harris) 119
  334. 334 Plain Folks: 119
  335. 335 Ze proberen zich als gewone mensen voor te doen om zo het vertrouwen te krijgen 119
  336. 336 Vb. Tom van Grieken die in cafe de Prof vat uitdeelde 119
  337. 337 Card stacking: 119
  338. 338 Feiten selectief tonen, vervorming van feiten, verkondiging van leugens… 119
  339. 339 Slechte info verzwijgen 119
  340. 340 Band wagon: 119
  341. 341 “Iedereen doet het” 119
  342. 342 Meelopen met de massa 119
  343. 343 Vb. zeggen dat iedereen stemt op een bepaalde partij dus je gaat ook stemmen op die partij 119
  344. 344 Payne fund studies 119
  345. 345 War of the worlds (1938) – Orson Wells 119
  346. 346 Studie naar aanleiding van deze gebeurtenis: 120
  347. 347 studie van paniekgedrag 120
  348. 348 Besluit: De impact van media niet voor iedereen hetzelfde 120
  349. 349 Media hadden invloed, maar…spelen een cruciale rol: 120
  350. 350 Persoonlijke kenmerken 120
  351. 351 Kritisch denken 120
  352. 352 Sociale context 120
  353. 353 The people’s choice Onderzoek van Eric County 121
  354. 354 Effecten van mediacampagnes: De effecten van mediacampagnes werden in drie groepen onderverdeeld: 122
  355. 355 Besluit: 122
  356. 356 Het onderzoek toont aan dat massamedia het stemgedrag niet rechtsreeks veranderen 122
  357. 357 Media werken vooral versterkend en activerend bij bestaande overtuigingen, terwijl de echte meningsverandering meestal via persoonlijke contacten gebeurt 122
  358. 358 Dit leidde tot de two-step flow-hypothese, waarbij media invloed uitoefenen via opinieleiders 122
  359. 359 Aanvulling 1: de two-step-flow en multi-step-flow-hypothese 123
  360. 360 Two-step-flow hypothese 123
  361. 361 Aanvulling 2: wie zijn de opinieleiders? 124
  362. 362 Aanvulling 3: kennisklooftheorie (Tichenor, Donohue, Olien) 124
  363. 363 Iowa-studie 125
  364. 364 Experiments with film en communication and persuasion Studies van Carl Hovland 127
  365. 365 Zender kenmerken 128
  366. 366 Inhoudskenmerken 128
  367. 367 Vormelijke kenmerken 128
  368. 368 Ontvangerskenmerk 128
  369. 369 Kenmerken van de ontvanger spelen ook een rol (vb. groepslidmaatschap) 128
  370. 370 Mensen die zich sterk met een groep identificeren, nemen moeilijker een eigen, afwijkende mening aan 128
  371. 371 Voor en nadelen van beperkten-effect-paradigma Nadelen: 129
  372. 372 Voordelen: 129
  373. 373 Het actieve publiek: uses and gratifications 129
  374. 374 3. Lange termijn effecten Uitgangspunten 129
  375. 375 Agendasetting 130
  376. 376 De zwijgspiraal - Noelle Neumann 131
  377. 377 Gevolg: zwijgspiraal 132
  378. 378 Mensen met een minderheidsopinie zwijgen uit angst voor uitsluiting 132
  379. 379 Daardoor lijkt de dominante mening nog sterker aanwezig 132
  380. 380 Dit versterkt opnieuw het gevoel bij anderen dat hun afwijkende mening “niet kan” 132
  381. 381 Een zelfversterkend proces: hoe meer mensen zwijgen, hoe dominanter één mening wordt 132
  382. 382 Kritiek op zwijgspiraal 132
  383. 383 Cultivatietheorie - George Gerbner 132
  384. 384 De cultivatie-analyse als onderdeel van het ruimere culturele indicatoren-project Het indicatoren-project bestaat uit 3 onderzoeksluiken 133
  385. 385 De cultivatie-analyse: methode 133
  386. 386 De cultivatie-analyse en TV geweld 134
  387. 387 Kritiek op de cultivatietheorie 134
  388. 388 4. Nieuwe media effecten- paradigma (Lange termijn effecten) 135
  389. 389 Kritiek op McLuhan 135
  390. 390 Kritische ‘cultural studies’ en de media 135
  391. 391 Media-effecten in de nieuwe media omgeving 136
  392. 392 Web 2.0 en verdere evolutie 136
  393. 393 Artificiële intelligentie 137
  394. 394 5 kenmerken van nieuwe media 137
  395. 395 Digitaly 138
  396. 396 Belangrijke consequenties van digitalisering 138
  397. 397 Interactivity 139
  398. 398 Verschillende vormen van interactiviteit 139
  399. 399 Hypertext 139
  400. 400 Dispersal (verspreiding) 140
  401. 401 Productie 140
  402. 402 Virtuality 140
  403. 403 Convergentie 141
  404. 404 ‘Genetwerkt’: Het internet 141
  405. 405 Geschiedenis van het internet 142
  406. 406 Wat is het internet? 142
  407. 407 Inter = tussen 142
  408. 408 Net = netwerk 142
  409. 409 Internet = netwerk van computers 142
  410. 410 Integreert: 142
  411. 411 Interpersoonlijke communicatie 142
  412. 412 Organisatiecommunicatie 142
  413. 413 massacommunicatie 142
  414. 414 Communicatie verliep (oorspronkelijk) via telefoonlijnen 142
  415. 415 Eerste stap richting internet: 142
  416. 416 Voordelen: 142
  417. 417 Naar een globaal netwerk 143
  418. 418 Verschillende soorten netwerken 143
  419. 419 Coöperatieve netwerken (vb Fidonet, Usenet) 143
  420. 420 Commerciële netwerken 143
  421. 421 Local area networks (LAN’s) 143
  422. 422 Netwerken van grote mediabedrijven 143
  423. 423 Het WWW Web 1.0 144
  424. 424 De terugval van het internet: 144
  425. 425 De dotcom bubble 144
  426. 426 Eind jaren 1990 ontstond een elektronische “gold rush” 144
  427. 427 Grote overoptimistische verwachtingen over winst via internet 144
  428. 428 Kenmerken: 144
  429. 429 Bedrijven investeerden massaal in online projecten en marketing 144
  430. 430 Veel bedrijven voegden “.com” toe aan hun naam 144
  431. 431 Aandelenkoersen stegen snel 144
  432. 432 Probleem: 144
  433. 433 Veel projecten maakten geen winst 144
  434. 434 In maart 2000 barstte de dotcom bubble 144
  435. 435 Gevolgen: 144
  436. 436 Aandelen helderen 144
  437. 437 Veel online- en communicatienetwerken verloren hun job 144
  438. 438 Wikis (vb. Wikipedia) 145
  439. 439 Folksonomies 145
  440. 440 Mashups 145
  441. 441 Social network sites 145
  442. 442 De interactie tussen technologische kenmerken en gebruikers 147
  443. 443 Computer- mediated communications (CMC) en de sociale relaties 149
  444. 444 Social Presence Theory 149
  445. 445 Focus op het gevoel van sociale aanwezigheid 149
  446. 446 Hoe “aanwezig” voelt de andere persoon? 149
  447. 447 CMC: lage sociale aanwezigheid en minder nabijheid of betrokkenheid 149
  448. 448 Gevolg: communicatie voelt afstandelijker dan FTF 149
  449. 449 Media Richness Theory 149
  450. 450 Media wordt gerangschikt volgens rijkdom van informatie 149
  451. 451 Rijke media: veel signalen tegelijk (vb. FTF) 149
  452. 452 Arme media: weinig signalen (vb. tekst) 149
  453. 453 Idee: sommige media zijn beter geschikt voor bepaalde boodschappen 149
  454. 454 CMC is vaak binder geschikt voor complexe of emotionele communicatie 149
  455. 455 Social information Processing theory (SIP) 149
  456. 456 SIDE (social identity model of deindivation effects) 150
  457. 457 Van online interpersoonlijke relaties naar online communities 150
  458. 458 Mass-self communication (doet iedereen door Web 3.0) 151
  459. 459 Werking van social media (grafisch model) 151
  460. 460 Zelfpresentatie op sociale media 151
  461. 461 Gratificaties: noden van gsm gebruiken? 152
  462. 462 Externe factoren: wat stimuleert dit gebruik? 152
  463. 463 War of the Worlds (en onderzoek van Cantril) 153
  464. 464 The People’s Choice + aanvullingen 153
  465. 465 Iowa Study of Hybrid Seed Corn + aanvullingen 154
  466. 466 “Experiments with Film” en “Communication and persuasion”(Uses and gratifications) 154
  467. 467 Mc Combs & Shaw: agendasetting 154
  468. 468 Zwijgspiraal van Noelle-Neuman 154
  469. 469 Cultivatietheorie van George Gerbner 155
  470. 470 Mediatheorie (McLuhan) & Cultural Studies 155
  471. 471 Media-effecten in de nieuwe media-omgeving (Valkenburg, Peter & Walther) 155

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
16 januari 2026
Aantal pagina's
155
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
$13.56

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
7
Volgers
0
Items
4
Laatst verkocht
2 weken geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen