-
01
FACTOREN
23
-
02
FUNCTIES
23
-
03
Zender
23
-
04
Emotieve functie
23
-
05
Ontvanger
23
-
06
Conatieve functie
23
-
07
Contact (psychisch/ fysiologisch)
23
-
08
Fatische functie
23
-
09
Boodschap
23
-
10
Poëtische functie
23
-
11
Context (=hetgene waaraan de booschap refereert)
23
-
12
Referentiële boodschap
23
-
13
Code
23
-
14
Metalinguïtische functie
23
-
15
Geschiedenis
2
-
16
Wat is communicatie
3
-
17
Twee belangrijke perspectieven (Heath & Bryant)
3
-
18
1. Processchool:
3
-
19
ziet communicatie als transmissie/ overdracht van boodschappen
3
-
20
Nadruk: hoe zender en ontvanger encoderen en decoderen, hoe kanalen en media efficiënt kunnen worden ingezet
3
-
21
Communicatie = strategisch beïnvloedingsproces
3
-
22
3. Proces—versus betekeniscreatieschool
3
-
23
Breek- of discussiepunten
4
-
24
2. Geslaagdheid als criterium Geslaagde versus niet geslaagde communicatie? Wat is geslaagde communicatie (volgens Fauconnier)?
5
-
25
3. Richting van de communicatie?
5
-
26
4. Observatieniveau In de communicatiewetenschappen beperkt men zich tot “menselijke” communicatie
6
-
27
Elementen van het communicatieproces = bron/ zender verstuurt boodschap waarbij een gedachte-inhoud wordt omgezet in tekens, die d.m.v. een medium worden omgezet in signalen die via een kanaal worden doorgestuurd naar de ontvanger
7
-
28
Ontvanger/bestemmeling
7
-
29
Boodschap
7
-
30
Signaal =Dragers van tekens (bv. luchttrillingen, lichtgolven) vb. woorden/ tekens worden via luchttrillingen verzonden.
9
-
31
Kanaal = drager van het signaal; de weg of materie waarlangs signalen worden verstuurd
9
-
32
Medium = object of technisch middel dat de boodschap draagt of het tot uiting brengt zodat het via de zintuigen kan worden waargenomen (= hulpmiddel waardoor een boodschap bij de ontvanger komt)
9
-
33
Vb. massacommunicatie: televisie, krant, radio: het apparaat zelf is het medium.
9
-
34
Vb. face-to-face: stem kan gezien worden als medium, woorden (tekens) worden via de stem omgezet in luchttrillingen (signaal) die door het kanaal (lucht) naar de ontvanger gaan.
9
-
35
Andere vb’en. Briefje op de muur, grafitti, wegmarkering,..
9
-
36
Ruis = elke stimulus die de ontvangst of interpretatie van een boodschap belemmerd (volgt processchool) Soorten ruis:
10
-
37
De zender drukt iets uit (een boodschap) en draagt dit over aan de ontvanger door middel van tekens, dit kunnen verbale (woorden) of non-verbale (gebaren, symbolen) stimuli zijn
18
-
38
Taal is daarbij het belangrijkste communicatiesysteem van de mens
18
-
39
Taal stelt ons in staat om:
18
-
40
Betekenissen te creëren
18
-
41
Betekenissen te delen
18
-
42
Werkelijkheid te benoemen
18
-
43
Elk teken is een voertuig van betekenis (bestaan uit 2 componenten):
18
-
44
Signifiant (betekenaar) = de vorm (klanken, woorden, gebaren, kleuren,…)
18
-
45
Signifié (betekende)= de betekenis of het concept dat in ons hoofd wordt opgeroepen. Vb. het woord ‘boom’ is een afgesproken teken voor het object dat we ermee bedoelen: het had evengoed iets anders kunnen betekenen
18
-
46
Een teken verbindt inhoud met vorm
18
-
47
Soorten tekens:
18
-
48
Symbolen: hebben geen natuurlijke relatie tussen betekenaar en betekende; de betekenis is cultureel bepaald door conventie
18
-
49
Vb. het woord ‘tafel’ verwijst naar een object omdat we dat zo afgesproken hebben
18
-
50
Iconen: er is een fysieke gelijkenis tussen betekenaar en betekende.
18
-
51
Vb. een foto, een pictogram of een emoji
18
-
52
Indices (aanwijzingen): er is een rechtstreeks, sensorisch verband tussen A en B
18
-
53
Vb. rook (A) verwijst naar vuur (B): donkere wolken naar regen
18
-
54
Taal bestaat uit symbolen: er is geen natuurlijke relatie tussen het woord en het object, enkel een conventie
18
-
55
Natuurlijke taal = taal die spontaan ontstaan is binnen een menselijke gemeenschap en die kinderen van jongs af aan leren als moedertaal (vb. Nederlands, Engels, Frans,..) Kenmerken
18
-
56
Artificiële taal
19
-
57
De fundamentele eigenschappen van taal TAAL:
19
-
58
1. Bestaat uit symbolen
19
-
59
2. Is een kennisgeheel
19
-
60
3. Bestaat uit regels en is productief
19
-
61
4. Beïnvloedt ons beeld van de werkelijkheid
19
-
62
Er bestaan 2 soorten tekenrelaties
19
-
63
Kennisgeheel
19
-
64
Beïnvloed beeld van de werkelijkheid
20
-
65
Taalvormen
20
-
66
Welke kennis heb je nodig Klanken
21
-
67
Klankensysteem- Fonologie
21
-
68
Woorden Betekenissysteem = klanken gecombineerd tot een bepaalde betekenis.
21
-
69
Zinnen Syntaxis= wetenschap die zich concentreert op de zinsstructuur van een taal
21
-
70
Sociale context van taal Effectieve communicatie= sprekers moeten het juiste zeggen, op het juiste moment en op de juiste manier Context is cruciaal om alles in perspectief te kunnen zetten, deze context noemt men pragmatiek
21
-
71
SPEECH ACT THEORY/ taalhandelingstheorie
22
-
72
Taal gebruiken= een vorm van handelen
22
-
73
Als we spreken voeren we een handeling uit met woorden Vb. “Ik beloof om morgen langs te komen” dwz dat je een belofte maakt, en handeling, die andere persoon die handelt ook naar wat je hebt gezegd
22
-
74
Taal om bepaalde doelen te bereiken (doel= speech act)
22
-
75
Succesvolle communicatie= relatie begrijpen tussen klanken, woorden en zinnen + de speech act die ze representeren
22
-
76
Zinnen kunnen meer dan één pragmatisch structuur bevatten= dezelfde zin kan verschillende doelen (speech acts) hebben Vb. “Heeft u een horloge? “; op straat is dat om de tijd te weten, in een enquête om te weten of je het sieraad bezit, te laat in de les kan het als kritiek zijn OF “Heb je het boek gelezen?”: vrienden die het vragen: eerlijk,mening,… terwijl leerkracht dit jan doen tijdens een spreekbeurt
22
-
77
COORDINATED MANAGEMENT OF MEANING THEORY
22
-
78
Zorg dat we rekening moeten houden met 4 soorten context:
22
-
79
1. Episode: situatie waarin we ons bevinden Vb. “doe het raam een dicht”, kan anders overkomen als baas vs. wn
22
-
80
2. Relatie: rolverplichting tegenover ontvangen, taal aanpassen aan relatie met ontvanger Vb. president versus ‘volgers’ (rolverplichting die we ervaren’, vb: zou je het raam eens willen dichtdoen ik heb het koud
22
-
81
3. Levensscript: professionele of persoonlijke identiteit
22
-
82
4. Cultureel patroon: culturele normen die we delen met anderen; andere manier van communicatie met andere culturen
22
-
83
Vb. als spreker professionele identiteit van ‘harde advocaat’ (life script) heeft die betrokken is in een kruisverhoor (episode) met een vijandige getuige (relatie) in een gerechtshof in de VS (cultureel patroon) zit, moet hij of een bepaalde manier communiceren. Als hij daarna met zijn partner gaat eten, dient hij die stijl drastisch te veranderen
22
-
84
Functioneel structuralisme: Onderscheid functies van taal voor een communicatieproces
22
-
85
Emotieve functie = houding dat de zender tegenover wat hij connoteert/ drukt attitudes of emoties uit Vb. “Gelukkig was hij er niet!”, “Verdorie, ik heb het weer fout gedaan!”
23
-
86
Conatieve functie = iets gedaan te krijgen bij de ontvanger of die zijn attitudes beïnvloeden (klemtoon ontvanger) Vb. “Kom!”
23
-
87
Fatische functie = berichten die er in de plaats toedienen om communicatie tot stand te brengen, voort te zetten of af te breken Vb. “Zeg, luister je nog?”, “Ben je nog mee?”
23
-
88
Poëtische functie = klemtoon ligt op talige boodschap (poëzie, spreekwoorden en zegswijze) Vb. “Heerlijk, helder, Heiniken”
23
-
89
Referentiële functie = nadruk ligt op de referent; puur om te omschrijven Vb. “Hij liep gisteren op straat”
23
-
90
Metalinguïstische functie = wordt vervuld wanneer de zender en/of ontvanger genoodzaakt zijn na te gaan of ze dezelfde code gebruiken; men spreekt over taal en nadruk ligt op code Vb. ‘Wat bedoel je met de “schacht”? die bij ons op kot zit’
23
-
91
Pragmatische stijlen en structuren
23
-
92
2 vormen: PRIVAAT en PUBLIEK:
25
-
93
Principes van Grice (1975) Aan de basis van gebalanceerde, succesvolle communicatie liggen principes
26
-
94
Small talk = informele en oppervlakkige conversatie vooral voorkomt aan het begin en einde van een interactie
27
-
95
Het gaat om luchtige, niet-controversiële onderwerpen (“koetjes en kalfjes”) die helpen de sociale sfeer te regelen in plaats van inhoud over te brengen
27
-
96
Heeft fatische functie: het onderhoudt het sociale contact zonder diepgaande info uit te wisselen
27
-
97
Functies van small talk 1. Organiserende & structurerende functie = helpt om de communicatie te organiseren en te sturen
27
-
98
2. Rituele functie = small talk is vaak ritueel en routinematig:
27
-
99
Twee specifieke functies van Small talk
27
-
100
Verschillende topics binnen small talk: Afhankelijk van de sociale verhouding of machtsverhouding tussen gesprekspartners, verschilt het type small talk:
28
-
101
Geografische verschillen = taalgebruik verschilt ook sterk tussen regio’s en dialecten
30
-
102
Leeftijdsverschillen =taal evolueert met leeftijd:
30
-
103
Opleidingsniveau =sociale identiteit te zien in ons taalgebruik
30
-
104
Taal evolueert voortdurend = taal past zich aan aan maatschappelijke veranderingen
30
-
105
Taal en culturele verschillen =Taal evolueert voortdurend, zelfs binnen één cultuur
30
-
106
Vb. het woord dagdagelijks werd enkele jaren geleden erkend, maar is nu niet meer officieel. Ook media, zoals De Standaard, volgen deze evoluties (vb. test over jongerentaal) We kunnen dus dezelfde taal spreken, maar toch een miscommunicatie ervaren door culturele verschillen in taalgebruik en context
30
-
107
Contextafhankelijkheid (2 soorten) Hoe exact moet je communiceren? Dit hangt af van cultuur:
31
-
108
Verbale directheid
31
-
109
Formaliteit
31
-
110
Kenmerken van non-verbale communicatie Non-verbale communicatie is onmiddellijk, continu en natuurlijk
32
-
111
Voor welk soort informatie is non-verbale communicatie belangrijk? Eerste indrukken
33
-
112
Relationele informatie =Via tekens zien we hoe de interactie verloopt en wat de andere denkt
33
-
113
Emoties uitdrukken
33
-
114
Versterking of verwarring
33
-
115
Wisselwerking NVC-VC
33
-
116
1. Emblemen = gedragingen met een directe verbale vertaling (“stille woorden”)
35
-
117
2. Illustratoren = gebaren die de taal ondersteunen of uitbeelden
35
-
118
3. Regulatoren = non-verbale tekens die als “verkeerssignalen” werken tijdens interacties
35
-
119
4. Affectvertoners = lichaamsbewegingen of gezichtsuitdrukkingen die onze emotionele toestand tonen
35
-
120
5. Adaptoren = repetitief, nerveus, of zelf aanpassend gedrag dat stress of spanning helpt te reguleren
36
-
121
2. Spiegelen (imitatie van houding)
36
-
122
Proxemics = studie van territorialiteit en ruimtegebruik = het onderzoekt hoe mensen ruimte gebruiken in hun interacties en welke betekenis dat gebruik heeft
37
-
123
Soorten territoria Territorium= ruimte die iemand als ‘van zichzelf’ beschouwt of waarin bepaalde gedragsregels gelden
37
-
124
Persoonlijke ruimte = een draagbaar territorium dat we overal meenemen = de afstand die we houden tot anderen hangt af van:
38
-
125
Haptics
38
-
126
Chronemics = de studie van tijdsgedrag- hoe tijd invloed heeft op communicatie
39
-
127
3 soorten van tijdsoriëntaties
39
-
128
Fysieke kenmerken
40
-
129
Lichaamsbouw (somatotypes)
40
-
130
Grootte
40
-
131
Kleding
40
-
132
Taal van objecten = voorwerpen en bezittingen (zoals kleding, interieur, gadgets) die een boodschap over onszelf communiceren = ze drukken waarden, status, rijkdom of identiteit uit
40
-
133
Vb. nieuwste iPhone= teken van trendbewustheid of financiële status
40
-
134
Vb. inrichting van huis= weerspiegelt persoonlijkheid
40
-
135
Worden bewust of onbewust gebruikt als communicatiemiddel (impressiemanagement)
40
-
136
Paralinguïstiek/ Vocalics = de wijze waarop woorden worden uitgesproken (vb. klemtoon, haperingen, stiltes,..)
40
-
137
4 definities:
43
-
138
Verschil tussen communicatie met bekenden en onbekenden:
43
-
139
Onbekenden: formeel, beperkt tot algemene onderwerpen (weer, school, werk,..)
43
-
140
Bekenden (vrienden, familie, partner): informeel, ontspannen, open. Meer persoonlijke onderwerpen. Je bepaalt zelf wat je deelt
43
-
141
Verschillende regels:
43
-
142
Tienstappenmodel van Knapp = beschrijft hoe relaties ontstaan, zich verdiepen en soms eindigen.
44
-
143
De focus ligt op communicatie als motor van deze ontwikkeling:
44
-
144
Er zijn 2 grote fases:
44
-
145
Toenaderingsfase:
44
-
146
Verwijderingsfase
45
-
147
Interpersoonlijke aantrekkingskracht: De filtertheorie (Duck) = waarom en hoe we ons aangetrokken voelen tot bepaalde mensen en relaties aangaan
46
-
148
Zelfonthulling: = vrijwillig persoonlijke info over jezelf delen, die anderen anders niet zouden weten (proces is essentieel voor het ontwikkelen van intieme, vertrouwelijke relaties) Vb. je vertelt wat je voelt, denkt, hebt meegemaakt of waar je bang voor bent
47
-
149
Belang:
47
-
150
Vergroot vertrouwen, intimiteit en verbondenheid
47
-
151
Helpt de ander je beter te begrijpe,
47
-
152
Risico’s:
47
-
153
Je maakt jezelf kwetsbaar, want je persoonlijke info is in macht
47
-
154
Reactie van de ander kan positief of negatief zijn
47
-
155
Belangrijk;
47
-
156
Denkt na wat, wanneer, en tegen wie je iets vertelt
47
-
157
Doe dit geleidelijk: van kleine naar meer persoonlijke onthullinhen
47
-
158
Zoek balans: beide personen moeten ongeveer evenveek weten
47
-
159
Gender:
47
-
160
Vrouwen onthullen meestal meer dan mannen
47
-
161
Resultaat:
47
-
162
Sterkere, meer vertrouwelijke relatie
47
-
163
Johari-venster: = toont aan wat mensen wel en niet van zichzelf weten
47
-
164
Spanningsvelden binnen relaties hebben betrekking op dialectieken = elke relatie bevat tegenstrijdige behoeften die in balans moeten blijven
48
-
165
Autonomie vs. samenhorigheid
48
-
166
Innovativiteit vs voorspelbaarheid
48
-
167
Macht in een relatie
49
-
168
7 vormen van afwijzende communicatie op een rijtje (Sieburg)
49
-
169
Groepscommunicatie
49
-
170
3 belangrijke soorten groepen
50
-
171
In een groep zijn 2 dingen belangrijk
52
-
172
2 soorten leiderschap
52
-
173
In sommige groepen zijn dit 2 verschillende personen
52
-
174
1) Intrede in een groep Wanneer iemand nieuw in een groep komt, ontstaat er altijd een voorzichtige fase waarin zowel de nieuweling als de bestaande leden elkaar aftasten,
53
-
175
2) Groepsontwikkeling
53
-
176
Een organisatie:
56
-
177
Doelgroep die de organisatie aanspreekt:
56
-
178
Het onderwerp van de communicatie:
56
-
179
Interne communicatie: Soorten informatie en hun functies
57
-
180
Formele en informele communicatie
58
-
181
Communicatiestromen en -netwerken = beschrijven hoe informatie circuleert binnen een organisatie tussen leidinggevenden, middenkader, medewerkers, teams en afdelingen
60
-
182
We onderscheiden verticale, horizontale, diagonale communicatie en communicatienetwerken (zoals linking-pins)
60
-
183
Verticale communicatie Verticale communicatie loopt tussen verschillende hiërarchische niveaus
60
-
184
Er zijn twee richtingen
60
-
185
a) Neerwaartse of ‘top-down’ communicatie = Communicatie van de top naar medewerkers. Dit is meestal de belangrijkste en meest gebruikte vorm van formele communicatie.
60
-
186
Voorbeelden:
60
-
187
Instructies, procedures
60
-
188
Evaluatiegesprekken
60
-
189
Infosessies
60
-
190
Telefoontjes/ mails van leiding naar team
60
-
191
Plannen en beleidswijzigingen
60
-
192
Top-down verloopt meestal ‘via de lijn’ De boodschap gaat door verschillende hiërarchische niveaus die op elk moment kunnen optreden als filters
60
-
193
Filters kunnen positief zijn:
60
-
194
Boodschap wordt verduidelijkt
60
-
195
Aangepast aan het team (vb. concreter gemaakt)
60
-
196
Filters kunnen negatief zijn:
60
-
197
Boodschap vervormt of verzwakt
60
-
198
Medewerkers krijgen verschillende versies
60
-
199
Belangrijke details verdwijnen
60
-
200
Daarom gebruiken organisaties vaak ook parallelle communicatie:
60
-
201
Zoals mails, nieuwsbrieven, intranet, zodat iedereen tegelijk dezelfde boodschap ontvangt
60
-
202
Rol van het middenkader: Het middenkader is cruciaal:
61
-
203
Zij staan tussen topmanagement en de werkvloer
61
-
204
Kent beide realiteiten
61
-
205
Vertaalt de boodschap naar het team
61
-
206
Heeft voeling met wat er ‘op de werkvloer’ leeft
61
-
207
Filtert, verduidelijkt of nuanceert info
61
-
208
Wat maakt top-down goed? (is via de lijn) De zender (leidinggevende):
61
-
209
Moet voldoende kennis hebben
61
-
210
Moet bereid zijn duidelijk te communiceren
61
-
211
Moet stoorzenders vermijden (ruis, onduidelijkheden, valse info)
61
-
212
Rol van organisatieleiding De top moet als filter enkel de belangrijke boodschappen selecteren, zoals:
61
-
213
Evaluatiegesprekken
61
-
214
Opleiding sessies
61
-
215
Personeelsblad
61
-
216
Grote beleidsmededeling
61
-
217
b) Opwaartse of ‘bottom-up’ communicatie = communicatie van medewerkers naar de top. Deze richting is essentieel omdat leiders anders geen zicht heeft op wat er leeft
61
-
218
Voorbeelden:
61
-
219
Wekelijkse follow-up sessies
61
-
220
Rapporten
61
-
221
Direct contact met leidinggevende
61
-
222
Feedback op management of beleid
61
-
223
Enquêtes, klachtenbox, ideeënbus
61
-
224
Informele gesprekken
61
-
225
Delegatie: Leiding moet niet alleen zenden, maar ook opvolgen wat ondergeschikten signaleren. Delegatie betekent:
61
-
226
Medewerkers krijgen verantwoordelijkheid
61
-
227
Hun input wordt meegenomen
61
-
228
Leiding moet luisteren en verwerken
61
-
229
Een voorwaarde voor effectieve bottom-up communicatie
61
-
230
Moeilijkheden bij bottom-up:
61
-
231
Medewerkers ervaren schroom (durven niet te spreken)
61
-
232
Informatie wordt opnieuw gefilterd door tussenliggende niveaus
61
-
233
Persoonlijke assistenten van managers hebben vaak veel macht over wat doorstroomt
61
-
234
Hoe groter de organisatie, hoe moeilijker en trager bottom-up verloopt
61
-
235
Vereisten van de ontvanger (leiding): De leiding moet beschikken over:
62
-
236
Communicatievaardigheden: luisteren, analyseren, feedback verwerken
62
-
237
Communicatiebereidheid: openstaan voor kritiek en ideeën
62
-
238
Geïnstitutionaliseerd bottom-up Organisaties maken bottom-up betrouwbaarder door officiële vormen zoals:
62
-
239
Jaarlijkse personeelsenquêtes
62
-
240
Formele evaluatiegesprekken
62
-
241
Regelmatige feedbackmomenten
62
-
242
Ideeënbus
62
-
243
Ondernemingsraad
62
-
244
Mintzberg: de vijf organisatietypen Mintzberg onderscheidt vijf organisatietypen, gebaseerd op:
64
-
245
Hoe ze gecoördineerd worden
64
-
246
Hoe de structuur eruit ziet
64
-
247
Hoe communicatie loopt
64
-
248
Belangrijk: elk type heeft een andere communicatiestijl (dit is examenmateriaal)
64
-
249
Machinebureaucratie:
64
-
250
Professionele bureaucratie:
64
-
251
Divisiestructuur:
65
-
252
Adhocratie:
65
-
253
Organisatiecultuur en interne communicatie
66
-
254
Stijl van leiding geven aan interne communicatie
66
-
255
Online interne communicatie
68
-
256
Corporate communicatie
69
-
257
Imago
69
-
258
Identiteit
70
-
259
Identiteit
70
-
260
Wie de organisatie echt is
70
-
261
Niet wie ze zegt dat ze is, maar wat ze in praktijk toont door: waarden, gedrag, cultuur, symbolen (logo, kleding, inrichting,..), manier van werken…
70
-
262
Het zijn de echte, dagelijkse kenmerken van de organisatie
70
-
263
Voorbeeld: een bedrijf dat echt duurzaam werkt gebruikt groene energie, gerecycleerd materiaal en doet inspanningen
70
-
264
Gewenste identiteit:
70
-
265
Hoe de organisatie wil overkomen (beeld dat ze graag willen uitstralen)
70
-
266
De organisatie probeert dit te tonen via: campagnes, huisstijl, missie en visie, communicatie..
70
-
267
Voorbeeld: een bedrijf wil bekendstaan als ‘innovatief’, ook al werkt het nog niet op alle vlakken innovatief
70
-
268
De relatie tussen imago en gewenste identiteit In praktijk komen imago & identiteit vaak NIET overeen
70
-
269
Aspecten van het corporate imago (Vos)
71
-
270
Image-of impressiemanagement
73
-
271
De online reputatie van een organisatie
75
-
272
Marketingcommunicatie-mix Bestaat uit twee hoofdvormen
76
-
273
Marketingcommunicatie in het digitale tijdperk
78
-
274
Merken of “brands”
79
-
275
Merken (brands)
79
-
276
Ontstaan vanaf 19e eeuw:
80
-
277
Massacommunicatie-onderzoek:
80
-
278
Richt zich op 3 zaken:
80
-
279
Organisatie-Interne factoren die inhoud beïnvloeden:
81
-
280
Externe factoren die inhoud beïnvloeden: Mediaorganisaties staan niet los van samenleving. Ze krijgen druk van buitenaf:
81
-
281
Kern= inhoud
82
-
282
Een organisationele benadering van de nieuwsproductie
82
-
283
De inhoud van het nieuws
82
-
284
Organisatie-interne en -externe factoren die de nieuwsinhoud beïnvloeden
84
-
285
Invloeden op het niveau van de mediaroutines Mediaroutines = vaste werkwijzen van nieuwsmakers
86
-
286
Invloeden op het niveau van de organisatie
91
-
287
Het dagbladbedrijf
93
-
288
Het televisiestation
93
-
289
Externe invloeden
96
-
290
Culturele/ideologische invloeden (algemeen kader):
97
-
291
Een organisationele benadering van de fictieproductie (in casu: de soapproductie)
99
-
292
De inhoud van soap opera’s
99
-
293
Organisatie-interne en -externe drukkingen op de inhoud van soaps
100
-
294
Wat is een mediatekst?
103
-
295
Open versus gesloten teksten
104
-
296
Soorten “lezingen” of “decoderingen”
104
-
297
Realisme van mediateksten
104
-
298
Analyse van mediateksten
105
-
299
Mediagenres (belangrijk!!!)
106
-
300
Nieuwssatire
108
-
301
Veranderde publieksconcepten 1ste visie: MASSA
109
-
302
2de visie: GROEP
109
-
303
3de visie: MARKT
109
-
304
4de visie: WEB 2.0
109
-
305
Onderzoekstradities in publieksonderzoek
110
-
306
Onderzoeksmethoden
112
-
307
Totstandkoming van een (Tv)-publiek
112
-
308
Structurele verklaringen voor tv-kijken: hoge kijkcijfers
112
-
309
USES AND GRATIFICATIONS: mediagebruik als doelbewuste behoeftebevrediging
114
-
310
1ste kritiek: “needs”
116
-
311
2de kritiek: erg individualistische theorie
116
-
312
3de kritiek: gebruikte methodes
116
-
313
4de kritiek: onderzoeksmethode
116
-
314
Integratie van beide perspectieven
116
-
315
Televisie 2.0
117
-
316
Mediablootstelling in het digitale tijdperk: opnieuw een kwestie van individuele en structurele verklaringen?
117
-
317
4 paradigma’s
118
-
318
Propaganda
118
-
319
Technieken van propaganda
118
-
320
Name-calling:
118
-
321
Tegenstanders negatief voorstellen, zwartmaken
118
-
322
Hen labels geven (vb. terroristen)
118
-
323
Glittering Generality:
118
-
324
Eigen kant positief voorstellen
118
-
325
Mooie, vage waarden gebruiken (vrijheid, eer)
118
-
326
tegenovergestelde van name-calling
118
-
327
Transfer:
119
-
328
Positieve gevoelens overdragen
119
-
329
Vb. vlag, of nationale symbolen gebruiken
119
-
330
Testimonial:
119
-
331
Bekend persoon gebruiken die steun geeft aan een bepaalde persoon of een bepaald idee
119
-
332
Hun doel: overtuigen
119
-
333
Vb. beroemdheden die partijen kiezen ( vb. beyoncé voor kamala harris)
119
-
334
Plain Folks:
119
-
335
Ze proberen zich als gewone mensen voor te doen om zo het vertrouwen te krijgen
119
-
336
Vb. Tom van Grieken die in cafe de Prof vat uitdeelde
119
-
337
Card stacking:
119
-
338
Feiten selectief tonen, vervorming van feiten, verkondiging van leugens…
119
-
339
Slechte info verzwijgen
119
-
340
Band wagon:
119
-
341
“Iedereen doet het”
119
-
342
Meelopen met de massa
119
-
343
Vb. zeggen dat iedereen stemt op een bepaalde partij dus je gaat ook stemmen op die partij
119
-
344
Payne fund studies
119
-
345
War of the worlds (1938) – Orson Wells
119
-
346
Studie naar aanleiding van deze gebeurtenis:
120
-
347
studie van paniekgedrag
120
-
348
Besluit: De impact van media niet voor iedereen hetzelfde
120
-
349
Media hadden invloed, maar…spelen een cruciale rol:
120
-
350
Persoonlijke kenmerken
120
-
351
Kritisch denken
120
-
352
Sociale context
120
-
353
The people’s choice Onderzoek van Eric County
121
-
354
Effecten van mediacampagnes: De effecten van mediacampagnes werden in drie groepen onderverdeeld:
122
-
355
Besluit:
122
-
356
Het onderzoek toont aan dat massamedia het stemgedrag niet rechtsreeks veranderen
122
-
357
Media werken vooral versterkend en activerend bij bestaande overtuigingen, terwijl de echte meningsverandering meestal via persoonlijke contacten gebeurt
122
-
358
Dit leidde tot de two-step flow-hypothese, waarbij media invloed uitoefenen via opinieleiders
122
-
359
Aanvulling 1: de two-step-flow en multi-step-flow-hypothese
123
-
360
Two-step-flow hypothese
123
-
361
Aanvulling 2: wie zijn de opinieleiders?
124
-
362
Aanvulling 3: kennisklooftheorie (Tichenor, Donohue, Olien)
124
-
363
Iowa-studie
125
-
364
Experiments with film en communication and persuasion Studies van Carl Hovland
127
-
365
Zender kenmerken
128
-
366
Inhoudskenmerken
128
-
367
Vormelijke kenmerken
128
-
368
Ontvangerskenmerk
128
-
369
Kenmerken van de ontvanger spelen ook een rol (vb. groepslidmaatschap)
128
-
370
Mensen die zich sterk met een groep identificeren, nemen moeilijker een eigen, afwijkende mening aan
128
-
371
Voor en nadelen van beperkten-effect-paradigma Nadelen:
129
-
372
Voordelen:
129
-
373
Het actieve publiek: uses and gratifications
129
-
374
3. Lange termijn effecten Uitgangspunten
129
-
375
Agendasetting
130
-
376
De zwijgspiraal - Noelle Neumann
131
-
377
Gevolg: zwijgspiraal
132
-
378
Mensen met een minderheidsopinie zwijgen uit angst voor uitsluiting
132
-
379
Daardoor lijkt de dominante mening nog sterker aanwezig
132
-
380
Dit versterkt opnieuw het gevoel bij anderen dat hun afwijkende mening “niet kan”
132
-
381
Een zelfversterkend proces: hoe meer mensen zwijgen, hoe dominanter één mening wordt
132
-
382
Kritiek op zwijgspiraal
132
-
383
Cultivatietheorie - George Gerbner
132
-
384
De cultivatie-analyse als onderdeel van het ruimere culturele indicatoren-project Het indicatoren-project bestaat uit 3 onderzoeksluiken
133
-
385
De cultivatie-analyse: methode
133
-
386
De cultivatie-analyse en TV geweld
134
-
387
Kritiek op de cultivatietheorie
134
-
388
4. Nieuwe media effecten- paradigma (Lange termijn effecten)
135
-
389
Kritiek op McLuhan
135
-
390
Kritische ‘cultural studies’ en de media
135
-
391
Media-effecten in de nieuwe media omgeving
136
-
392
Web 2.0 en verdere evolutie
136
-
393
Artificiële intelligentie
137
-
394
5 kenmerken van nieuwe media
137
-
395
Digitaly
138
-
396
Belangrijke consequenties van digitalisering
138
-
397
Interactivity
139
-
398
Verschillende vormen van interactiviteit
139
-
399
Hypertext
139
-
400
Dispersal (verspreiding)
140
-
401
Productie
140
-
402
Virtuality
140
-
403
Convergentie
141
-
404
‘Genetwerkt’: Het internet
141
-
405
Geschiedenis van het internet
142
-
406
Wat is het internet?
142
-
407
Inter = tussen
142
-
408
Net = netwerk
142
-
409
Internet = netwerk van computers
142
-
410
Integreert:
142
-
411
Interpersoonlijke communicatie
142
-
412
Organisatiecommunicatie
142
-
413
massacommunicatie
142
-
414
Communicatie verliep (oorspronkelijk) via telefoonlijnen
142
-
415
Eerste stap richting internet:
142
-
416
Voordelen:
142
-
417
Naar een globaal netwerk
143
-
418
Verschillende soorten netwerken
143
-
419
Coöperatieve netwerken (vb Fidonet, Usenet)
143
-
420
Commerciële netwerken
143
-
421
Local area networks (LAN’s)
143
-
422
Netwerken van grote mediabedrijven
143
-
423
Het WWW Web 1.0
144
-
424
De terugval van het internet:
144
-
425
De dotcom bubble
144
-
426
Eind jaren 1990 ontstond een elektronische “gold rush”
144
-
427
Grote overoptimistische verwachtingen over winst via internet
144
-
428
Kenmerken:
144
-
429
Bedrijven investeerden massaal in online projecten en marketing
144
-
430
Veel bedrijven voegden “.com” toe aan hun naam
144
-
431
Aandelenkoersen stegen snel
144
-
432
Probleem:
144
-
433
Veel projecten maakten geen winst
144
-
434
In maart 2000 barstte de dotcom bubble
144
-
435
Gevolgen:
144
-
436
Aandelen helderen
144
-
437
Veel online- en communicatienetwerken verloren hun job
144
-
438
Wikis (vb. Wikipedia)
145
-
439
Folksonomies
145
-
440
Mashups
145
-
441
Social network sites
145
-
442
De interactie tussen technologische kenmerken en gebruikers
147
-
443
Computer- mediated communications (CMC) en de sociale relaties
149
-
444
Social Presence Theory
149
-
445
Focus op het gevoel van sociale aanwezigheid
149
-
446
Hoe “aanwezig” voelt de andere persoon?
149
-
447
CMC: lage sociale aanwezigheid en minder nabijheid of betrokkenheid
149
-
448
Gevolg: communicatie voelt afstandelijker dan FTF
149
-
449
Media Richness Theory
149
-
450
Media wordt gerangschikt volgens rijkdom van informatie
149
-
451
Rijke media: veel signalen tegelijk (vb. FTF)
149
-
452
Arme media: weinig signalen (vb. tekst)
149
-
453
Idee: sommige media zijn beter geschikt voor bepaalde boodschappen
149
-
454
CMC is vaak binder geschikt voor complexe of emotionele communicatie
149
-
455
Social information Processing theory (SIP)
149
-
456
SIDE (social identity model of deindivation effects)
150
-
457
Van online interpersoonlijke relaties naar online communities
150
-
458
Mass-self communication (doet iedereen door Web 3.0)
151
-
459
Werking van social media (grafisch model)
151
-
460
Zelfpresentatie op sociale media
151
-
461
Gratificaties: noden van gsm gebruiken?
152
-
462
Externe factoren: wat stimuleert dit gebruik?
152
-
463
War of the Worlds (en onderzoek van Cantril)
153
-
464
The People’s Choice + aanvullingen
153
-
465
Iowa Study of Hybrid Seed Corn + aanvullingen
154
-
466
“Experiments with Film” en “Communication and persuasion”(Uses and gratifications)
154
-
467
Mc Combs & Shaw: agendasetting
154
-
468
Zwijgspiraal van Noelle-Neuman
154
-
469
Cultivatietheorie van George Gerbner
155
-
470
Mediatheorie (McLuhan) & Cultural Studies
155
-
471
Media-effecten in de nieuwe media-omgeving (Valkenburg, Peter & Walther)
155