Week 1;
Eigendomsvraag, natrekking
(Hoofdzaak, bestanddeel)
Door natrekking kan iemand eigenaar worden. Art. 5:3 BW.
Natrekking roerende zaken: 5:14 BW
Natrekking onroerende zaken 5:20 BW
Als er geen sprake is van natrekking kan oorspronkelijke eigenaar het goed
terugvorderen op grond van art. 5:2 BW.
Natrekking = een zaak wordt bestanddeel van een andere zaak, de hoofdzaak. De
eigenaar dan van die hoofdzaak wordt dan ook eigenaar van dat bestanddeel. (want
eigenaar goed is eigenaar van al haar bestanddelen.) De zaak kan dan niet meer als
afzonderlijk gezien worden.
Bepalen dan wat de hoofdzaak is en wat het bestanddeel is. Art. 5:14 lid 3.
Eigenaar hoofdzaak wordt bij natrekking tevens eigenaar van dat bestanddeel
namelijk.
Is er bestanddeelvorming?
Art. 3:4 BW
Begin met lid 2:
1) Het fysieke criterium/ materiele bestanddeelvorming (lid 2)
Kan het betreffende worden losgehaald zonder beschadiging van betekenis? (art. 3:4
lid 2) HR Glencore II
o Zijn de fysieke gevolgen (de beschadiging) van afscheiding van betekenis?
Kijken wat de gevolgen zijn na het verwijderen van betreffende
o Zijn er onevenredige inspanningen/kosten voor de afscheiding?
Brengt het afscheiden meer kosten met zich mee dan de waarde van de
desbetreffende zaken als geheel?
, Dan lid 1
2) volgens verkeersopvattingen/ ideële bestanddeelvorming
apparatuur in een bedrijfsgebouw moet volgens verkeersopvatting worden
aangemerkt als bestanddeel van het gebouw indien het afgestemd is op het
bedrijfsgebouw en indien het gebouw bij het ontbreken ervan als onvoltooid moet
worden beschouwd. Dus: afstemmingscriterium + compleetheidscriterium
HR Depex/Curatoren Bergel
o Afstemmingscriterium
Is de kleinere zaak inconstructatief speciaal afgestemd op de grotere zaak?
Is er bij constructie rekening gehouden met de andere zaak?
o Voltooiingscriterium
Is de hoofdzaak compleet zonder de kleinere zaak?
Functie bestanddeel is niet relevant.
Let op: lid 1 en 2 zijn nevengeschikte criteria. Als de 1 voldoet dan is er sprake al van
natrekking. Je gaat alleen het 2e criteria langs als de 1e leidde tot GEEN natrekking.
Sprake van bestanddeel? Er wordt voldaan? Dan wordt er nagetrokken op grond van
of 5:14 of 5:20 (en dan kijken welk geval, zal vooral e zijn)
, Verkrijging goederen door verjaring
Goederenrechtelijke actie
Dan kijk je of er vanuit goederenrechtelijke positie iets te doen is.
Stel X heeft het eigendom, dan kan X namelijk een actie van revindicatie instellen.
=art. 5:2 BW
Maar kan dat iemand anders eigenaar is geworden. Dit leerstuk: verkrijging goederen
door verjaring.
Wie is dus eigenaar?
Eerst kijken wie bezit heeft
o Art. 3:107 lid 1 jo. 3:108 BW
Er moet sprake zijn van bezit (houden van goed voor zichzelf). Naar
verkeersopvatting beoordeeld met inachtneming wettelijke regels en
uiterlijke feiten.
-feitelijke macht?
-duidelijk zichtbare en kenbare wijze rechthebbende pretenderen te zijn?
-hoe bezit gekregen? Inbezitneming bv?
-bezit goeder of kwader trouw? (3:11)
Als je weet dat het bezit niet van jezelf is, dan kwader trouw.
o Als daar sprake van is (kwader trouw) dan kan je geen beroep meer doen op
verkrijgende verjaring ex. Art. 3:99.
Maar je hebt dus 2 varianten van verjaring:
Twee varianten:
o 1) verkrijgende verjaring
Art. 3:99 lid 1: bezitter te goeder trouw (3:11) verkrijgt goed na
bepaalde tijdsperiode van onafgebroken bezit:
Voor RZ, NR = 3 jaar
Voor andere goederen = 10 jaar
o 2) bevrijdende verjaring (extinctieve verjaring)
Art. 3:105 lid 1 BW: bezitter verkrijgt goed door verjaring van de
rechtsvordering tot beëindiging van het bezit, OOK bij bezit niet te
goeder trouw (!); geen onafgebroken bezit vereist.
Art. 3:306: verjaringstermijn van 20 jaar
Art. 3:314: aanvang verjaringstermijn
HR landjepik, ro. 3.3.1. e.v.