Kijken naar leerlingen
I. Inleiding in de ontwikkelingspsychologie
1 Inleidende vragen en begrippen
1.1 IJsberg
Gedrag is wat je ziet (deel dat je ziet van de ijsberg).
Behoeften, verlangens en overtuigingen zie je niet (deel dat je niet ziet van de
ijsberg).
De context kan je niet zien in de klas maar kan je wel te weten komen
1.2 Casus Simon
Gedrag: schommeling in gedrag, tekening
Behoeften, verlangens en overtuigingen: nood aan veilige thuissituatie
Context: moeilijke thuissituatie
1.3 Terugkoppeling observatiestage
Waarom observeren we?
- Om de leerlingen te gaan begrijpen
- De les afstemmen op de beginsituatie
- Signalen oppikken
- Ouders die je gaan vertrouwen
1.4 Verschillen tussen kinderen
Cognitieve kenmerken:
- Intelligentie
Psychodynamische kenmerken:
- Attitude
Sociaal-emotionele kenmerken
- Omgaan met anderen
- Vriendschappen
Motorische kenmerken
1
, - Tekenen
- Waarnemingen
1.5 Hoe kinderen zich ontwikkelen
Nature: de invloed van genetische eigenschappen en de daarbij horende rijping op de
ontwikkeling van het kind -> erfelijk
- Invloed op intelligentie
- Lichaamslengte
- …
Nurture: de invloeden van de omgeving op de ontwikkeling van het kind -> ervaring
en context
- Invloeden leeftijdsgenoten, ouders
- Ziekten
- …
=>soms kunnen deze twee samen voorkomen!
Bij het aanleren van vaardigheden moet er rekening gehouden worden met een
sensitieve periode: op een bepaald gebied zal je gevoeliger zijn voor dat bepaald
onderwerp dan op een ander gebied
Kwalitatieve ontwikkeling: er zijn per fase vaardigheden die in het vorige stadium
nog niet aanwezig waren -> per fase leer je dingen bij die je in de vorige fase nog niet
kon
Kwantitatieve ontwikkeling: eigenschappen verschijnen of verdwijnen niet, maar
worden sterker of zwakker -> je wordt beter in iets dat je al bezit
2
,2 Periode en leeftijden
Periodes: geven fasen aan waar we belangrijke overgangen gaan bereiken
Verschillende
periodes: prenatale periode voor geboorte
babyperiode 0 - 18 maanden
peuterperiode 18 maanden - 3 jaar
kleuterperiode 3 - 6 jaar
lagere schoolperiode 6 - 12 jaar
adolescentieperiode 12 - 20 jaar
periode van de vroege
volwassenheid 20 - 30 jaar
periode van de volwassenheid 30 - 60 jaar
periode van de latere
volwassenheid ouder dan 60
Ontwikkelingsopgave: opdrachten die je op dat moment tot een goed einde moet
brengen -> opdrachten per fase waarvan verwacht wordt dat je deze voltooid
vooraleer je naar de volgende fase gaat.
Opvoedingstaken: reactie van de omgeving/opvoeders op de verschillende
ontwikkelingstaken -> zijn verschillend per fase
Belangrijk als leerkracht welke opvoedingstaken je hebt naargelang de leeftijd!
3 Visies op de ontwikkeling van kinderen
3.1 psychodynamische benadering
Ervaringen in de kindertijd zijn cruciaal voor verdere ontwikkeling en persoonlijkheid. -
> als er iets misloopt in je vroeger kinderjaren kan dit grote gevolgen hebben in je
latere leven.
Gevoelens en gedachten, psychische en/of psychomatische symptomen hebben een
oorsprong in je onbewuste.
Ook het gezin heeft een invloed op de ontwikkeling van het kind.
->therapie
Psycho-analyse: uiteenrafelen van de menselijke geest
Het is moeilijk te bewijzen door wetenschappelijk onderzoek
3.2 Behaviorisme
Ervaringen zijn nodig om gedrag aan te leren.
Leren is een kwestie van beleven -> nurture
3
, Dit heeft directe gevolgen voor de opvoeding en onderwijs -> effecten van straffen en
belonen
- Klassieke conditionering (associatie leren)
De persoon leert een toekomstige gebeurtenis voorspellen. Het brein werkt
associatief -> iemand zegt iets en dat triggert een bepaald gevoel.
IVAN PAVLOV
Hij leerde een hond kwijlen na het horen van een bel (dia 42 - 43)
WATSON
Paste het als eerste toe op mensen
- Operante conditionering
Je leert gedrag dat aanleiding geeft tot een bepaald gevolg. (goede punten,
stickers, geld, …)
Leren door gissen en missen
Leren door straffen en belonen/bekrachtigen
BELONINGEN
o Positieve bekrachtigers: aangenaam gevolg op gedrag
o Negatieve bekrachtigers: onaangenaams verdwijnt na gedrag
o Primaire bekrachtigers: beloning is belonend
o Secundaire bekrachtigers: beloning is aangeleerd
STRAFFEN
o Positieve straffen: onaangenaam gevolg op gedrag
o Negatieve straffen: aangenaams verdwijnt na gedrag
o Gewenning of habituatie: reactie op een prikkel verdwijnt als de prikkel
veel wordt aangeboden
o Uitdoving en negeren: als het gedrag niet meer wordt gevolgd door
gewenste effect
Combinatie -> nieuw gedrag ontstaat door klassieke conditionering wordt versterkt
door belonen
Bandura: leren gebeurt ook door te observeren en te imiteren
3.3 Cognitief-wetenschappelijk benadering
Infromatieverwerkingsbenadering
Niet meer welke ervaringen aan de grond liggen van het gedrag wel welke
denkprocessen een invloed hebben op het gedrag.
Onderwijs -> kennisschema’s
4
I. Inleiding in de ontwikkelingspsychologie
1 Inleidende vragen en begrippen
1.1 IJsberg
Gedrag is wat je ziet (deel dat je ziet van de ijsberg).
Behoeften, verlangens en overtuigingen zie je niet (deel dat je niet ziet van de
ijsberg).
De context kan je niet zien in de klas maar kan je wel te weten komen
1.2 Casus Simon
Gedrag: schommeling in gedrag, tekening
Behoeften, verlangens en overtuigingen: nood aan veilige thuissituatie
Context: moeilijke thuissituatie
1.3 Terugkoppeling observatiestage
Waarom observeren we?
- Om de leerlingen te gaan begrijpen
- De les afstemmen op de beginsituatie
- Signalen oppikken
- Ouders die je gaan vertrouwen
1.4 Verschillen tussen kinderen
Cognitieve kenmerken:
- Intelligentie
Psychodynamische kenmerken:
- Attitude
Sociaal-emotionele kenmerken
- Omgaan met anderen
- Vriendschappen
Motorische kenmerken
1
, - Tekenen
- Waarnemingen
1.5 Hoe kinderen zich ontwikkelen
Nature: de invloed van genetische eigenschappen en de daarbij horende rijping op de
ontwikkeling van het kind -> erfelijk
- Invloed op intelligentie
- Lichaamslengte
- …
Nurture: de invloeden van de omgeving op de ontwikkeling van het kind -> ervaring
en context
- Invloeden leeftijdsgenoten, ouders
- Ziekten
- …
=>soms kunnen deze twee samen voorkomen!
Bij het aanleren van vaardigheden moet er rekening gehouden worden met een
sensitieve periode: op een bepaald gebied zal je gevoeliger zijn voor dat bepaald
onderwerp dan op een ander gebied
Kwalitatieve ontwikkeling: er zijn per fase vaardigheden die in het vorige stadium
nog niet aanwezig waren -> per fase leer je dingen bij die je in de vorige fase nog niet
kon
Kwantitatieve ontwikkeling: eigenschappen verschijnen of verdwijnen niet, maar
worden sterker of zwakker -> je wordt beter in iets dat je al bezit
2
,2 Periode en leeftijden
Periodes: geven fasen aan waar we belangrijke overgangen gaan bereiken
Verschillende
periodes: prenatale periode voor geboorte
babyperiode 0 - 18 maanden
peuterperiode 18 maanden - 3 jaar
kleuterperiode 3 - 6 jaar
lagere schoolperiode 6 - 12 jaar
adolescentieperiode 12 - 20 jaar
periode van de vroege
volwassenheid 20 - 30 jaar
periode van de volwassenheid 30 - 60 jaar
periode van de latere
volwassenheid ouder dan 60
Ontwikkelingsopgave: opdrachten die je op dat moment tot een goed einde moet
brengen -> opdrachten per fase waarvan verwacht wordt dat je deze voltooid
vooraleer je naar de volgende fase gaat.
Opvoedingstaken: reactie van de omgeving/opvoeders op de verschillende
ontwikkelingstaken -> zijn verschillend per fase
Belangrijk als leerkracht welke opvoedingstaken je hebt naargelang de leeftijd!
3 Visies op de ontwikkeling van kinderen
3.1 psychodynamische benadering
Ervaringen in de kindertijd zijn cruciaal voor verdere ontwikkeling en persoonlijkheid. -
> als er iets misloopt in je vroeger kinderjaren kan dit grote gevolgen hebben in je
latere leven.
Gevoelens en gedachten, psychische en/of psychomatische symptomen hebben een
oorsprong in je onbewuste.
Ook het gezin heeft een invloed op de ontwikkeling van het kind.
->therapie
Psycho-analyse: uiteenrafelen van de menselijke geest
Het is moeilijk te bewijzen door wetenschappelijk onderzoek
3.2 Behaviorisme
Ervaringen zijn nodig om gedrag aan te leren.
Leren is een kwestie van beleven -> nurture
3
, Dit heeft directe gevolgen voor de opvoeding en onderwijs -> effecten van straffen en
belonen
- Klassieke conditionering (associatie leren)
De persoon leert een toekomstige gebeurtenis voorspellen. Het brein werkt
associatief -> iemand zegt iets en dat triggert een bepaald gevoel.
IVAN PAVLOV
Hij leerde een hond kwijlen na het horen van een bel (dia 42 - 43)
WATSON
Paste het als eerste toe op mensen
- Operante conditionering
Je leert gedrag dat aanleiding geeft tot een bepaald gevolg. (goede punten,
stickers, geld, …)
Leren door gissen en missen
Leren door straffen en belonen/bekrachtigen
BELONINGEN
o Positieve bekrachtigers: aangenaam gevolg op gedrag
o Negatieve bekrachtigers: onaangenaams verdwijnt na gedrag
o Primaire bekrachtigers: beloning is belonend
o Secundaire bekrachtigers: beloning is aangeleerd
STRAFFEN
o Positieve straffen: onaangenaam gevolg op gedrag
o Negatieve straffen: aangenaams verdwijnt na gedrag
o Gewenning of habituatie: reactie op een prikkel verdwijnt als de prikkel
veel wordt aangeboden
o Uitdoving en negeren: als het gedrag niet meer wordt gevolgd door
gewenste effect
Combinatie -> nieuw gedrag ontstaat door klassieke conditionering wordt versterkt
door belonen
Bandura: leren gebeurt ook door te observeren en te imiteren
3.3 Cognitief-wetenschappelijk benadering
Infromatieverwerkingsbenadering
Niet meer welke ervaringen aan de grond liggen van het gedrag wel welke
denkprocessen een invloed hebben op het gedrag.
Onderwijs -> kennisschema’s
4