• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 24 pages
Summary

Samenvatting Arresten Internationaal recht I (VUB)

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 24 pages

Alle te kennen arresten zijn in dit document volledig uitgewerkt. De relevantie van die arresten voor het internationaal recht is ook beschreven.

Content preview

ARRESTEN INTERNATIONAAL RECHT I



LOTUS-ZAAK (1927, PHIJ)
1. Feiten van de Lotuszaak
 Datum incident: 2 augustus 1926
 Locatie: volle zee
 Schepen:
o S.S. Lotus (Frans schip, Franse vlag)
o S.S. Boz-Kurt (Turks schip, Turkse vlag)
 Gebeurtenis: aanvaring tussen beide schepen.
 Gevolg: de Boz-Kurt zonk; 8 Turkse zeelieden kwamen om.
 Na de aanvaring: de Lotus voer door naar Istanbul.
 Turkse actie: Turkije stelde strafvervolging in tegen de Franse officier van wacht, Demons.
 Frans bezwaar: Frankrijk protesteerde en stelde dat Turkije geen rechtsmacht had en dat er sprake
was van schending van exclusieve vlaggenstaatjurisdictie
 Procedure: de zaak werd voorgelegd aan het Permanent Hof van Internationale Justitie (PHIJ)
 Uitspraak: 7 september 1927

2. Het centrale juridische conflict
 De kernvraag in de Lotuszaak luidde: achter deze vraag gaan fundamentele leerstukken van het
internationaal recht schuil, namelijk:
o Soevereiniteit;
o Jurisdictie;
o Consensualisme;
o Bronnen van internationaal recht.

3. Het vlaggenstaatbeginsel (flag state jurisdiction)
 Het vlaggenstaatbeginsel houdt in dat dit beginsel is gebaseerd op:
o het idee dat de volle zee res communis is (van niemand);
o het concept dat een schip functioneert als een drijvend stuk territorium;
o de noodzaak van rechtszekerheid en orde op zee.

 Het Franse standpunt! Frankrijk betoogde dat:
o de aanvaring plaatsvond op volle zee;
o de Franse officier handelde aan boord van een Frans schip;
o daarom uitsluitend Frankrijk strafrechtelijke jurisdictie mocht uitoefenen.
o Volgens Frankrijk was vlaggenstaatjurisdictie per definitie exclusief.
 Oordeel van het Hof over het vlaggenstaatbeginsel
o Het Hof erkende het bestaan en belang van vlaggenstaatjurisdictie, maar verwierp het idee
dat deze jurisdictie automatisch exclusief is.
o Het Hof oordeelde: het vlaggenstaatbeginsel sluit andere vormen van jurisdictie niet uit,
tenzij dat uitdrukkelijk in het internationaal recht is vastgelegd.

4. Het Lotus-principe
 De beroemdste passage uit het arrest luidt: “Restrictions upon the independence of States cannot
be presumed.”
 Betekenis van dit principe
o Staten zijn soeverein.
o Zij mogen handelen tenzij het internationaal recht dit uitdrukkelijk verbiedt.
o Beperkingen op staatsvrijheid moeten duidelijk, aantoonbaar, gebaseerd zijn op verdragen of
gewoonterecht.

5. Consensualisme in het internationaal recht
 Wat is consensualisme? Consensualisme houdt in dat staten alleen gebonden zijn aan internationale
regels voor zover zij daarmee hebben ingestemd.
 Instemming kan blijken uit:
o Verdragen;
o Internationaal gewoonterecht (staatpraktijk + opinio juris);
o Algemene rechtsbeginselen.
 Toepassing van consensualisme in Lotus

1

, ARRESTEN INTERNATIONAAL RECHT I
o Het Hof stelde vast dat er geen verdrag bestond dat Turkse jurisdictie verbood, er geen vast
internationaal gewoonterecht bestond dat dit verbood en er geen algemene regel was die
parallelle jurisdictie uitsloot.
 Vanuit consensualisme:
o geen instemming met een verbod;
o = geen beperking van Turkse soevereiniteit.

6. De jurisdictieleer in de Lotuszaak
 Objectief territorialiteitsbeginsel
o Hoewel de handeling plaatsvond op volle zee: de gevolgen (de dood van Turkse zeelieden)
troffen een Turks schip en Turkse onderdanen.
o Het Hof aanvaardde dit als een geldige aanknoping op basis van het objectieve
territorialiteitsbeginsel (handeling elders, gevolg verbonden aan eigen rechtsorde).
 Passief personaliteitsbeginsel
o Turkije baseerde jurisdictie mede op de nationaliteit van de slachtoffers.
o Dit beginsel was in 1927 omstreden en werd door het Hof impliciet aanvaard.
 Afwezigheid van een verbod
o Het Hof benadrukte dat zolang geen regel van internationaal recht parallelle jurisdictie
verbiedt een staat bevoegd is om op te treden.

7. Kritiek op het Lotus-arrest
 Reeds kort na de uitspraak kwam er aanzienlijke kritiek:
o het arrest is te staatscentrisch;
o het is te permissief;
o het ondermijnt rechtszekerheid op zee;
o het leidt tot conflicterende jurisdicties.
 Veel auteurs stelden dat internationaal recht beter functioneert met het uitgangspunt:

8. Ontwikkeling na Lotus: reactie van de internationale gemeenschap
 De Geneefse Zeerechtverdragen van 1958
o De internationale gemeenschap reageerde expliciet op de Lotuszaak.
o Belangrijk verdrag: Convention on the High Seas (1958)
 Artikel 11 (aanvaringen): dit artikel bepaalt dat strafrechtelijke vervolging na een
aanvaring op volle zee uitsluitend toekomt aan de vlaggenstaat of de staat van
nationaliteit van de verdachte.
o Dit vormt een bewuste en directe beperking van het Lotus-principe.
 Betekenis van 1958
o Het internationaal recht verschoof van een permissieve benadering (Lotus) naar een
restrictieve, gecoördineerde benadering

9. Verdere ontwikkeling: UNCLOS 1982
 Het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) bouwde voort op 1958.
 Artikel 97 UNCLOS
o Bij aanvaringen op volle zee geldt uitsluitend strafrechtelijke jurisdictie van de vlaggenstaat
of de nationaliteitsstaat van de verdachte.
 Het Lotus-principe is hier uitdrukkelijk teruggedrongen.

10.De huidige status van de Lotuszaak
 Wat geldt nog?
o Lotus is geen geldend positief recht meer voor aanvaringen op zee
o Wel blijft de zaak:
 historisch belangrijk;
 didactisch cruciaal;
 fundamenteel voor begrip van: soevereiniteit, jurisdictie, consensualisme en
methodologie van internationale rechterlijke instanties.
 Wat is achterhaald?
o Het idee dat staten volledig vrij zijn bij gebrek aan expliciet verbod
o In moderne rechtsgebieden zoals:
 Mensenrechtenrecht;
 Internationaal milieurecht;
 Internationaal strafrecht;
 Zeerecht.
2

, ARRESTEN INTERNATIONAAL RECHT I
o Het hedendaags internationaal recht is minder Lotus en meer regelgebonden.

Conclusie
1. De Lotuszaak is geen geldend positief recht meer op dit specifieke punt, maar wel een sleutelzaak.
2. Zij vormt de basis voor het debat over soevereiniteit en jurisdictie een duidelijk contrast met de
verdragsontwikkeling van 1958 en 1982.
3. Die verdragen zijn een bewuste correctie op het Lotus-principe.


NORTH SEA CONTINENTAL SHELF CASES (1969, IGH)
1. Feiten van de zaak
 In de jaren 1960 ontstond een geschil tussen Nederland, Duitsland en Denemarken over de
afbakening van het continentaal plat in de Noordzee.
 Het continentaal plat bevatte rijke natuurlijke hulpbronnen, zoals aardgas en olie, waardoor
eigendom en jurisdictie economisch van groot belang waren.
 Nederland had een specifiek systeem ontwikkeld om de grensafbakening te bepalen, gebaseerd op
het principe van gelijke afstand van de kusten (equidistantieregel).
 Duitsland accepteerde deze methode niet, waardoor de staten het geschil voorlegden aan het
Internationaal Gerechtshof (IGH) voor een bindend oordeel.

2. Het centrale juridische probleem
 De kernvraag was hoe de grenzen van het continentaal plat juridisch correct moesten worden
vastgesteld tussen staten die er economisch belang bij hadden.
 Omdat er geen specifieke verdragen bestonden die de afbakening regelden, moest het Hof zich
baseren op internationaal gewoonterecht, dat voortkomt uit statenpraktijk (usus) en opinio juris.
 Het Hof stelde dat de statenpraktijk wijd verspreid en uniform moet zijn voordat deze kan worden
gebruikt om gewoonterecht te formuleren.

3. Relevantie van de zaak
 De zaak is cruciaal omdat het Hof criteria heeft ontwikkeld om te beoordelen onder welke
omstandigheden een statenpraktijk als gewoonterecht kan gelden.
 Afhankelijk van de aanwezigheid van de vereiste elementen kan een regel wel of niet als bindend
worden beschouwd.
 Het Hof liet echter onduidelijk wat precies wordt bedoeld met de begrippen “extensive” en
“virtually uniformed”, wat later aanleiding gaf tot verdere interpretatie in doctrine en jurisprudentie.

4. Extensive: omvangrijke statenpraktijk
 “Extensive” betekent dat de praktijk breed en wijdverspreid moet zijn, uitgevoerd door meerdere
staten die een wezenlijk belang hebben in het domein.
 Voor het zeerecht zijn dat vooral kuststaten, zoals Nederland, België en Denemarken.
 Staten zonder direct belang, zoals Oostenrijk of Zwitserland, worden niet meegeteld.
 Het is voldoende dat de praktijk overwegend consistent is; het is niet nodig dat alle staten
wereldwijd deze volgen.
 Het Hof benadrukte dat alleen staten met een economisch en juridisch belang in het betreffende
gebied relevant zijn voor de beoordeling.


5. Virtually uniformed: in wezen uniform
 “Virtually uniformed” betekent dat de praktijk in wezen uniform moet zijn, zodat er sprake is van
een consistent patroon van gedrag.
 Het IGH bleef vaag over hoeveel afwijkingen nog zijn toegestaan voordat een praktijk niet meer
uniform wordt geacht.
 De zaak liet zien dat perfecte uniformiteit niet vereist is, maar dat er een voldoende hoge mate van
consensus onder relevante staten moet bestaan.

6. Gebruik van opinio juris en usus
 Het Hof benadrukte dat niet alleen feitelijke praktijk (usus) telt, maar dat er ook sprake moet zijn
van opinio juris, oftewel de overtuiging dat de praktijk juridisch bindend is.
 Alleen als beide elementen aanwezig zijn, kan de praktijk worden gebruikt om gewoonterecht af te
leiden.


3

Table of contents

  1. 01 LOTUS-ZAAK (1927, PHIJ) 1
    1. 1. Feiten van de Lotuszaak 1
    2. 2. Het centrale juridische conflict 1
    3. 3. Het vlaggenstaatbeginsel (flag state jurisdiction) 1
    4. 4. Het Lotus-principe 1
    5. 5. Consensualisme in het internationaal recht 1
    6. 6. De jurisdictieleer in de Lotuszaak 2
    7. 7. Kritiek op het Lotus-arrest 2
    8. 8. Ontwikkeling na Lotus: reactie van de internationale gemeenschap 2
    9. 9. Verdere ontwikkeling: UNCLOS 1982 2
    10. 10. De huidige status van de Lotuszaak 2
    11. Conclusie 3
  2. 02 NORTH SEA CONTINENTAL SHELF CASES (1969, IGH) 3
    1. 1. Feiten van de zaak 3
    2. In de jaren 1960 ontstond een geschil tussen Nederland, Duitsland en Denemarken over de afbakening van het continentaal plat in de Noordzee. 3
    3. 3. Relevantie van de zaak 3
    4. 4. Extensive: omvangrijke statenpraktijk 3
    5. 5. Virtually uniformed: in wezen uniform 3
    6. 6. Gebruik van opinio juris en usus 3
    7. 7. Praktische toepassing en gevolgen 4
    8. 8. Kritiek en nuance 4
    9. 9. Conclusie 4
  3. 03 NICARAGUA-ZAAK (1986, IGH) 4
    1. 1. Historische context 4
    2. 2. Feiten van het conflict 4
    3. 3. Centrale juridische kwesties 4
    4. 4. Statenpraktijk en gewoonterecht 5
    5. 5. Oordelen van het IGH 5
    6. 6. Relevantie van de zaak 5
    7. 7. Virtually uniformed – verdere nuance 5
    8. 8. Kritiek en juridische discussie 5
    9. 9. Gevolgen en impact 5
    10. 10. Conclusie 5
  4. 04 ASYLUM-CASE (1950, IGH) 6
    1. 1. Historische context 6
    2. 2. Feiten van de zaak 6
    3. 3. Centrale juridische vraag 6
    4. 4. Oordeel van het IGH 6
    5. 5. Bindend karakter van gewoonterecht 6
    6. 6. Consensualisme 6
    7. 7. Regionale versus universele regels 7
    8. 8. Gevolgen en impact 7
    9. 9. Conclusie 7
    10. De Asylum-zaak illustreert de noodzaak van duidelijke bewijsvoering voor het bestaan van een regel van internationaal gewoonterecht. 7
  5. 05 GABCIKOVO-NYGAMAROS ZAAK (1997) 7
    1. 1. Historische context 7
    2. 2. Feiten van het conflict 7
    3. 3. Centrale juridische kwesties 7
    4. 4. Oordeel van het IGH 8
    5. 5. Relevantie voor internationaal recht 8
    6. 6. Juridische implicaties 8
    7. 7. Milieuaspect en uitvoering 8
    8. 8. Conclusie 8
    9. De Gabcikovo–Nagymaros-zaak benadrukt dat verdragen ook bindend blijven voor opvolgerstaten, zeker bij bepalingen van internationaal gewoonterecht. 8
  6. 06 FISHERIES JURISDICTION (1974, IGH) 8
    1. 1. Feiten van de zaak 9
    2. Het geschil betrof visserijrechten tussen staten in internationale wateren. 9
    3. 2. Centrale juridische kwesties 9
    4. 3. Oordeel van het IGH 9
    5. 4. Relevantie van de zaak 9
    6. 5. Juridische implicaties 9
    7. 6. Conclusie 9
  7. 07 CHORZOW FACTORY CASE (1927, PHIJ) 9
    1. 1. Feiten van de zaak (kort, ter situering) 9
    2. 2. Centrale juridische kwesties 9
    3. 3. Oordeel van het PHIJ 10
    4. 4. Relevantie van de zaak 10
    5. 5. Juridische implicaties 10
    6. 6. Conclusie 10
    7. De Chorzów Factory-zaak bevestigt dat staten aansprakelijk zijn voor onrechtmatige handelingen tegen buitenlanders en verplicht zijn tot adequate compensatie. 10
  8. 08 NUCLEAIR TEST CASE (1974, IGH) 10
    1. 1. Feiten van de zaak 10
    2. Het geschil betrof nucleaire tests van Frankrijk in de atmosfeer van de Stille Oceaan. 10
    3. 2. Centrale juridische kwesties 10
    4. 3. Oordeel van het IGH 10
    5. 4. Gevolgen van het oordeel 11
    6. 5. Relevantie voor internationaal recht 11
    7. 6. Voorwaarden voor bindend karakter van een eenzijdige verklaring 11
    8. 7. Conclusie 11
  9. 09 BARCELONA TRACTION LIGHT AND COMPANY CASE (1970, IGH) 11
    1. 1. Historische achtergrond 11
    2. 2. Juridische kernpunten 11
    3. 3. Oordeel van het IGH 11
    4. 4. Erga omnes‑verplichtingen 11
    5. 5. Ius cogens versus erga omnes 12
    6. 6. Diplomatieke bescherming & nationaliteitscumul 12
    7. 7. Gevolgen voor internationaal vermogensrecht 12
    8. 8. Conclusie 12
  10. 10 CASE CONCERNING THE LAND AND MARITIME BOUNDARY BETWEEN CAMEROON AND NIGERIA (2002, IGH) 12
    1. 1. Historische achtergrond 12
    2. 2. Onderliggende juridische principes 12
    3. 3. Procedure 12
    4. 4. Inhoud van het arrest 12
    5. 5. Relevantie 13
    6. 6. Gevolgen 13
    7. 7. Conclusie 13
  11. 11 ARBITRAGEZAAK COLOMBIA–VENEZUELA (1922) – UTI POSSIDETIS JURISPRUDENCE 13
    1. 1. Historische achtergrond 13
    2. 2. Uti possidetis juris 13
    3. 3. Doel en toepassing 13
    4. 4. Conclusie 13
  12. 12 FRONTIER DISPUTE: BURKINA FASO – MALI (1986, IGH) 13
    1. 1. Historische achtergrond en feiten 13
    2. 2. Juridische kernvragen 13
    3. 3. Rechtsgrondslag en beginselen 14
    4. 4. Oordeel van het IGH 14
    5. 5. Juridische betekenis 14
    6. 6. Gevolgen 14
  13. 13 ISLAND OF PALMAS (MIANGAS) (1928, Arbitrage) 14
    1. 1. Feiten van de zaak 14
    2. 2. Juridische kernvragen 14
    3. 3. Arbitrale uitspraak (Zwitserse arbiter) 14
    4. 4. Relevantie en fundamentele rechtsbeginselen 14
    5. 5. Gevolgen 14
  14. 14 ANGLO‑NORWEGIAN FISHERIES CASE (1951, IGH) 15
    1. 1. Feiten van de zaak 15
    2. 2. Juridische kernvraag 15
    3. 3. Oordeel van het IGH 15
    4. 4. Relevantie 15
    5. 5. Gevolgen 15
  15. 15 LEGAL STATUS OF EASTERN GREENLAND (1933, PHIJ 15
    1. 1. Feiten van de zaak 15
    2. 2. Juridische kernvraag 15
    3. 3. Oordeel van het PHIJ 15
    4. 4. Relevantie 15
    5. 5. Gevolgen 15
  16. 16 TERRITORIAL DISPUTE: ETHIOPIA – ERITREA (2002, Arbitrage) 16
    1. 1. Historische achtergrond 16
    2. 2. Juridische kernvragen 16
    3. 3. Arbitrale procedure 16
    4. 4. Resultaat 16
    5. 5. Relevantie 16
    6. 6. Gevolgen 16
  17. 17 ADVIES WESTELIJKE SAHARA (1975, IGH) 16
    1. 1. Feiten van de zaak 16
    2. 2. Juridische kernvraag 16
    3. 3. Oordeel van het IGH 16
    4. 4. Relevantie 17
  18. 18 SUPREME COURT OF CANADA, IN RE SECESSION OF QUEBEC (1998) 17
    1. 1. Feiten 17
    2. 2. Oordeel van het Supreme Court 17
    3. 3. Relevantie 17
  19. 19 DÉCRETS DE NATIONALITÉS PROMULGUÉS EN TUNISIE ET AU MAROC (1923 PHIJ) 17
    1. 1. Feiten 17
    2. 2. Juridische kernvraag 17
    3. 3. Oordeel van het PHIJ 17
    4. 4. Relevantie 17
  20. 20 ARMED ACTIVITIES ON THE TERRITORY OF THE CONGO (2003, IGH) 18
    1. 1. Feiten 18
    2. 2. Juridische kernvragen 18
    3. 3. Oordeel van het IGH 18
    4. 4. Relevantie 18
  21. 21 ARREST WARRANT (2002, IGH) – YERODIA CASE 18
    1. 1. Feiten 18
    2. 2. Juridische kernvraag 18
    3. 3. Oordeel van het IGH 18
    4. 4. Relevantie 18
  22. 22 DISTRICT COURT OF JERUSALEM, EICHMANN (1961) 18
    1. 1. Feiten van de zaak 18
    2. 2. Juridische kernvraag 19
    3. 3. Oordeel 19
    4. 4. Juridische leerstukken en relevantie 19
  23. 23 ADVISORY OPINION: CERTAIN EXPENSES OF THE UNITED NATIONS (1962, IGH) 19
    1. 1. Feiten van de zaak 19
    2. 2. Juridische kernvraag 19
    3. 3. Oordeel 19
    4. 4. Juridische leerstukken en relevantie 19
  24. 24 ARMED ACTIVITIES ON THE TERRITORY OF THE CONGO (2005, IGH) 19
    1. 1. Feiten van de zaak 19
    2. 2. Juridische kernvraag 19
    3. 3. Oordeel 20
    4. 4. Juridische leerstukken en relevantie 20
  25. 25 CASE CONCERNING OIL PLATFORMS (2003, IGH) 20
    1. 1. Feiten van de zaak 20
    2. 2. Juridische kernvraag 20
    3. 3. Oordeel 20
    4. 4. Juridische leerstukken en relevantie 20
  26. 26 APPLICATION OF THE CONVENTION ON THE PREVENTION AND PUNISHMENT OF THE CRIME OF GENOCIDE (2007, IGH) 20
    1. 1. Feiten van de zaak 20
    2. 2. Juridische kernvraag 20
    3. 3. Oordeel 20
    4. 4. Juridische leerstukken en relevantie 20
  27. 27 UNITED STATES DIPLOMATIC AND CONSULAR STAFF IN TEHRAN (1980, IGH) 20
  28. 28 DUITS-POOLS ARBITRAGETRIBUNAAL, DEUTSCHE CONTINENTAL GAS GESELLSCHAFT (1929) 21
  29. 29 TEMPLE OF PREAH VIHEAR (1962, IGH) 21
  30. 30 MAVROMMATIS PALESTINE CONCESSIONS CASE (1924, PHIJ) 22
  31. 31 FRONTIER DISPUTE BETWEEN HONDURAS AND EL SALVADOR (1992, IGH) 22
  32. 32 TERRITORIAL DISPUTE BETWEEN LIBYA AND TCHAD (1994, IGH) 22
  33. 33 ADVISORY OPINION, REPARATION FOR INJURIES SUFFERED IN THE SERVICE OF THE UNITED NATIONS (1949, IGH) 23
  34. 34 FRANCE-NEW ZEALAND ARBITRATION TRIBUNAL, RAINBOW WARRIOR CASE (1990) 23
  35. 35 ADVISORY OPINION, LEGALITY OF THE USE BY A STATE OF NUCLEAR WEAPONS IN ARMED CONFLICT (1996, IGH) 23

Document information

Study
Uploaded on
January 7, 2026
Number of pages
24
Written in
2025/2026
Type
Summary
$6.93

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
zerdaozbey004
3.0
(2)
Sold
39
Followers
0
Items
44
Last sold
22 hours ago


Reviews from verified buyers

2 months ago

clear and convenient




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions