GEZONDHEIDSECONOMIE
DETERMINANTEN VAN GEZONDHEID EN GEZONDHEIDSPRODUCTIE
Economie gaat over hoe de beslissingen van individuen, firma’s en de overheid een impact hebben op de
verdeling van schaarse middelen bij het realiseren van doelstellingen. Het gaat om hoe we het probleem
van schaarste aanpakken → de studie van keuzes.
Goede gezondheid wordt gemeten als:
• Uitstel van sterfte (levensverwachting)
• Afname van ziekte en haar gevolgen
• Verbeterde zelf-gerapporteerde gezondheid
Levensverwachting is een statistische maat die weergeeft hoe oud
een pasgeborene gemiddeld zou worden als de sterftecijfers van
dat moment gedurende het hele leven gelijk blijven. Deze maat
houdt rekening met alle waargenomen sterfgevallen en leeftijden
waarop mensen overlijden. Belangrijk is dat vooral sterfte op jonge
leeftijd een grote impact heeft op deze gemiddelde
levensverwachting. In de grafiek zien we dat de levensverwachting
in de meeste landen geleidelijk stijgt over de tijd, dankzij
verbeterde gezondheidszorg, hygiëne en voeding. Opvallend zijn
echter de plotse dalingen, veroorzaakt door zogeheten exogene
shocks: externe gebeurtenissen zoals oorlogen, pandemieën of
ziektes die leiden tot een abrupte toename van sterfte. Voorbeelden zijn de Spaanse griep rond 1918, de
Tweede Wereldoorlog, en de HIV/AIDS-crisis in Zuid-Afrika tussen 1990 en 2005. Dergelijke exogene shocks
hebben een grote invloed op de levensverwachting, vooral wanneer ze jonge mensen treffen. Als vooral
jongeren overlijden, daalt het gemiddelde immers veel sterker dan wanneer sterfte vooral bij ouderen
voorkomt. De grafiek laat dus niet alleen een historische ontwikkeling zien, maar ook hoe kwetsbaar de
levensverwachting is voor onverwachte, grootschalige crisissituaties. Exogene shocks hebben een tijdelijk
effect op de levensverwachting, daarna komt het terug naar de normale curve.
Er is ook een relatie tussen welvaart en levensverwachting.
Daarnaast is er een demografische transitie, men gaat van hoge sterftecijfers naar lage sterftecijfers.
Mensen stierven vnl aan infectieziekten, maar men heeft nu AB, vaccinaties en hygiëne.
WAT BEPAALT OF MENSEN GEZOND ZIJN?
2 determinanten = Leeftijd en geslacht. De kans om te sterven bij mannen tussen de 25 – 30 jaar is veel
hoger dan bij vrouwen, dit komt doordat mannen meer risico’s nemen. Doorheen de tijd (met ouder
worden), gaat het verschil minderen tussen de geslachten.
1
,Op latere leeftijd sterven mannen en vrouwen aan dezelfde soort aandoeningen:
Rookgedrag is in het algemeen aan het afnemen, je ziet een daling in de mannelijke populatie van mortaliteit
aan roken, maar er is een stijging in de mortaliteit door roken bij vrouwen. Er zijn grote verschillen tussen
de verschillende landen tgv demografie en socioculturele oorzaken.
De belangrijkste doodsoorzaken in België zijn:
• CV → hart en vaat ziekten geven het meeste verloren levensjaren!
• Kanker
• (covid) → was in 2020
Suïcide geeft veel levensjaren die verloren zijn door meestal sterfte op jonge leeftijd. België staat heel hoog
in de suïcidale sterfte in vergelijking met de andere landen.
Het aantal verkeersdoden is de laatste jaren fel verbeterd, er sterven nog altijd meer mannen in het verkeer
dan vrouwen. Vroeger waren het vnl jonge twintigers, deze trend is verschoven naar vooral de oudere
populatie (75+).
Andere oorzaken:
• Alcohol consumptie in België is zeer hoog!
• BMI > 30 → België zit hier gemiddeld, Aziatische landen aan de lagere kant.
2
,De grafiek toont het verband tussen levensverwachting en inkomen per hoofd
van de bevolking in de periode van 1900 tot 1990. Wat duidelijk opvalt, is dat
voor eenzelfde inkomensniveau de levensverwachting in latere jaren steeds
hoger ligt. Zo leefde iemand met een bepaald inkomen in 1930 gemiddeld
ongeveer 60 jaar, terwijl datzelfde inkomensniveau in 1990 overeenkwam met
een levensverwachting van bijna 70 jaar. De lijnen in de grafiek schuiven als
het ware steeds verder omhoog, wat aantoont dat mensen wereldwijd
gezonder zijn gaan leven, zelfs bij gelijkblijvende economische
omstandigheden. Deze verschuiving is te danken aan verschillende factoren,
waaronder technologische en medische innovaties. Dankzij vooruitgang in
gezondheidszorg, hygiëne, voeding en infrastructuur werd het steeds
goedkoper én efficiënter om de levensverwachting te verhogen. Vooral bij
lage inkomens zie je dat kleine verbeteringen in welvaart grote sprongen in levensverwachting kunnen
opleveren. Naarmate het inkomen stijgt, vlakt deze winst echter af — een verschijnsel dat we kennen als
het principe van afnemend rendement. Ondanks deze globale vooruitgang blijven er wel aanzienlijke
verschillen bestaan tussen landen. Sommige landen blijven ver achter in zowel inkomen als
levensverwachting, wat wijst op aanhoudende ongelijkheden in wereldwijde welvaart en toegang tot
gezondheidszorg. Kortom, de wereld gaat er collectief op vooruit, maar die vooruitgang is ongelijk verdeeld.
Waarom zijn er gezondheidsverschillen in rijke landen? Inkomensongelijkheid is een belangrijke factor. Er
is een sterke negatieve correlatie (r = -0.81) tussen de inkomensongelijkheid (gemeten met de Gini-
coëfficiënt) en de levensverwachting in verschillende welvarende landen in 1970. De kernboodschap is dat
een gelijker verdeelde welvaart (lagere inkomensongelijkheid) geassocieerd is met een hogere
levensverwachting.
Gezondheidseffect van inkomensongelijkheid
Een concave (holle) relatie tussen inkomen en gezondheid leidt tot een gezondheidseffect van
inkomensongelijkheid. De kromme lijn die omhoog buigt en vervolgens afvlakt, illustreert de concave
gezondheid-inkomensrelatie. Dit betekent dat toename in inkomen een steeds kleiner wordend effect heeft
op de gezondheid naarmate het inkomen hoger wordt. Met andere woorden, de gezondheidswinst van een
extra euro is groter voor iemand met een laag inkomen dan voor iemand met een hoog inkomen. Dit staat
bekend als het afnemende marginale gezondheidsvoordeel van inkomen.
Twee personen: A, rijk met inkomen yA, en B, arm met inkomen yB, waarbij yA>yB. Hun gemiddelde
inkomen is μ. Vervolgens wordt een gedachte-experiment uitgevoerd: €100 wordt van A afgenomen en aan
B gegeven. Het gemiddelde inkomen (μ) blijft ongewijzigd.
Door de concave relatie stijgt de gezondheid van B (van het niveau bij yB naar het niveau bij yB+100) meer
dan de gezondheid van A afneemt (van het niveau bij yA naar het niveau bij yA−100). Dit komt doordat B zich
op een steiler deel van de curve bevindt waar een inkomensstijging een groter gezondheidseffect heeft,
terwijl A zich op een platter deel bevindt waar een inkomensdaling een kleiner gezondheidsverlies
3
, veroorzaakt. Het resultaat is dat de gemiddelde gezondheid in de populatie toeneemt, van het niveau dat
hoort bij het gemiddelde inkomen μ (aangegeven met h0) naar een hoger niveau h1.
"Een kleinere inkomensongelijkheid heeft geleid tot meer totale gezondheid." Door het inkomen
gelijker te verdelen (zonder het totale inkomen te veranderen), is de algehele gezondheid van de
populatie verbeterd. Landen met een kleinere inkomensongelijkheid (zelfs met een vergelijkbaar
gemiddeld inkomen) zullen waarschijnlijk een betere algehele gezondheid hebben dan landen met
een grotere inkomensongelijkheid, vanwege dit concave verband tussen inkomen en gezondheid.
ONDERWIJS EN GEZONDHEID
Het aantal jaar van onderwijs is sterk geassocieerd met goede gezondheid! Ongezond gedrag (bv roken,
drinken, onveilig seks,…) is groter bij schoolverlaters. Beter opgeleiden zijn ook meer geneigd advies te
volgen (bv therapietrouw is hoger). Men ziet een zeer duidelijk verband tussen ongeletterdheid en slechte
gezondheid! De opleiding van de vrouwen is ook sterk gecorreleerd met de gezondheid van de kinderen.
OMGEVING EN GEZONDHEID
Sommige omgevingen zijn minder gezond dan anderen:
• Dreiging van infectieziekten en omgevingspathogenen
• Gelegenheid tot lichaamsbeweging, behuizing en onderwijs
• Pollutie, fijn stof
• Publieke veiligheid (bv oorlog)
Genetische voorbestemdheid:
• Genetische defecten: een nodige voorwaarde om een ziektebeeld te ontwikkelen
• Genes load te gun, but often lifestyle pulls the trigger → naast genetica dus nog een blootstelling
aan een risico nodig om een ziekte te kunnen ontwikkelen.
o Omgeving → zowel macro (continent, land, regio, stad) als micro (individuele bezigheden,
levensstijl) niveau.
o Blootstelling hangt daarom ook samen met opleiding en socio-economische status.
• Nieuwe revolutie: gepersonaliseerde zorg
Beroep, sommige zijn gevaarlijker dan anderen.
Huishouden: getrouwde mensen zijn gezonder dan ongetrouwde mensen, vnl mannen → een echtgenoot
vergroot de gezondheidsproductie in het huishouden (vooral vrouwen voor mannen). Maar bias, want
4