Internationaal recht
De geschiedenis van het internationale recht
Het internationale recht (ook wel volkenrecht genoemd) is het geheel van
rechtsregels dat de relaties tussen staten, internationale organisaties en in
toenemende mate ook individuen regelt.
Ontstaan:
Voor 1648 – Middeleeuwen:
Geen internationaal recht in moderne zin. Er was een wereldorde
gebaseerd op religie (het christendom en de paus) en het feodale systeem.
Macht lag verspreid. Internationale afspraken waren beperkt tot verdragen
tussen vorsten, bijvoorbeeld over handel en oorlog.
1648 – Vrede van Westfalen:
Wordt beschouwd als het begin van het moderne statenstelsel. Staten
werden erkend als soevereine entiteiten met eigen territorium, regering en
onafhankelijkheid. Dit vormde de basis voor het beginsel van soevereine
gelijkheid van staten.
19e eeuw – ontwikkeling van codiciatie:
De industrialisatie en kolonisatie leidden tot meer internationale
samenwerking. Er kwamen conferenties (zoals de Haagse Conventies van
1899 en 1907) die regels vastlegden over oorlog, diplomatie en
mensenrechten.
Na de Eerste Wereldoorlog:
Oprichting van de Volkenbond (1919), de eerste poging om vrede te
waarborgen via internationale organisatie. Mislukte uiteindelijk door
gebrek aan handhaving.
Na de Tweede Wereldoorlog:
In 1945 werd de Verenigde Naties (VN) opgericht. Het VN-Handvest is een
kernstuk van het moderne internationale recht. Ook kwamen tribunalen
(zoals Neurenberg en Tokio), het begin van internationaal strafrecht.
Heden (21e eeuw):
Internationale rechtsorde is uitgebreid met rechtsgebieden als:
- Mensenrechten (EVRM, IVBR)
- Milieurecht (Klimaatakkoord van Parijs)
- Economisch recht (WTO)
- Humanitair recht (Verdragen van Geneve)
- Internationaal strafrecht (Internationaal Strafhof – ICC)
De focus verschoof van “recht tussen staten” naar een internationaal recht voor
de mensheid, waarin ook individuen en organisaties een rol hebben.
Belangrijkste kenmerken van de internationale rechtsorde
De internationale rechtsorde heeft een aantal fundamentele kenmerken die haar
onderscheiden van nationaal recht:
1. Gelijkheid
Alle staten zijn juridisch gelijk, ongeacht hun grootte, bevolking of macht.
Elk staat heeft dezelfde soevereine rechten en plichten.
Voorbeeld: In de Algemene Vergadering van de VN heeft elk land één stem,
of het nu de VS of Luxemburg is.
2. Afhankelijkheid
Staten zijn onderling afhankelijk. Omdat er geen wereldregering bestaat,
kunnen regels alleen ontstaan als staten vrijwillig instemmen (bijvoorbeeld
via verdragen).
, Voorbeeld: Klimaatverdragen of handelsverdragen werken alleen als staten
vrijwillig toetreden.
3. Doorwerking
Internationale regels moeten op nationaal niveau worden toegepast. Het
dat gebeurt, hangt af van het systeem:
- Monistisch systeem: internationaal recht geldt automatisch in het
nationale recht (zoals in Nederland – art. 93-94 Grondwet).
- Dualistisch systeem: internationale regels moeten eerst worden
omgezet in nationale wetgeving (zoals in het VK).
In Nederland kan een burger zich bij de rechter rechtstreeks beroepen op
verdragsbepalingen zoals art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces).
Samenloop van rechtsbronnen
Volgens artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof (IGH) zijn
de belangrijkste rechtsbronnen van het internationale recht:
1. Verdragen – schriftelijke overeenkomsten tussen staten.
2. Internationaal gewoonterecht – ongeschreven regels die ontstaan door
algemeen aanvaarde praktijk (usus) én overtuiging dat het recht is (opinio
juris).
3. Algemene rechtsbeginselen – fundamentele rechtsideeën die in de meeste
nationale rechtssystemen voorkomen (bijv. pacta sunt servanda –
verdragen moeten worden nagekomen).
4. Rechterlijke uitspraken en doctrine – aanvullende bronnen (geen bindende
precedenten zoals in het nationaal recht).
Soms gelden meerdere bronnen tegelijk. Bijvoorbeeld:
Een regel staat in een verdrag én bestaat ook als gewoonterecht (zoals het
verbod op genocide).
Als verdragsbepalingen botsen met gewoonterecht, gaat het speciale
boven het algemene (lex specialis derogat legi generali).
Internationale rechtssubjecten
Rechtssubjecten zijn entiteiten die rechten en plichten hebben onder het
internationale recht.
1. Staten
De primaire rechtssubjecten. Zij hebben:
- Volledige rechtsbevoegdheid.
- Recht op soevereiniteit, territorium en onafhankelijkheid.
2. Internationale organisaties
Ontstaan via verdragen tussen staten en krijgen beperkte
rechtsbevoegdheid (functioneel).
Voorbeeld: VN, EU, NAVO, WHO.
De VN heeft bijvoorbeeld het recht om vrede en veiligheid te bevorderen
(art. 1 VN-Handvest).
3. Individuen (natuurlijke personen)
Sinds Neurenberg (1945) kunnen individuen persoonlijk verantwoordelijk
zijn voor internationale misdrijven:
- Genocide
- Oorlogsmisdaden
- Misdaden tegen de menselijkheid
4. Rechtspersoon (bedrijven)
, Bedrijven kunnen aansprakelijk worden gehouden onder internationaal
economisch of milieuecht (bijv. via due diligence-verplichtingen of
mensenrechtennormen).
5. Bevrijdingsbewegingen
Groepen die strijden voor zelfbeschikking (bijv. de PLO in Palestina, of ANC
in Zuid-Afrika tijdens de apartheid). Ze kunnen beperkt erkend worden als
rechtssubjecten met eigen rechten en plichten.
De vier criteria van een staat (volgens Montevideo-verdrag, 1933)
Een entiteit wordt als staat beschouwd als zij voldoet aan vier criteria:
1. Een permanente bevolking – er moeten mensen wonen, maar geen
minimumaantal vereist.
2. Een bepaald grondgebied – moet een herkenbaar territorium hebben, al
zijn grensgeschillen toegestaan.
3. Een regering – er moet een effectief gezag zijn dat controle uitoefent over
bevolking en grondgebied.
4. Vermogen om relaties aan te gaan met andere staten – de staat moet
onafhankelijk zijn (soevereiniteit) en extern erkend kunnen worden.
Het zelfbeschikkingsrecht en de overige rechten van volkeren
Een van de belangrijkste principes in het internationale recht is het recht op
zelfbeschikking van volkeren. Dit houdt in dat een volk zélf mag bepalen hoe het
wordt bestuurd en hoe het zijn politieke, economische, sociale en culturele
toekomst wil vormgeven.
Dit beginsel staat verankerd in artikel 1, lid 2 van het VN-Handvest en wordt
verder uitgewerkt in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
Rechten (IVBPR) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en
Culturele Rechten (IVESCR).
Het zelfbeschikkingsrecht is ontstaan in de periode van dekolonisatie na de
Tweede Wereldoorlog. Toen eisten gekoloniseerde volkeren het recht op om
zelfstandig te worden. Denk aan:
India dat in 1947 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië,
Algerije dat zich in 1962 losmaakte van Frankrijk,
Of Namibië dat in 1990 onafhankelijk werd na Zuid-Afrikaanse
overheersing.
Het recht op zelfbeschikking kan twee vormen aannemen:
1. Interne zelfbeschikking: een volk mag binnen de bestaande staat zijn
politieke status bepalen (bijvoorbeeld autonomie of zelfbestuur, zoals
Basken in Spanje).
2. Externe zelfbeschikking: een volk heeft het recht zich af te scheiden en
een eigen staat te vormen (zoals de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan in
2011).
Naast het zelfbeschikkingsrecht erkent het internationale recht ook collectieve
rechten van volkeren, zoals
Het recht op ontwikkeling,
Het recht op natuurlijke hulpbronnen,
Het recht op culture identiteit, taal en religie.
Voorbeeld: inheemse volkeren, zoals de Sami in Scandinavië of de
Amazonevolkeren in Brazilië, beroepen zich op deze rechten om hun land en
leefwijze te beschermen.
, Het zelfbeschikkingsrecht botst soms met het beginsel van territoriale integriteit
van staten: staten willen hun grenzen behouden, terwijl volkeren soms
onafhankelijkheid eisen. Het internationale recht zoekt dan een evenwicht:
afscheiding mag alleen in uitzonderlijke gevallen (bijv. bij onderdrukking).
Rechtssubjecten: staten, internationale organisaties, personen en
bevrijdingsbewegingen
In het internationale recht zijn rechtssubjecten de dragers van rechten en
plichten. Dat zijn niet alleen staten, maar ook organisaties en individuen.
Staten
Staten blijven de belangrijkste rechtssubjecten. Zij hebben volledige
soevereiniteit, sluiten verdragen en oefenen rechtsmacht uit.
Internationale organisaties
Deze worden opgericht door staten via verdragen. Ze hebben functionele
rechtspersoonlijkheid, wat betekent dat ze alleen bevoegd zijn voor taken die in
hun oprichtingsverdrag staan.
Voorbeeld:
De VN mag optreden bij bedreigingen van internationale vrede (VN-
Handvest art. 24).
De EU mag wetgeving maken op economisch en handelsgebied.
Natuurlijke personen
Sinds de processen van Neurenberg (1945) worden individuen erkend als
rechtssubjecten. Ze kunnen verantwoordelijk worden gehouden voor
internationale misdrijven:
Genocide,
Oorlogsmisdaden,
Misdaden tegen de menselijkheid,
Agressie.
Rechtspersonen (bedrijven)
Bedrijven hebben steeds vaker internationale verplichtingen, bijvoorbeeld op het
gebied van mensenrechten of milieu.
Voorbeeld: Shell is in Nederland aangesproken op milieuschade in Nigeria.
Bevrijdingsbewegingen
Dit zijn groepen die strijden voor het recht op zelfbeschikking. Wanneer ze een
deel van een volk vertegenwoordigen en effectief gezag uitoefenen, kunnen ze
beperkte internationale erkenning krijgen.
Voorbeeld: de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en het ANC in Zuid-Afrika
werden als zodanig erkend.
De-factoregelingen
Een de-factorregeling is een gezagsstructuur die feitelijke controle uitoefent over
een gebied, maar niet erkend is als officiële staat.
Voorbeelden:
Somaliland: bestuurt zichzelf volledig, maar is internationaal niet erkend
als staat.
De geschiedenis van het internationale recht
Het internationale recht (ook wel volkenrecht genoemd) is het geheel van
rechtsregels dat de relaties tussen staten, internationale organisaties en in
toenemende mate ook individuen regelt.
Ontstaan:
Voor 1648 – Middeleeuwen:
Geen internationaal recht in moderne zin. Er was een wereldorde
gebaseerd op religie (het christendom en de paus) en het feodale systeem.
Macht lag verspreid. Internationale afspraken waren beperkt tot verdragen
tussen vorsten, bijvoorbeeld over handel en oorlog.
1648 – Vrede van Westfalen:
Wordt beschouwd als het begin van het moderne statenstelsel. Staten
werden erkend als soevereine entiteiten met eigen territorium, regering en
onafhankelijkheid. Dit vormde de basis voor het beginsel van soevereine
gelijkheid van staten.
19e eeuw – ontwikkeling van codiciatie:
De industrialisatie en kolonisatie leidden tot meer internationale
samenwerking. Er kwamen conferenties (zoals de Haagse Conventies van
1899 en 1907) die regels vastlegden over oorlog, diplomatie en
mensenrechten.
Na de Eerste Wereldoorlog:
Oprichting van de Volkenbond (1919), de eerste poging om vrede te
waarborgen via internationale organisatie. Mislukte uiteindelijk door
gebrek aan handhaving.
Na de Tweede Wereldoorlog:
In 1945 werd de Verenigde Naties (VN) opgericht. Het VN-Handvest is een
kernstuk van het moderne internationale recht. Ook kwamen tribunalen
(zoals Neurenberg en Tokio), het begin van internationaal strafrecht.
Heden (21e eeuw):
Internationale rechtsorde is uitgebreid met rechtsgebieden als:
- Mensenrechten (EVRM, IVBR)
- Milieurecht (Klimaatakkoord van Parijs)
- Economisch recht (WTO)
- Humanitair recht (Verdragen van Geneve)
- Internationaal strafrecht (Internationaal Strafhof – ICC)
De focus verschoof van “recht tussen staten” naar een internationaal recht voor
de mensheid, waarin ook individuen en organisaties een rol hebben.
Belangrijkste kenmerken van de internationale rechtsorde
De internationale rechtsorde heeft een aantal fundamentele kenmerken die haar
onderscheiden van nationaal recht:
1. Gelijkheid
Alle staten zijn juridisch gelijk, ongeacht hun grootte, bevolking of macht.
Elk staat heeft dezelfde soevereine rechten en plichten.
Voorbeeld: In de Algemene Vergadering van de VN heeft elk land één stem,
of het nu de VS of Luxemburg is.
2. Afhankelijkheid
Staten zijn onderling afhankelijk. Omdat er geen wereldregering bestaat,
kunnen regels alleen ontstaan als staten vrijwillig instemmen (bijvoorbeeld
via verdragen).
, Voorbeeld: Klimaatverdragen of handelsverdragen werken alleen als staten
vrijwillig toetreden.
3. Doorwerking
Internationale regels moeten op nationaal niveau worden toegepast. Het
dat gebeurt, hangt af van het systeem:
- Monistisch systeem: internationaal recht geldt automatisch in het
nationale recht (zoals in Nederland – art. 93-94 Grondwet).
- Dualistisch systeem: internationale regels moeten eerst worden
omgezet in nationale wetgeving (zoals in het VK).
In Nederland kan een burger zich bij de rechter rechtstreeks beroepen op
verdragsbepalingen zoals art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces).
Samenloop van rechtsbronnen
Volgens artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof (IGH) zijn
de belangrijkste rechtsbronnen van het internationale recht:
1. Verdragen – schriftelijke overeenkomsten tussen staten.
2. Internationaal gewoonterecht – ongeschreven regels die ontstaan door
algemeen aanvaarde praktijk (usus) én overtuiging dat het recht is (opinio
juris).
3. Algemene rechtsbeginselen – fundamentele rechtsideeën die in de meeste
nationale rechtssystemen voorkomen (bijv. pacta sunt servanda –
verdragen moeten worden nagekomen).
4. Rechterlijke uitspraken en doctrine – aanvullende bronnen (geen bindende
precedenten zoals in het nationaal recht).
Soms gelden meerdere bronnen tegelijk. Bijvoorbeeld:
Een regel staat in een verdrag én bestaat ook als gewoonterecht (zoals het
verbod op genocide).
Als verdragsbepalingen botsen met gewoonterecht, gaat het speciale
boven het algemene (lex specialis derogat legi generali).
Internationale rechtssubjecten
Rechtssubjecten zijn entiteiten die rechten en plichten hebben onder het
internationale recht.
1. Staten
De primaire rechtssubjecten. Zij hebben:
- Volledige rechtsbevoegdheid.
- Recht op soevereiniteit, territorium en onafhankelijkheid.
2. Internationale organisaties
Ontstaan via verdragen tussen staten en krijgen beperkte
rechtsbevoegdheid (functioneel).
Voorbeeld: VN, EU, NAVO, WHO.
De VN heeft bijvoorbeeld het recht om vrede en veiligheid te bevorderen
(art. 1 VN-Handvest).
3. Individuen (natuurlijke personen)
Sinds Neurenberg (1945) kunnen individuen persoonlijk verantwoordelijk
zijn voor internationale misdrijven:
- Genocide
- Oorlogsmisdaden
- Misdaden tegen de menselijkheid
4. Rechtspersoon (bedrijven)
, Bedrijven kunnen aansprakelijk worden gehouden onder internationaal
economisch of milieuecht (bijv. via due diligence-verplichtingen of
mensenrechtennormen).
5. Bevrijdingsbewegingen
Groepen die strijden voor zelfbeschikking (bijv. de PLO in Palestina, of ANC
in Zuid-Afrika tijdens de apartheid). Ze kunnen beperkt erkend worden als
rechtssubjecten met eigen rechten en plichten.
De vier criteria van een staat (volgens Montevideo-verdrag, 1933)
Een entiteit wordt als staat beschouwd als zij voldoet aan vier criteria:
1. Een permanente bevolking – er moeten mensen wonen, maar geen
minimumaantal vereist.
2. Een bepaald grondgebied – moet een herkenbaar territorium hebben, al
zijn grensgeschillen toegestaan.
3. Een regering – er moet een effectief gezag zijn dat controle uitoefent over
bevolking en grondgebied.
4. Vermogen om relaties aan te gaan met andere staten – de staat moet
onafhankelijk zijn (soevereiniteit) en extern erkend kunnen worden.
Het zelfbeschikkingsrecht en de overige rechten van volkeren
Een van de belangrijkste principes in het internationale recht is het recht op
zelfbeschikking van volkeren. Dit houdt in dat een volk zélf mag bepalen hoe het
wordt bestuurd en hoe het zijn politieke, economische, sociale en culturele
toekomst wil vormgeven.
Dit beginsel staat verankerd in artikel 1, lid 2 van het VN-Handvest en wordt
verder uitgewerkt in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
Rechten (IVBPR) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en
Culturele Rechten (IVESCR).
Het zelfbeschikkingsrecht is ontstaan in de periode van dekolonisatie na de
Tweede Wereldoorlog. Toen eisten gekoloniseerde volkeren het recht op om
zelfstandig te worden. Denk aan:
India dat in 1947 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië,
Algerije dat zich in 1962 losmaakte van Frankrijk,
Of Namibië dat in 1990 onafhankelijk werd na Zuid-Afrikaanse
overheersing.
Het recht op zelfbeschikking kan twee vormen aannemen:
1. Interne zelfbeschikking: een volk mag binnen de bestaande staat zijn
politieke status bepalen (bijvoorbeeld autonomie of zelfbestuur, zoals
Basken in Spanje).
2. Externe zelfbeschikking: een volk heeft het recht zich af te scheiden en
een eigen staat te vormen (zoals de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan in
2011).
Naast het zelfbeschikkingsrecht erkent het internationale recht ook collectieve
rechten van volkeren, zoals
Het recht op ontwikkeling,
Het recht op natuurlijke hulpbronnen,
Het recht op culture identiteit, taal en religie.
Voorbeeld: inheemse volkeren, zoals de Sami in Scandinavië of de
Amazonevolkeren in Brazilië, beroepen zich op deze rechten om hun land en
leefwijze te beschermen.
, Het zelfbeschikkingsrecht botst soms met het beginsel van territoriale integriteit
van staten: staten willen hun grenzen behouden, terwijl volkeren soms
onafhankelijkheid eisen. Het internationale recht zoekt dan een evenwicht:
afscheiding mag alleen in uitzonderlijke gevallen (bijv. bij onderdrukking).
Rechtssubjecten: staten, internationale organisaties, personen en
bevrijdingsbewegingen
In het internationale recht zijn rechtssubjecten de dragers van rechten en
plichten. Dat zijn niet alleen staten, maar ook organisaties en individuen.
Staten
Staten blijven de belangrijkste rechtssubjecten. Zij hebben volledige
soevereiniteit, sluiten verdragen en oefenen rechtsmacht uit.
Internationale organisaties
Deze worden opgericht door staten via verdragen. Ze hebben functionele
rechtspersoonlijkheid, wat betekent dat ze alleen bevoegd zijn voor taken die in
hun oprichtingsverdrag staan.
Voorbeeld:
De VN mag optreden bij bedreigingen van internationale vrede (VN-
Handvest art. 24).
De EU mag wetgeving maken op economisch en handelsgebied.
Natuurlijke personen
Sinds de processen van Neurenberg (1945) worden individuen erkend als
rechtssubjecten. Ze kunnen verantwoordelijk worden gehouden voor
internationale misdrijven:
Genocide,
Oorlogsmisdaden,
Misdaden tegen de menselijkheid,
Agressie.
Rechtspersonen (bedrijven)
Bedrijven hebben steeds vaker internationale verplichtingen, bijvoorbeeld op het
gebied van mensenrechten of milieu.
Voorbeeld: Shell is in Nederland aangesproken op milieuschade in Nigeria.
Bevrijdingsbewegingen
Dit zijn groepen die strijden voor het recht op zelfbeschikking. Wanneer ze een
deel van een volk vertegenwoordigen en effectief gezag uitoefenen, kunnen ze
beperkte internationale erkenning krijgen.
Voorbeeld: de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en het ANC in Zuid-Afrika
werden als zodanig erkend.
De-factoregelingen
Een de-factorregeling is een gezagsstructuur die feitelijke controle uitoefent over
een gebied, maar niet erkend is als officiële staat.
Voorbeelden:
Somaliland: bestuurt zichzelf volledig, maar is internationaal niet erkend
als staat.