Wereldgeschiedenis: Europa in mondiaal perspectief
HC10 – Imperialisme en dekolonisatie
9 okt 2020
In dit college wordt stilgestaan bij een van de meest ingrijpende gevolgen van de
‘Great Divergence’. De stormachtige ontwikkeling van de Europese economie in
de jaren na het midden van de achttiende eeuw creëerde een scheiding tussen
succesvolle navolgers en economische achterblijvers en het maakte de weg vrij
voor een fase van politieke overheersing door Europese staten: het imperialisme.
De Europese staten veroverden in de jaren van het midden van de
negentiende eeuw tot omstreeks 1914 grote delen van de wereld. Dit riep op veel
plaatsen verzet op, maar slechts weinig niet-westerse landen waren in staat aan
de Europese imperiumbouwers het hoofd te bieden. Ethiopië onder keizer Menelik
II was een van die landen. De nederlaag van de Italiaanse legers in de slag bij
Adwa (1896) was een opvallende episode in de Europese verdeling van Afrika,
maar nog veel meer indruk maakte de nederlaag van het tsaristische Rusland
tegen de legers en de vloot van het keizerlijke Japan in 1905. Die nederlaag had
grote gevolgen en mag beschouwd worden als een belangrijke stap in de richting
van dekolonisatie. Dat rechtvaardigt het om in dit college ruime aandacht te
besteden aan de uitzonderlijke geschiedenis van Japan.
Deel 1 De gevolgen van Europa’s demarrage (modern imperialisme)
Omstreeks 1850 produceerde de Britse industrie goedkoop en in grote hoeveelheden
dat het functioneerde als ‘workshop of the world’. Groot-Brittannië was dominant in
kennis- en energie-intensieve productie. Dit leidde tot een reorganisatie van de
mondiale economie: achterblijvers werden leverancier van land-intensieve producten
(zoals voedsel en grondstoffen); navolgers industrialiseerden.
Navolgers waren te vinden in naburige Europese staten, de Verenigde Staten
en Japan. Hier vond import van Britse technologie en vaklui en ingenieurs plaats;
‘stages’ werden gevolgd in Groot-Brittannië (Alfred Krupp); bovendien was er
bescherming vanuit regeringen van ‘infant industries’ door middel van subsidies,
importbeperkingen, aanleg van infrastructuur, onderdrukking van de arbeidsonrust.
Elders vond er de-industrialisatie plaats.
Omstreeks 1880 had de Duitse industrie de Britse overtroffen; omstreeks 1890 werd
de Duitse industrie ingehaald door die van de Verenigde Staten.
Achterblijvers, de-industrialisatie, waren te vinden in Azië, Afrika en Latijns-
Amerika. Een voorbeeld is de de-industrialisatie van India. Het land was rond 1700
de grootste textielproducent en exporteur van Indiase stoffen. Na 1800 werd het
weggevaagd door Manchester (prijs, kwaliteit). India wordt exporteur van ruwe
katoen. Een vergelijkbare situatie heeft zich voorgedaan met de Perzische zijden
stoffen.
Reorganisatie van de mondiale economie.
De Europese aanwezigheid was tot ca. 1850 beperkt tot aan de kusten (behalve in
Amerika). Na midden negentiende eeuw volgde het imperialisme: politieke en
territoriale dominantie in de vorm van: kolonies (direct bestuur door Europeanen);
protectoraten (lokale heersers als zetbazen van Europeanen); en invloedssferen
(meerdere Europese state maar geen oude ‘claims’).
HC10 – Imperialisme en dekolonisatie
9 okt 2020
In dit college wordt stilgestaan bij een van de meest ingrijpende gevolgen van de
‘Great Divergence’. De stormachtige ontwikkeling van de Europese economie in
de jaren na het midden van de achttiende eeuw creëerde een scheiding tussen
succesvolle navolgers en economische achterblijvers en het maakte de weg vrij
voor een fase van politieke overheersing door Europese staten: het imperialisme.
De Europese staten veroverden in de jaren van het midden van de
negentiende eeuw tot omstreeks 1914 grote delen van de wereld. Dit riep op veel
plaatsen verzet op, maar slechts weinig niet-westerse landen waren in staat aan
de Europese imperiumbouwers het hoofd te bieden. Ethiopië onder keizer Menelik
II was een van die landen. De nederlaag van de Italiaanse legers in de slag bij
Adwa (1896) was een opvallende episode in de Europese verdeling van Afrika,
maar nog veel meer indruk maakte de nederlaag van het tsaristische Rusland
tegen de legers en de vloot van het keizerlijke Japan in 1905. Die nederlaag had
grote gevolgen en mag beschouwd worden als een belangrijke stap in de richting
van dekolonisatie. Dat rechtvaardigt het om in dit college ruime aandacht te
besteden aan de uitzonderlijke geschiedenis van Japan.
Deel 1 De gevolgen van Europa’s demarrage (modern imperialisme)
Omstreeks 1850 produceerde de Britse industrie goedkoop en in grote hoeveelheden
dat het functioneerde als ‘workshop of the world’. Groot-Brittannië was dominant in
kennis- en energie-intensieve productie. Dit leidde tot een reorganisatie van de
mondiale economie: achterblijvers werden leverancier van land-intensieve producten
(zoals voedsel en grondstoffen); navolgers industrialiseerden.
Navolgers waren te vinden in naburige Europese staten, de Verenigde Staten
en Japan. Hier vond import van Britse technologie en vaklui en ingenieurs plaats;
‘stages’ werden gevolgd in Groot-Brittannië (Alfred Krupp); bovendien was er
bescherming vanuit regeringen van ‘infant industries’ door middel van subsidies,
importbeperkingen, aanleg van infrastructuur, onderdrukking van de arbeidsonrust.
Elders vond er de-industrialisatie plaats.
Omstreeks 1880 had de Duitse industrie de Britse overtroffen; omstreeks 1890 werd
de Duitse industrie ingehaald door die van de Verenigde Staten.
Achterblijvers, de-industrialisatie, waren te vinden in Azië, Afrika en Latijns-
Amerika. Een voorbeeld is de de-industrialisatie van India. Het land was rond 1700
de grootste textielproducent en exporteur van Indiase stoffen. Na 1800 werd het
weggevaagd door Manchester (prijs, kwaliteit). India wordt exporteur van ruwe
katoen. Een vergelijkbare situatie heeft zich voorgedaan met de Perzische zijden
stoffen.
Reorganisatie van de mondiale economie.
De Europese aanwezigheid was tot ca. 1850 beperkt tot aan de kusten (behalve in
Amerika). Na midden negentiende eeuw volgde het imperialisme: politieke en
territoriale dominantie in de vorm van: kolonies (direct bestuur door Europeanen);
protectoraten (lokale heersers als zetbazen van Europeanen); en invloedssferen
(meerdere Europese state maar geen oude ‘claims’).