Oefenopgaven
Vraag 1 Rente
A. Geef een omschrijving van het begrip rente (= interest).
Iemand zet op 1 januari 2012 een bedrag van € 2.000 op een spaarrekening tegen een
rentepercentage van 2,5%. Op 1 januari 2015 wordt er € 1.000 bijgestort en wordt de rentevoet
verlaagd naar 1,5%. De rente blijft op de spaarrekening staan en is ook rentedragend.
B. Bereken het totaalbedrag dat op 1 januari 2019 na rentebijschrijving op de
spaarrekening staat. (tussentijds niet afronden!)
C. Bereken het totaalbedrag aan rente dat er in de periode 2012 tot 2019 is
ontvangen.
Spijkerbroeken
Een winkelier wil zo snel mogelijk van zijn voorraad oude spijkerbroeken af. Hij voert een
reclamecampagne. Na 9 dagen heeft hij 405 spijkerbroeken verkocht. Hij heeft nu precies 45% van de
voorraad verkocht.
Ga er van uit dat de voorraad gelijkmatig verkocht wordt.
A. Bereken na hoeveel dagen 60% van de voorraad verkocht is.
B. Bereken hoeveel spijkerbroeken de winkelier in voorraad had.
De winkelier heeft uiteindelijk dit jaar 630 broeken verkocht. Vergeleken met vorig
jaar heeft hij 5% minder verkocht.
C. Hoeveel had hij vorig jaar verkocht? Graag afronden op hele getallen
Vraag 1 Rente
A. Geef een omschrijving van het begrip rente (= interest).
Iemand zet op 1 januari 2012 een bedrag van € 2.000 op een spaarrekening tegen een
rentepercentage van 2,5%. Op 1 januari 2015 wordt er € 1.000 bijgestort en wordt de rentevoet
verlaagd naar 1,5%. De rente blijft op de spaarrekening staan en is ook rentedragend.
B. Bereken het totaalbedrag dat op 1 januari 2019 na rentebijschrijving op de
spaarrekening staat. (tussentijds niet afronden!)
C. Bereken het totaalbedrag aan rente dat er in de periode 2012 tot 2019 is
ontvangen.
Spijkerbroeken
Een winkelier wil zo snel mogelijk van zijn voorraad oude spijkerbroeken af. Hij voert een
reclamecampagne. Na 9 dagen heeft hij 405 spijkerbroeken verkocht. Hij heeft nu precies 45% van de
voorraad verkocht.
Ga er van uit dat de voorraad gelijkmatig verkocht wordt.
A. Bereken na hoeveel dagen 60% van de voorraad verkocht is.
B. Bereken hoeveel spijkerbroeken de winkelier in voorraad had.
De winkelier heeft uiteindelijk dit jaar 630 broeken verkocht. Vergeleken met vorig
jaar heeft hij 5% minder verkocht.
C. Hoeveel had hij vorig jaar verkocht? Graag afronden op hele getallen