Fitvak A
Het skelet
Sleutelbeen = os clavicula
Schouderblad = os scapula
Bovenarm = os humurus
Rib = os costa
Ruggenwervel = os colomna vertebralis
- Nekwervels = cervicales (7) (C)
- Rompwervels = thoracicae (12) (TH)
- Lendewervels = lumbales (5) (L)
- Heiligbeen = os sacrum (5)
- Staartbeen = coccigys
Ellepijp = os ulna
Spaakbeen = os radius
Knieschijf = os patella
Scheenbeen = os tibia
Kuitbeen = os fibula
Borstbeen = os sternum
Bekken = os pelvis
- Darmbeen = os ilium
- Zitbeen = os ischii
- Schaambeen = os pubis
Bovenbeen = os femur
Botverbindingen
1. Botweefselverbinding (schedel)
2. Kraakbeenverbindingen (borstbeen – ribben)
3. Bindweefselverbindingen (heupgewricht)
4. Gewricht (articulatio)
Indeling van de gewrichten
Scharniergewricht: een beweging van naar voren en achteren (knie) (1)
Rolgewricht: draaien van de spaakbeen en ellepijp (2)
Kogelgewricht: kan meerdere assen bewegingen maken (heupen, schouders) (1,2,3)
Ellipsvormig gewricht: 3 assen bewegen (pols) (1,3)
Zadelgewricht: draait om een as (van de handpalm naar de duim) (1)
Assen
1. Transversale as: ante/retro feeie
2. Longitudinale as: eeo- en endorotatie
3. Sagitale as: abductie en adductie
, Bewegingsmogelijkheden gewrichten
Antefeeie: in voorwaartse richten hefen
Retrofeeie: in achterwaartse richting hefen
Adductie: naar het lichaam toe bewegen
Abductie: van het lichaam af brengen
Eeorotatie: naar buiten draaien
Endorotatie: naar binnen draaien
Fleeie: buigen
Eetensie: strekken
Supinatie: de hand draait naar buiten (ellepijp – spaakbeen)
Pronatie: de hand draait naar binnen (“)
Palmair/ vinger naar de handpalm/
Plantairfeeie: enkel strekken
Dorsaalfeeie: vingers naar de handrug/
De enkel buigen
Inversie: de binnenzijde van de voet komt omhoog, enkel binnenwaarts draaien
Eversie: de buitenzijde van de voet komt omhoog, enkel buitenwaarts draaien
Lateraalfeeie: het zijwaarts buigen in de wervelkolom
Ventraalfeeie: het voorwaarts buigen in wervelkolom
Dorsaalfeeie: het achterwaarts buigen in de wervelkolom
Torsie: het draaien in de wervelkolom
Elevatie: schouderblad omhoogtrekken
Depressie: het schouderblad omlaag trekken
Retractie: schouderblad naar achteren trekken
Protractie: schouderblad naar voren trekken
Mediorotatie: schouderblad draait naar binnen
Laterorotatie: schouderblad draait naar buiten
Spierstelsel
a. Origo(oorsprong) en insertie(aanhechting)
b. Indeling en functie van de spier
c. Overspanning van gewrichten
d. Voorbeelden van oefeningen
Krachtproductie
1. Concentrische contractie
De spier verkort zich tijdens het kracht leveren
2. Excentrische contractie
De spierlengte neemt toe tijden het leveren van kracht
3. Isometrische contractie
Hierbij levert de spierkracht zonder dat zijn lengte verandert
Het skelet
Sleutelbeen = os clavicula
Schouderblad = os scapula
Bovenarm = os humurus
Rib = os costa
Ruggenwervel = os colomna vertebralis
- Nekwervels = cervicales (7) (C)
- Rompwervels = thoracicae (12) (TH)
- Lendewervels = lumbales (5) (L)
- Heiligbeen = os sacrum (5)
- Staartbeen = coccigys
Ellepijp = os ulna
Spaakbeen = os radius
Knieschijf = os patella
Scheenbeen = os tibia
Kuitbeen = os fibula
Borstbeen = os sternum
Bekken = os pelvis
- Darmbeen = os ilium
- Zitbeen = os ischii
- Schaambeen = os pubis
Bovenbeen = os femur
Botverbindingen
1. Botweefselverbinding (schedel)
2. Kraakbeenverbindingen (borstbeen – ribben)
3. Bindweefselverbindingen (heupgewricht)
4. Gewricht (articulatio)
Indeling van de gewrichten
Scharniergewricht: een beweging van naar voren en achteren (knie) (1)
Rolgewricht: draaien van de spaakbeen en ellepijp (2)
Kogelgewricht: kan meerdere assen bewegingen maken (heupen, schouders) (1,2,3)
Ellipsvormig gewricht: 3 assen bewegen (pols) (1,3)
Zadelgewricht: draait om een as (van de handpalm naar de duim) (1)
Assen
1. Transversale as: ante/retro feeie
2. Longitudinale as: eeo- en endorotatie
3. Sagitale as: abductie en adductie
, Bewegingsmogelijkheden gewrichten
Antefeeie: in voorwaartse richten hefen
Retrofeeie: in achterwaartse richting hefen
Adductie: naar het lichaam toe bewegen
Abductie: van het lichaam af brengen
Eeorotatie: naar buiten draaien
Endorotatie: naar binnen draaien
Fleeie: buigen
Eetensie: strekken
Supinatie: de hand draait naar buiten (ellepijp – spaakbeen)
Pronatie: de hand draait naar binnen (“)
Palmair/ vinger naar de handpalm/
Plantairfeeie: enkel strekken
Dorsaalfeeie: vingers naar de handrug/
De enkel buigen
Inversie: de binnenzijde van de voet komt omhoog, enkel binnenwaarts draaien
Eversie: de buitenzijde van de voet komt omhoog, enkel buitenwaarts draaien
Lateraalfeeie: het zijwaarts buigen in de wervelkolom
Ventraalfeeie: het voorwaarts buigen in wervelkolom
Dorsaalfeeie: het achterwaarts buigen in de wervelkolom
Torsie: het draaien in de wervelkolom
Elevatie: schouderblad omhoogtrekken
Depressie: het schouderblad omlaag trekken
Retractie: schouderblad naar achteren trekken
Protractie: schouderblad naar voren trekken
Mediorotatie: schouderblad draait naar binnen
Laterorotatie: schouderblad draait naar buiten
Spierstelsel
a. Origo(oorsprong) en insertie(aanhechting)
b. Indeling en functie van de spier
c. Overspanning van gewrichten
d. Voorbeelden van oefeningen
Krachtproductie
1. Concentrische contractie
De spier verkort zich tijdens het kracht leveren
2. Excentrische contractie
De spierlengte neemt toe tijden het leveren van kracht
3. Isometrische contractie
Hierbij levert de spierkracht zonder dat zijn lengte verandert