Scheikunde H.3
3.1 Atoommodel
De bouw van atomen
De ontwikkeling loopt door de oude Grieken parallel aan de ontwikkeling van
meetapparatuur. Atomen zijn klein, maar de bouwstenen van atomen zijn nog veel kleiner.
Atoommodel
Volgens het atoommodel bestaat een atoom uit een positief geladen atoomkern waar
negatief geladen elektronen in zogenoemde elektronenschillen omheen bewegen.
Atoomkern = Positief geladen centrum van het atoom. Bestaat uit positief geladen protonen
met daartussen ongeladen neutronen.
Elektronen = Negatief geladen atoomdeeltjes met een zeer kleine massa, die zich in vaste
banen rond de atoomkern bewegen.
Elektronenschillen = Vaste banen waarin de elektronen zich bevinden. Worden aangeduid
met de letters K, L en M
Schil Maximum aantal elektronen
K 2
L 8
M 18
Protonen = Positief geladen kerndeeltjes met een massa van 1,0 u
Neutronen = Neutraal geladen kerndeeltjes met een massa van 1,0 u
Atomaire massa-eenheid, u = Dit is de massa-eenheid waarin een proton, neutron en
elektron wordt uitgedrukt. 1,0 u = 1,66 x 10-27 kg.
Het aantal protonen in de kern bepaalt het atoomsoort. Het massagetal is het aantal
neutronen en protonen samen. In een atoom zijn evenveel elektronen als protonen
aanwezig. De grootte van een atoom wordt bepaald door de elektronenwolk.
, Atoomnummer
Het aantal protonen in een atoomkern wordt aangegeven met het atoomnummer. Elke
atoomsoort (element) heeft zijn eigen atoomnummer. Het aantal protonen in de atoomkern
bepaalt dus tot welk element het atoom behoort.
Atoomnummer = Het aantal protonen in de atoomkern van een atoom.
Massagetal
Massagetal = De som van het aantal protonen en het aantal neutronen in de atoomkern.
Als je het atoomnummer en het massagetal kent, kun je bepalen hoe een atoom is
opgebouwd:
Atoomnummer = aantal protonen = aantal elektronen
Massagetal = aantal protonen+ aantal neutronen
Isotopen
Isotopen = Atomen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen in de kern.
4
Bijv.❑2 Hⅇ 4 is het massagetaal, 2 is het aantal protonen en omdat protonen en elektronen
altijd evenveel zijn is het aantal elektronen ook 2. De neutronen en protonen zijn samen het
massagetaal dus 2 + ? is 4, het antwoord is 2 dus er zijn ook 2 neutronen.
Het onderste getal is altijd het atoomnummer en dus ook het aantal protonen. Het bovenste
getal is altijd het bovenste getal.
Elementen rangschikken
In 1869 kwam de Russische scheikundige Dmitri Mendelejev met het periodiek systeem.
Periodiek systeem = Een methode van rangschikking van elementen op basis van
atoomnummer en stofeigenschappen.
Perioden en groepen
Het atoomnummer in het periodiek systeem neemt steeds van links naar rechts met 1 toe.
De verticale kolommen worden groepen genoemd en de horizontale rijen perioden.
Sommige groepen hebben een groepsnaam gekregen. Zo staan in groep 18 de edelgassen, in
groep 17 staan de halogenen. De alkalimetalen staan in groep 1 en in groep 2 staan de
aardalkalimetalen.
Edelgassen = Groep 18, worden edel genoemd omdat ze niet of nauwelijks reageren.
Halogenen = Groep 17, hebben als element 2-atomige moleculen en reageren heftig met
metalen.
Alkalimetalen = Groep 1, reageren heel heftig met water.
Aardalkalimetalen = Groep 2, zijn erg reactief en vormen metaaloxides, waarin de
metaalatomen en de zuurstofatomen in een verhouding 1 : 1 voorkomen.
3.1 Atoommodel
De bouw van atomen
De ontwikkeling loopt door de oude Grieken parallel aan de ontwikkeling van
meetapparatuur. Atomen zijn klein, maar de bouwstenen van atomen zijn nog veel kleiner.
Atoommodel
Volgens het atoommodel bestaat een atoom uit een positief geladen atoomkern waar
negatief geladen elektronen in zogenoemde elektronenschillen omheen bewegen.
Atoomkern = Positief geladen centrum van het atoom. Bestaat uit positief geladen protonen
met daartussen ongeladen neutronen.
Elektronen = Negatief geladen atoomdeeltjes met een zeer kleine massa, die zich in vaste
banen rond de atoomkern bewegen.
Elektronenschillen = Vaste banen waarin de elektronen zich bevinden. Worden aangeduid
met de letters K, L en M
Schil Maximum aantal elektronen
K 2
L 8
M 18
Protonen = Positief geladen kerndeeltjes met een massa van 1,0 u
Neutronen = Neutraal geladen kerndeeltjes met een massa van 1,0 u
Atomaire massa-eenheid, u = Dit is de massa-eenheid waarin een proton, neutron en
elektron wordt uitgedrukt. 1,0 u = 1,66 x 10-27 kg.
Het aantal protonen in de kern bepaalt het atoomsoort. Het massagetal is het aantal
neutronen en protonen samen. In een atoom zijn evenveel elektronen als protonen
aanwezig. De grootte van een atoom wordt bepaald door de elektronenwolk.
, Atoomnummer
Het aantal protonen in een atoomkern wordt aangegeven met het atoomnummer. Elke
atoomsoort (element) heeft zijn eigen atoomnummer. Het aantal protonen in de atoomkern
bepaalt dus tot welk element het atoom behoort.
Atoomnummer = Het aantal protonen in de atoomkern van een atoom.
Massagetal
Massagetal = De som van het aantal protonen en het aantal neutronen in de atoomkern.
Als je het atoomnummer en het massagetal kent, kun je bepalen hoe een atoom is
opgebouwd:
Atoomnummer = aantal protonen = aantal elektronen
Massagetal = aantal protonen+ aantal neutronen
Isotopen
Isotopen = Atomen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen in de kern.
4
Bijv.❑2 Hⅇ 4 is het massagetaal, 2 is het aantal protonen en omdat protonen en elektronen
altijd evenveel zijn is het aantal elektronen ook 2. De neutronen en protonen zijn samen het
massagetaal dus 2 + ? is 4, het antwoord is 2 dus er zijn ook 2 neutronen.
Het onderste getal is altijd het atoomnummer en dus ook het aantal protonen. Het bovenste
getal is altijd het bovenste getal.
Elementen rangschikken
In 1869 kwam de Russische scheikundige Dmitri Mendelejev met het periodiek systeem.
Periodiek systeem = Een methode van rangschikking van elementen op basis van
atoomnummer en stofeigenschappen.
Perioden en groepen
Het atoomnummer in het periodiek systeem neemt steeds van links naar rechts met 1 toe.
De verticale kolommen worden groepen genoemd en de horizontale rijen perioden.
Sommige groepen hebben een groepsnaam gekregen. Zo staan in groep 18 de edelgassen, in
groep 17 staan de halogenen. De alkalimetalen staan in groep 1 en in groep 2 staan de
aardalkalimetalen.
Edelgassen = Groep 18, worden edel genoemd omdat ze niet of nauwelijks reageren.
Halogenen = Groep 17, hebben als element 2-atomige moleculen en reageren heftig met
metalen.
Alkalimetalen = Groep 1, reageren heel heftig met water.
Aardalkalimetalen = Groep 2, zijn erg reactief en vormen metaaloxides, waarin de
metaalatomen en de zuurstofatomen in een verhouding 1 : 1 voorkomen.