Schaarste dwingt tot kiezen
Op alle niveaus in de samenleving (mensen, bedrijven en overheid) wordt de
spanning gevoeld tussen onbegrensde behoeften aan de ene kant en de
beperkte middelen aan de andere kant. De spanning tussen behoefte en
middelen heet schaarste.
De schaarste van middelen die op verschillende manieren kunnen worden
gebruikt, dwingt tot het maken van keuzen. Meer van het één betekent steeds
minder van het ander.
Behoeften: de wensen van mensen
Schaarste: de spanning tussen behoefte en middelen
Gevangenisdilemma: met het gevangenisdilemma kan je verklaren waarom
ondernemingen een prijzenoorlog voeren, terwijl samenwerking tot betere
resultaten zou leiden.
Economische wetenschap: wetenschap die bestudeert hoe mensen omgaan
met schaarste alternatief aanwendbare middelen, die ze gebruiken om er hun
doelstelling mee te bereiken.
Welvaart: welvraat is groter naarmate consumenten er beter in slagen de
spanning tussen behoefte en middelen(:schaarste) te verkleinen.
Economische goederen: schaarste goederen
Vrije goederen: niet-schaarse goederen, bijvoorbeeld lucht, zonlicht of
drinkwater uit een beek.
Niet-reproduceerbare goederen: goederen die in behoefte kunnen worden
voorzien, maar die eenmalig en uniek zijn. Bijvoorbeeld kunstwerken en
monumenten.
Productie: is het voortbrengen van goederen en diensten. Bij productie worden
twee soorten goederen gemaakt:
Kapitaalgoederen: gaat om machines, vrachtwagens, fabrieken en kantoren.
Het zijn goederen die op hun beurt weer worden gebruikt bij de productie van
andere goederen en diensten.
Consumptiegoederen: als het goed gekocht is door de eindafnemer
(consument).
Productiefactoren:
- Natuur
- Arbeid (inclusief ondernemersarbeid)
- Kapitaalgoederen
Productieproces: worden grondstoffen en halffabricaten met behulp van arbeid
en kapitaal omgevormd tot producten.
Transformatieproces: productie is een transformatieproces. Input ->
transformatie -> output.
Tijdens het productieproces voegen mensen en machines waarde toe aan de
ingekochte grondstoffen.
Organisatie: een geordende groep mensen die samenwerken om bepaalde
doelen te bereiken.
Bedrijven: een organisatie de economische goederen produceert.
Ondernemingen: bedrijf die naar winst streeft.
, Winst: positieve verschil tussen de totale verkoopopbrengsten en de totale
kosten.
Risico: ondernemingen hebben veel risico, omdat er een onzekere toekomst is.
Participanten: de mensen die bij de bedrijfsvoering van de onderneming zijn
betrokken, bijvoorbeeld werknemers, leidinggevenden, leveranciers etc.
Omgevingsfactoren in enge zin (= ondernemingsklimaat):
- Concurrentieverhoudingen
- Economische situatie: hoog- en laagconjunctuur
- Betrekking met het buitenland: Nederland is een open economie
- Economische orde
Omgevingsfactoren in ruime zin (=data):
- De demografische ontwikkeling
- De ontwikkeling van de techniek
- De normen en waarden
- Het politieke systeem en de rechtsorde.
De omgevingsfactoren in ruime zin hebben een grote invloed op de onderneming
en haar participanten, maar ze worden niet door de economie verklaard.
Strategisch management:
Onderzoek van de omgevingsfactoren formuleren van een strategie
uitvoeren van een strategie evaluatie.
Omgevingsonderzoek: extern en intern SWOT-analyse.
Het onderzoek van de omgeving kent een extern deel: het nagaan van de kansen
en bedreigingen van de omgeving en een intern deel: het onderzoek van de
sterktes en zwaktes van de onderneming zelf.
Hoofstuk 2 Onderzoek van de
omgevingsfactoren
Bedrijfskolom: reeks van bedrijven die elkaar opvolgen in het productieproces
van grondstof tot eindproduct.
Integratie: een onderneming gaat meer productieprocessen in dezelfde
bedrijfskolom doen. Bedrijfskolom korter.
Differentiatie: een bedrijf stoot een taak af binnen dezelfde bedrijfskolom.
Bedrijfskolom langer.
Parallellisatie: bedrijf neemt een taak erbij uit een andere bedrijfskolom, die
zich in dezelfde fase van bewerking bevindt. Versmalling van bedrijfskolom.
Specialisatie: onderneming legt zich toe op productie van of handel in kleiner
aantal artikelen. Verbreding van bedrijfskolom.