Moduledoel: Je legt de anatomie en fysiologie van de tractus respiratorius uit. Je beschrijft de
aanpassingen van de tractus respiratorius in de zwangerschap, verklaart veelvoorkomende
fysiologische klachten en geeft hier voorlichting over.
Leerdoelen:
1. Je kent de anatomie van de tr.
2. Je kent de fysiologie van de tr.
3. Je weet de aanpassingen die ontstaan tijdens de zwangerschap tot betrekking met
de tr.
4. Je weet de veelvoorkomende fysiologische klachten en weet adviezen te geven.
Anatomie tractus respiratorius
Bovenste luchtwegen:
• Cavitas nasi (= neusholte)
- Neustussenschot: septum nasi
- 4 neusbijholten: dit zijn met lucht
gevulde holten:
o Sinus maxillares
o Sinus frontales
o Sinus sphenoïdales
o Sinus ethmoïdales
- De neusholte is bekleedt met slijmvlies
(vaatrijk cilinderepitheel).
• Cavitas ori (=mondholte)
- Palatum durum (=harde gehemelte)
- Palatum molle (=zachte gehemelte)
- Lingua (=tong)
- Spieren mondbodem
- Uvula (=huig)
• Pharynx (=keelholte)
- Nasofarynx: nasale deel, achter neusholte
- Orofarynx: orale deel, achter mondholte
- Laryngofarynx: laryngeale deel, onder oropharynx, achter larynx, gaat over in de
oesophagus.
• Larynx (=strottenhoofd)
- Verbind de farynx en trachea
, - Ligt ventraal t.o.v. oesophagus
Bestaat uit:
- Os hyoïdeum (=tongbeen)
- Kraakbeenelementen (cartilago – adamsappel)
- Elastische ligamenten
- Membranen
- Strottenhoofdspieren
` Hierin bevinden zich:
- Stembanden
- Epiglottis (=strotteklepje)
Onderste luchtwegen:
• Trachea (=luchtpijp)
- Loopt tot de 5e rugwervel
- Verschillende weefsellagen
- C-vormige kraakbeenringen
- Binnenbekleding: cilinderepitheel met trilharen
en slijmbekercellen.
- Glad spierweefsel
• Twee bronchi: linker en rechter hoofdbronchus
De rechter hoofdbronchus loopt relatief recht
vergeleken met de linker.
- Rechter: 3 kwabben/lobi
- Linker: 2 kwabben/lobi
Iedere lobus heeft eigen arteriën, venen, bronchi en lymfevaten.
• Kleinere bronchi
• Bronchioli
- Geen kraakbeen meer op dit niveau, dit wordt vervangen door gladspierweefsel.
- Ook wordt het trilhaarepitheel (cilinder) vervangen door niet-trillend epitheel
(plaveiselepitheel) en verdwijnen de slijmbeker cellen.
• Terminale bronchiolen: eindvertakkingen van de bronchioli. Hierin vindt nog geen
gaswisseling plaats.
• Respiratoire bronchiolen: de nauwste luchtwegen in de longen waaruit de alveolaire
buizen en alveolaire zakken ontstaan (de respiratoire bronchiolen en alveoli vormen de
respiratoire zone).
• Alveoli (23e vertakking)
,Alveolus:
Opbouw:
- De meeste cellen die je ziet zijn alveolaire cellen type I.
- Daarnaast heb je alveolaire cellen type II → groene cel in het plaatje. Deze cellen
produceren de stof surfactant. Dit zorgt er voor dat de spanning van het laagje vocht
aan het oppervlakte van de alveoli wordt verlaagd. Door dit verlagen is het
makkelijker om de ingeademde lucht binnen te krijgen.
- Capillairen
- Macrofagen die betrokken zijn bij het filteren van de binnenkomende lucht.
- Gaswisseling vindt plaats in het respiratoir membraan.
Dit is een stevig versmolten wand tussen de alveolaire cel en de capillair.
Ademhalingsspieren:
Inspiratie (=inademing):
- Aanspannen diafragma (=middenrif) → 70% van de inademing.
- Aanspannen Mm. Intercostales externi (= externe tussenribspieren)
Expiratie (=uitademing):
- Hierbij ontspannen het diafragma en Mm. Intercostales externi.
Maximale inspiratie: hierbij zijn hulp inademingspieren betrokken!
, • Halsspieren: M. Sternocleidomastoideus en Mm. Scaleni; deze trekken aan het sternum.
• Borstspier: M. Pectoralis minor; deze trekt aan de ribben.
Maximale expiratie: hierbij zijn ook hulp uitademingsspieren betrokken.
• Mm. Intercostales interni (interne tussenribspieren) → trekken de ribben naar beneden
en inwaarts.
• Buikwandspieren → compressie buikorganen, diafragma meer omhoog.
o m. rectus abdominis (rechte)
o m. obliquus externus abdominis (buitenste schuine spier)
o m. obliquus internus abdominis (binnenste schuine spier)
o m. transversus abdominis (dwarsgestreepte)