Week 1:
- Macroscopische anatomie van het brein
- Het psychiatrisch onderzoek
- Depressief syndroom
- Neuropsychologie
- Persoonlijkheidsdimensies
- Psychofarmacologie (1u20)
- OCD (1u25)
- Psychotherapie (incl. leertheorie) (1u40)
- Neurobiologie (1u45)
Week 2:
- Bewegingsstoornissen in de psychiatrie (aparte filmpjes)
Week 4:
- Neurobiologie van psychose (1u28)
Week 5:
- Social defeat hypothese (1u26)
- Ontwikkelingspsychiatrie (1u38)
- Farmacologie van verslaving (1u10)
Week 6:
- Overzicht van kinder en jeugd psychiatrie (1u55)
- Kwetsbaarheid door genen en omgeving (1u52)
Week 7:
- Eetproblemen (1u20)
- Somatisch symptoom syndroom (1u18)
,Het psychiatrisch onderzoek
Principes in de psychiatrie:
Het stress-kwetsbaarheidsmodel is een veelgebruikt
concept in de psychiatrie om te begrijpen hoe psychische
aandoeningen ontstaan. Het model legt uit dat psychische
klachten ontstaan door een combinatie van biologische
kwetsbaarheid en omgevingsfactoren, zoals stress.
Belangrijke elementen van het model:
1. Kwetsbaarheid (vulnerability):
o Dit verwijst naar een aangeboren of verworven
gevoeligheid voor psychische problemen.
o Deze kwetsbaarheid kan genetisch zijn (zoals een
familiegeschiedenis van psychische stoornissen), maar
ook veroorzaakt worden door vroege
levensomstandigheden, zoals trauma’s of hersenletsel.
o Mensen met een hogere kwetsbaarheid hebben
een grotere kans om bij stress psychische klachten te
ontwikkelen.
2. Stress:
o Stress kan een trigger zijn voor het ontstaan van
een psychische stoornis bij mensen die al kwetsbaar zijn,
omdat het hun veerkracht overschrijdt.
3. Compensatie door beschermende factoren:
o Mensen hebben ook beschermende factoren, zoals sociale steun, goede
copingvaardigheden, lichaamsbeweging en een gezond levenspatroon. Deze kunnen de
impact van stress en kwetsbaarheid verminderen.
4. Uitkomst:
o Als de kwetsbaarheid groot is en de stress hoog, kan dit leiden tot het ontwikkelen
van psychische stoornissen, zoals depressie, angststoornissen of psychoses. Bij een lage
kwetsbaarheid of goede stresshantering kan iemand ondanks stress gezond blijven.
Dagelijkse fluctuaties in het psyche wordt veroorzaakt door onze dagelijkse ervaringen.
Bio-psychosociaal model:
,De DSM-V helpt bij het classificeren van symptomen en disfunctioneren, maar niet bij het
stellen van een psychiatrische diagnose. Voor een psychiatrische diagnose is meer nodig;
het verklaringsmodel (context, stressfactoren).
Engagementproces -> eerste 10 minuten van een psychiatrisch interview -> aandacht voor
het vertrouwen van de patiënt
Psychiatrische diagnostiek:
• Symptomen -> status mentalis onderzoek
• Zorgbehoeften -> coping/ afweer, sociale inbedding (werk, wonen, netwerk)
• Verklaringsmodel -> biografie, lichamelijk onderzoek -> op zoek naar
kwetsbaarheden
Biografie maakt gebruik van biologie, leertheorie en systeemtheorie
Aandachtspunten in biografie:
• Terug gaan naar het begin -> eerste ontwikkeling, kindertijd
- Eerste ontwikkeling: verloop zwangerschap en geboorte, geboortegewicht,
vroeggeboorte, voedingsproblemen, zintuigelijke & motorische ontwikkeling, zindelijkheid
- Kindertijd: eetproblemen, slaapproblemen, (nachtmerries), nagelbijten, bedplassen,
duimzuigen, stotteren, driftbuien,hoofdbonken. Traumatische ervaringen (verlies
ouders,misbruik, geweld, etc), Herinneringen aan sfeer en gedrag (vrolijk, verlegen, angstig
druk, agressief, meegaand, leugenachtig)
- Schooltijd: Begin & eind schoolopleiding. Examens, Veranderingen/doublures, Lange
afwezigheid – spijbelen, Herinneringen aan schooltijd, Leer & gedragsmoeilijkheden, Relatie
met klasgenoten & leraren. Geplaagd / Gepest? Straf? Vriendjes, Hobby's buiten school
- Adolescentie & psychosexuele ontwikkeling
Herinneringen aan puberteit, algemeen, Voorbereid op de veranderingen? Vroeger of later
dan leeftijdsgenoten. Relatie tot ouders. Angst, somberheid, suïcidale gedachten, Sexualiteit
Eerste sexuele ervaringen, Twijfel aan geaardheid. Vaste partners? Gedragsproblemen
Opstandigheid, contacten met politie, agressie
- Opleiding/studie: Welke opleiding, Beloop, Examens, Verhouding tot docenten en
studenten
Afhankelijk of zelfstandig t.o.v.ouderlijk huis
- Beroep/loopbaan: Eerste baan, leeftijd, Overige banen in chronologie, Reden van
verandering
Relatie met werkgevers, collega’s
• Bijzonderheden in levensloop: trauma, misbruik
MSO: observatie en exploratie. Observatie van begin tot eind en exploratie door middel van
uitvragen.
MSO indeling:
1. Algemene indruk
Objectieve beschrijving van iemand die voor je ziet.
- Uiterlijk
- Contact en houding
- Klachtenpresentatie
- Ziektebesef, ziekte-inzicht en ziektegedrag
, - Gevoelens en reacties opgewekt bij de onderzoeker
2. Cognitieve functies (in hiërarchische volgorde)
- Bewustzijn
- Aandacht en concentratie -> is de aandacht bij het gesprek te houden, kan je de
aandacht trekken of verplaatsen. Of is de aandacht erg vernauwd -> op een enkel
onderwerp.
Concentratie vraag je uit -> kan iemand bv nog een boek lezen.
- Oriëntatie -> patiënt is op hoogte van plaats, tijd en persoon
- Intellectuele functies (Oordeelsvermogen, abstractie vermogen, uitvoerende functies,
intelligentie, taal, rekenen.)
Hierbij maak je een schatting van de intelligentie van de patiënt
- Inprenting en geheugen
Hierbij vraag je korte en lange termijn geheugen uit. Lang termijn geheugen gekoppeld aan
de biografie en korte termijn of de patiënt op korte termijn vaak dingen vergeet.
- Waarneming
Hallucinaties, geen externe stimulus maar wel zintuiglijke prikkeling
Illusies, wel externe stimulus, maar verkeerde interpretatie
Herkennen van voorwerpen, zintuiglijke ervaringen
- Denken
Vorm -> tempo, beloop en samenhang
Inhoud -> pre-occupatie, obsessie, waan (overtuiging die niet klopt met de werkelijkheid)
• Bij waan is het wel belangrijk om te weten wat de cultuur is van een persoon.
Geesten kunnen bijvoorbeeld deel uitmaken van een cultuur en zijn dan geen waan.
3. Affectieve functies
- Stemming en affect
Stemming wordt uitgevraagd van de afgelopen twee weken en affect is iets wat je op het
moment zelf in de spreekkamer observeert.
- Somatische klachten en verschijnselen, vitale kenmerken
Paniekaanvallen, transpireren, etc.
4. Conatieve functies
- Psychomotoriek
• Algemeen
• Mimiek (bv rigiditeit of spasticiteit)
• Spraak
- Driftleven
• Driftleven, suïcidaliteit
• Gedrag (zelfbeschadiging, agressief gedrag)
- Persoonlijkheid
• Afweermechanismen
• Coping
Voorbeelden: