Deel 2.4: semantiek
1)
- wat is een definitie “per genus proximum et differentias specificas” ? (+ voorbeeld)
=
Het definiëren van woordbetekenis = oude discipline die o.a. beoefend werd in het kader
van het opstellen van woordenboeken, of de lexicografie
-> daarin werden woordbetekenissen traditioneel gedefinieerd volgens een model dat zijn oorsprong
vindt in het werk van Aristoteles
=> dat wordt “definitie per genus proximum et differentias specificas” genoemd
Genus proximum verwijst naar klasse of categorie die direct bovengeschikt is aan klasse v/d
elementen in de wereld die door een woord worden aangeduid
Bv.: het woord ‘stoel’ -> gebruikt om te verwijzen naar klasse v/d stoelen -> maakt op haar beurt deel
uit van klasse v/d zitmeubels
-> die wordt als genus proximum beschouwd omdat er geen klasse meer is die meer omvattend is
dan die v/d stoelen & minder omvattend dan die v/d zitmeubels
De term differentias specificas -> verwijst naar meer specifieke termen die toelaten om de betekenis
v/e woord binnen het genus proximum verder te differentiëren
Bv.: bij ‘stoel’ -> het idee dat een stoel in principe bestemd is voor één persoon, geen armleuningen
heeft enz. (dit in tegenstelling tot bv. een canapé)
2)
- hoe verhouden de woordvorm, de betekenis en de denotatie zich ten opzichte van elkaar?
(+ voorbeeld)
Volgens dit schema:
drukt een woordvorm een
betekenis uit (hier gedefinieerd
door een aantal kenmerken) en laat
die betekenis toe de denotatie van
het woord te identificeren
Denotatie wordt hier bedoeld:
de klasse van elementen buiten de
taal waar het woord naar
kan verwijzen
Omdat er hier vanuit wordt gegaan dat het de functie is van woorden in de taal om naar elementen
buiten de taal (in de wereld) te verwijzen -> duidt men dit soort betekenisopvatting ook wel aan met
de term denotationele betekenistheorie
Dus, om naar een specifieke stoel (of een specifieke groep stoelen) te verwijzen =>
is noodzakelijk het naamwoord te combineren met een lidwoord of een andere determinator
(een aanwijzend voornaamwoord, een bezittelijk vnw., enz.)
,3)
- leg a.d.h.v.d analyse v/d betekenis v/h Franse woord chaise door Pottier uit hoe het
structuralisme de betekenis v/e woord definieert:
De stelling:
de betekenis van een woord moet zodanig worden gedefinieerd dat duidelijk is waarin de betekenis
van dat woord verschilt van de betekenis van alle andere woorden van de taal
Deze opvatting werd verdedigd door een stroming in de taalkunde, namelijk: het structuralisme
Eén van hun centrale opvattingen:
iedere taal vormt een groot systeem (of een structuur) van tekens, waarbinnen alle tekens ten
opzichte van elkaar gedefinieerd worden door hun onderlinge verschillen
-> kan uitgelegd worden a.d.h.v. analyse v/d betekenis v/h Franse woord chaise door Bernard Pottier:
In de structuralistische semantiek (waarvan deze analyse een illustratie is)
-> ging men ervan uit dat het lexicon van iedere taal één groot systeem vormt waarbinnen de
betekenis van ieder woord (of andere eenheid van het lexicon) wordt gedefinieerd door aan te geven
wat het verschil is tussen de betekenis v/dat woord & de betekenis v/alle andere woorden (of
eenheden van het lexicon) van de taal
Omdat het onbegonnen werk lijkt de betekenis van elk woord te onderscheiden v/d betekenissen
v/alle andere woorden v/h lexicon
-> gaat men er in deze theorie van uit dat het lexicon onderverdeeld is in verzamelingen woorden die
tezamen een bepaald notioneel domein bestrijken
=> dit noemt men woordvelden
Een klassiek voorbeeld daarvan: woordveld v/d zitmeubelen (sièges) dat door Pottier is beschreven
en dat in het Frans bestaat uit woorden zoals chaise, fauteuil, pouf, canapé, tabouret, enz.
Pottier gaat er allereerst van uit dat het kenmerk ‘(voorwerp) om op te zitten’ deel uitmaakt van de
betekenis van al deze woorden:
Dat betekeniselement laat dan meteen toe het verschil aan te geven tussen de betekenis van de
woorden die deel uitmaken van het woordveld van de zitmeubelen enerzijds
&
alle andere woorden van het lexicon anderzijds, die, tenminste in hun letterlijke betekenis, niet
gebruikt worden om te spreken over voorwerpen om op te zitten
De woorden binnen het woordveld verschillen dus alvast van alle andere woorden v/h lexicon omdat
hun betekenis een gezamenlijk kenmerk ‘(voorwerp) om op te zitten’ of [+ om te zitten] bevat,
terwijl de betekenissen van alle andere woorden v/h lexicon eerder het kenmerk [- om te zitten]
omvatten – waarbij “+” en “-“ gebruikt worden om – in die volgorde – aan te geven of het
kenmerk dat erna vermeld wordt onderdeel is van de betekenis van een woord of niet
Het kenmerk [+ om te zitten]
-> is dus een eerste kenmerk dat deel uitmaakt v/d betekenis van alle woorden v/h woordveld v/d
zitmeubelen, waardoor hun betekenis verschilt van die van alle andere woorden in het lexicon v/d
taal
Hoe kunnen we dan vervolgens de betekenis v/d woorden binnen het woordveld zelf beschrijven?
=> verder aan te geven waarin de betekenissen van die woorden onderling van elkaar verschillen
Kan door de betekenis van die woorden verder te ontleden in betekeniskenmerken
Door bv. een kenmerk [+ met rugleuning] in te voeren worden de betekenissen van tabouret en van
pouf onderscheiden v/d betekenissen v/d andere woorden binnen het woordveld
-> omdat een tabouret en een pouf geen rugleuning hebben, maar de elementen waar de andere
woorden in het woordveld naar verwijzen wel
, => Zo kan men verder gaan en alle
woorden van het woordveld in
betekeniskenmerken ontleden.
Het resultaat kan dan worden
voorgesteld zoals in volgend
schema:
Pottier en met hem andere
taalkundigen
-> gaan er in deze
betekenisbenadering van uit dat
de betekenis v/e woord kan
worden geanalyseerd in kleinere
elementen
Die elementen =
betekeniskenmerken of
betekeniscomponenten & de betekenisanalyse die erin bestaat de betekenis van woorden (en
andere elementen van het lexicon) te ontleden in betekeniscomponenten noemt men
componentiële betekenisanalyse
OOK SCHEMAATJE TEKENEN (onthoud dat fauteuil voor één persoon is)
4)
- welke kritieken of bedenkingen kan men formuleren m.b.t. de
componentiële betekenisanalyse o.b.v. het onderzoek v/
Helmut Gipper, waarvan het resultaat kan worden samengevat
door deze figuur:
(Het zou ons te ver leiden alle argumenten voor en tegen een (structuralistische)
componentiële betekenisanalyse zoals die van Pottier te bespreken)
Een v/d problemen die door deze betekenistheorie wordt gesteld, betreft de
begrenzing v/d categorieën aangeduid door de woorden binnen het woordveld
Als alles goed verloopt -> zou de definitie v/d betekenis v/e woord binnen het
woordveld d.m.v. betekeniskenmerken moeten toelaten om die betekenis te onderscheiden v/die
van andere woorden in het woordveld ->
maar ook om uit te maken welke elementen behoren tot de categorie waarnaar het woord verwijst
Immers bestaat de betekenis v/e woord uit betekeniskenmerken die functioneren als noodzakelijke
en voldoende voorwaarden om uit te maken of iets behoort tot de categorie waar het woord naar
verwijst
Bijgevolg zouden we telkens ondubbelzinnig moeten kunnen uitmaken of we een zitmeubel stoel
(chaise) noemen, zetel (fauteuil), canapé, enz.
De vraag is dan -> of het inderdaad in alle gevallen duidelijk is door welk woord v/h woordveld
zitmeubelen kunnen worden benoemd
Een Duitse taalkundige, Helmut Gipper, heeft dit onderzocht voor de Duitse woorden Stuhl en Sessel
Hij legde aan een aantal proefpersonen een reeks afbeeldingen van zitmeubelen voor en vroeg hen
om ze te benoemen met de Duitse naamwoorden Sessel en Stuhl
Het resultaat kan voorgesteld worden in de hierbijgetoonde figuur
De resultaten zijn verrassend:
-> wanneer de betekenis van woorden gedefinieerd wordt door betekeniskenmerken zoals Pottier
die gebruikt
1)
- wat is een definitie “per genus proximum et differentias specificas” ? (+ voorbeeld)
=
Het definiëren van woordbetekenis = oude discipline die o.a. beoefend werd in het kader
van het opstellen van woordenboeken, of de lexicografie
-> daarin werden woordbetekenissen traditioneel gedefinieerd volgens een model dat zijn oorsprong
vindt in het werk van Aristoteles
=> dat wordt “definitie per genus proximum et differentias specificas” genoemd
Genus proximum verwijst naar klasse of categorie die direct bovengeschikt is aan klasse v/d
elementen in de wereld die door een woord worden aangeduid
Bv.: het woord ‘stoel’ -> gebruikt om te verwijzen naar klasse v/d stoelen -> maakt op haar beurt deel
uit van klasse v/d zitmeubels
-> die wordt als genus proximum beschouwd omdat er geen klasse meer is die meer omvattend is
dan die v/d stoelen & minder omvattend dan die v/d zitmeubels
De term differentias specificas -> verwijst naar meer specifieke termen die toelaten om de betekenis
v/e woord binnen het genus proximum verder te differentiëren
Bv.: bij ‘stoel’ -> het idee dat een stoel in principe bestemd is voor één persoon, geen armleuningen
heeft enz. (dit in tegenstelling tot bv. een canapé)
2)
- hoe verhouden de woordvorm, de betekenis en de denotatie zich ten opzichte van elkaar?
(+ voorbeeld)
Volgens dit schema:
drukt een woordvorm een
betekenis uit (hier gedefinieerd
door een aantal kenmerken) en laat
die betekenis toe de denotatie van
het woord te identificeren
Denotatie wordt hier bedoeld:
de klasse van elementen buiten de
taal waar het woord naar
kan verwijzen
Omdat er hier vanuit wordt gegaan dat het de functie is van woorden in de taal om naar elementen
buiten de taal (in de wereld) te verwijzen -> duidt men dit soort betekenisopvatting ook wel aan met
de term denotationele betekenistheorie
Dus, om naar een specifieke stoel (of een specifieke groep stoelen) te verwijzen =>
is noodzakelijk het naamwoord te combineren met een lidwoord of een andere determinator
(een aanwijzend voornaamwoord, een bezittelijk vnw., enz.)
,3)
- leg a.d.h.v.d analyse v/d betekenis v/h Franse woord chaise door Pottier uit hoe het
structuralisme de betekenis v/e woord definieert:
De stelling:
de betekenis van een woord moet zodanig worden gedefinieerd dat duidelijk is waarin de betekenis
van dat woord verschilt van de betekenis van alle andere woorden van de taal
Deze opvatting werd verdedigd door een stroming in de taalkunde, namelijk: het structuralisme
Eén van hun centrale opvattingen:
iedere taal vormt een groot systeem (of een structuur) van tekens, waarbinnen alle tekens ten
opzichte van elkaar gedefinieerd worden door hun onderlinge verschillen
-> kan uitgelegd worden a.d.h.v. analyse v/d betekenis v/h Franse woord chaise door Bernard Pottier:
In de structuralistische semantiek (waarvan deze analyse een illustratie is)
-> ging men ervan uit dat het lexicon van iedere taal één groot systeem vormt waarbinnen de
betekenis van ieder woord (of andere eenheid van het lexicon) wordt gedefinieerd door aan te geven
wat het verschil is tussen de betekenis v/dat woord & de betekenis v/alle andere woorden (of
eenheden van het lexicon) van de taal
Omdat het onbegonnen werk lijkt de betekenis van elk woord te onderscheiden v/d betekenissen
v/alle andere woorden v/h lexicon
-> gaat men er in deze theorie van uit dat het lexicon onderverdeeld is in verzamelingen woorden die
tezamen een bepaald notioneel domein bestrijken
=> dit noemt men woordvelden
Een klassiek voorbeeld daarvan: woordveld v/d zitmeubelen (sièges) dat door Pottier is beschreven
en dat in het Frans bestaat uit woorden zoals chaise, fauteuil, pouf, canapé, tabouret, enz.
Pottier gaat er allereerst van uit dat het kenmerk ‘(voorwerp) om op te zitten’ deel uitmaakt van de
betekenis van al deze woorden:
Dat betekeniselement laat dan meteen toe het verschil aan te geven tussen de betekenis van de
woorden die deel uitmaken van het woordveld van de zitmeubelen enerzijds
&
alle andere woorden van het lexicon anderzijds, die, tenminste in hun letterlijke betekenis, niet
gebruikt worden om te spreken over voorwerpen om op te zitten
De woorden binnen het woordveld verschillen dus alvast van alle andere woorden v/h lexicon omdat
hun betekenis een gezamenlijk kenmerk ‘(voorwerp) om op te zitten’ of [+ om te zitten] bevat,
terwijl de betekenissen van alle andere woorden v/h lexicon eerder het kenmerk [- om te zitten]
omvatten – waarbij “+” en “-“ gebruikt worden om – in die volgorde – aan te geven of het
kenmerk dat erna vermeld wordt onderdeel is van de betekenis van een woord of niet
Het kenmerk [+ om te zitten]
-> is dus een eerste kenmerk dat deel uitmaakt v/d betekenis van alle woorden v/h woordveld v/d
zitmeubelen, waardoor hun betekenis verschilt van die van alle andere woorden in het lexicon v/d
taal
Hoe kunnen we dan vervolgens de betekenis v/d woorden binnen het woordveld zelf beschrijven?
=> verder aan te geven waarin de betekenissen van die woorden onderling van elkaar verschillen
Kan door de betekenis van die woorden verder te ontleden in betekeniskenmerken
Door bv. een kenmerk [+ met rugleuning] in te voeren worden de betekenissen van tabouret en van
pouf onderscheiden v/d betekenissen v/d andere woorden binnen het woordveld
-> omdat een tabouret en een pouf geen rugleuning hebben, maar de elementen waar de andere
woorden in het woordveld naar verwijzen wel
, => Zo kan men verder gaan en alle
woorden van het woordveld in
betekeniskenmerken ontleden.
Het resultaat kan dan worden
voorgesteld zoals in volgend
schema:
Pottier en met hem andere
taalkundigen
-> gaan er in deze
betekenisbenadering van uit dat
de betekenis v/e woord kan
worden geanalyseerd in kleinere
elementen
Die elementen =
betekeniskenmerken of
betekeniscomponenten & de betekenisanalyse die erin bestaat de betekenis van woorden (en
andere elementen van het lexicon) te ontleden in betekeniscomponenten noemt men
componentiële betekenisanalyse
OOK SCHEMAATJE TEKENEN (onthoud dat fauteuil voor één persoon is)
4)
- welke kritieken of bedenkingen kan men formuleren m.b.t. de
componentiële betekenisanalyse o.b.v. het onderzoek v/
Helmut Gipper, waarvan het resultaat kan worden samengevat
door deze figuur:
(Het zou ons te ver leiden alle argumenten voor en tegen een (structuralistische)
componentiële betekenisanalyse zoals die van Pottier te bespreken)
Een v/d problemen die door deze betekenistheorie wordt gesteld, betreft de
begrenzing v/d categorieën aangeduid door de woorden binnen het woordveld
Als alles goed verloopt -> zou de definitie v/d betekenis v/e woord binnen het
woordveld d.m.v. betekeniskenmerken moeten toelaten om die betekenis te onderscheiden v/die
van andere woorden in het woordveld ->
maar ook om uit te maken welke elementen behoren tot de categorie waarnaar het woord verwijst
Immers bestaat de betekenis v/e woord uit betekeniskenmerken die functioneren als noodzakelijke
en voldoende voorwaarden om uit te maken of iets behoort tot de categorie waar het woord naar
verwijst
Bijgevolg zouden we telkens ondubbelzinnig moeten kunnen uitmaken of we een zitmeubel stoel
(chaise) noemen, zetel (fauteuil), canapé, enz.
De vraag is dan -> of het inderdaad in alle gevallen duidelijk is door welk woord v/h woordveld
zitmeubelen kunnen worden benoemd
Een Duitse taalkundige, Helmut Gipper, heeft dit onderzocht voor de Duitse woorden Stuhl en Sessel
Hij legde aan een aantal proefpersonen een reeks afbeeldingen van zitmeubelen voor en vroeg hen
om ze te benoemen met de Duitse naamwoorden Sessel en Stuhl
Het resultaat kan voorgesteld worden in de hierbijgetoonde figuur
De resultaten zijn verrassend:
-> wanneer de betekenis van woorden gedefinieerd wordt door betekeniskenmerken zoals Pottier
die gebruikt