Probleem 1
Learning goals
● welke type celdeling zijn er? en hoe verschillen deze?
● wat is DNA en hoe wordt dit gekopieerd? kan het veranderen?
● hoe werkt overerving van eigenschappen? en hoe kan dit berekend worden?
● hoe zien de fasen van zwangerschap eruit? hoe ontwikkelt een kind zich?
● welke externe factoren hebben een negatieve invloed op de zwangerschap?
wanneer en hoe hebben deze invloed?
● wat voor soort genetische stoornissen zijn er?
DNA en chromosomen
Eukaryoten → een mens, dier, plant of schimmel
● hebben chromosomen → opgebouwd uit DNA
Prokaryoten → bacterie
● hebben nucleotide → onregelmatig gevormde plek waar het erfelijk
materiaal zich bevindt → 1 lange cirkelvormige draad DNA
● hebben 1 ouder en dus maar 1 chromosoom
● hebben plasmiden → extra kopieën van het DNA → zijn niet verbonden met
het algemene DNA
DNA → genetische materiaal van een cel
● zorgt ervoor dat bepaalde eigenschappen worden overgedragen naar de volgende
generatie
● desoxyribo-nucleid-acid
● chromatin → gevormd door strengen DNA en histonen (eiwitten)
Typen celdeling
Mitose → gewone celdeling
● chromosomen worden uit elkaar getrokken → hierom heen een membraan
→ cel splitst
Meiose → celdeling van de geslachtscellen
● gaat twee keer door alle stadia
● crossing over (is niet bij mitose)
Overerving
Genotype → de genen die iemand erft
Fenotype → het observeerbare of meetbare effect van die genen
Simpele dominant recessieve overerving → je hebt een dominant en een recessief
allel
● AA → eigenschap A als fenotype
● Aa → eigenschap A als fenotype
● aa → eigenschap a als fenotype
,Homozygoot → wanneer een organisme voor een bepaalde eigenschap twee
identieke exemplaren van een gen heeft
Heterozygoot → wanneer een organisme voor een bepaalde eigenschap twee
verschillende vormen van een gen heeft
Co-dominance → wanneer twee heterozygote even sterk worden uitgedrukt in het
fenotype
● vb → bloedgroepen
Polygenetische erfelijkheid → geen zwart/wit uitkomsten maar een continue
variatie waarbij allelen samenwerken
● dingen zoals lengte, gewicht, intelligentie, huidskleur etc
Intermediair → middenweg tussen twee allelen
Sekse gerelateerde karakteristieken → genen dat worden gedragen op de X en Y
chromosomen
● vb → als het op het X chromosoom zit is er meer kans voor de man om
deze eigenschap te zitten aangezien de man XX heeft
Fasen prenatale ontwikkeling
3 periodes binnen de 9 maanden zwangerschap
1. zygote (germinal period) → 0 tot 2 weken
● eerste twee weken → begint met sperma wat het eitje bevrucht
● bevruchte eicel gaat door de eileider en het deelt hier snel
● implantatie → het plant zich in de baarmoederwand → nog extreem
klein
● gaat fysiologische afhankelijkheid aan met de moeder wat heel de
zwangerschap blijft
● blastocyst →groep van 60 to 70 cellen die holle met vloeistof gevulde
bal vormen → binnenste cellen → embryonic disk
● trofoblast → buitenste cellen, zorgen voor ondersteuning en voeding
embryo
● 7-9e dag → implantatie
● trofoblast wordt → vruchtvlies
● amniotic sac (vruchtvlies) → dun membraan, bevat amniotic fluid
(vruchtwater) → vruchtwater beschermt tegen schokken en
temperatuursveranderingen
● dooierzak → produceert bloedcellen tot ontwikkelde lever, milt en
beenmerg volgroeid genoeg zijn om deze taak over te nemen
● chorion → beschermend membraan dat einde 2e week wordt
gevormd → bevat kleine bloedvaten die zich hechten aan de
baarmoederwand waardoor de placenta begint te ontwikkelen
2. embryo → 3 tot 8 weken
● embryo groeit in dit stadium 200%
● placenta etc volgroeien
, ● wordt herkenbaar als mens
● placenta en navelstreng ontwikkelen → via navelstreng kunnen
medicijnen, antilichamen, drugs, virussen etc naar binnen bij het
kindje
● embryo wordt verdeeld in 3 lagen
➢ endotherm → longen, alvleesklier, spijsverteringsstelsel en
lever
➢ medotherm → bloedsomloop, skelet en spieren
➢ ectoderm → sensorische cellen en zenuwstelsel, samen met
haar, nagels, tanden en huid
● zenuwstelsel ontwikkelt → 4e of 5e week
● cephalo caudal → houdt in dat ontwikkeling doorgaat vanaf hoofd
naar beneden
● proximal-distal → groei vindt eerst in de centrale delen plaats →
zoals organen
● organogenese → proces van orgaanvorming de eerste 2 maanden
van prenatale ontwikkeling
● miskramen komen vaak in die stadium voor → embryo laat dan los van
baarmoederwand en gaat er uit via de vagina
3. foetus → 2 maanden tot geboorte
● gezicht herkenbaar + armen, benen en genitaliën (week 12) kunnen worden
vastgesteld
● nagels, tand stompjes en oogleden
● 17-20 weken → moeder kan beweging ervaren
● vernix →witte kaasachtige substantie over de huid zodat de huid
niet gaat kloven door de vloeistof van de baarmoeder
● witte haartjes → lanugo → helpen vastplakken van de vernix
● 22-26 weken → age of viability → kan buiten baarmoeder overleven
, Germline mutatie → mutatie in toekomstige gameten die dus wordt doorgegeven
van ouder op kind
Somatische mutatie → mutatie van een lichaamscel dat zich kan verspreiden door
duplicatie en daardoor kan leiden tot een ziekte zoals kanker
Negatieve effecten van externe factoren tijdens zwangerschap
Teratogenen → externe negatieve factoren tijdens zwangerschap
● genotype van moeder kan ervoor zorgen dat teratogeen minder of geen effect heeft
● vooral schadelijk tijdens embryo periode
● elk teratogeen heeft een specifiek effect op het ontwikkelingsproces
1. nicotine
● verstoorde werking placenta
● te weinig zuurstof, verstoring van de hersenen
● verhoogd kans op een miskraam
● sudden infant death syndrome → laag geboortegewicht,
vroeggeboorte, verhoogde kans op cardiovasculaire problemen en
hyperactiviteit stoornissen
2. alcohol
● verstoorde werking placenta
● foetaal alcoholsyndroom →belemmerde groei, geestelijke
beperkingen, lichamelijke afwijkingen, hyperactief en overmatig
prikkelbaarheid
● gebruik van alcohol voor conceptie bij man en vrouw kan ook rol spelen
Learning goals
● welke type celdeling zijn er? en hoe verschillen deze?
● wat is DNA en hoe wordt dit gekopieerd? kan het veranderen?
● hoe werkt overerving van eigenschappen? en hoe kan dit berekend worden?
● hoe zien de fasen van zwangerschap eruit? hoe ontwikkelt een kind zich?
● welke externe factoren hebben een negatieve invloed op de zwangerschap?
wanneer en hoe hebben deze invloed?
● wat voor soort genetische stoornissen zijn er?
DNA en chromosomen
Eukaryoten → een mens, dier, plant of schimmel
● hebben chromosomen → opgebouwd uit DNA
Prokaryoten → bacterie
● hebben nucleotide → onregelmatig gevormde plek waar het erfelijk
materiaal zich bevindt → 1 lange cirkelvormige draad DNA
● hebben 1 ouder en dus maar 1 chromosoom
● hebben plasmiden → extra kopieën van het DNA → zijn niet verbonden met
het algemene DNA
DNA → genetische materiaal van een cel
● zorgt ervoor dat bepaalde eigenschappen worden overgedragen naar de volgende
generatie
● desoxyribo-nucleid-acid
● chromatin → gevormd door strengen DNA en histonen (eiwitten)
Typen celdeling
Mitose → gewone celdeling
● chromosomen worden uit elkaar getrokken → hierom heen een membraan
→ cel splitst
Meiose → celdeling van de geslachtscellen
● gaat twee keer door alle stadia
● crossing over (is niet bij mitose)
Overerving
Genotype → de genen die iemand erft
Fenotype → het observeerbare of meetbare effect van die genen
Simpele dominant recessieve overerving → je hebt een dominant en een recessief
allel
● AA → eigenschap A als fenotype
● Aa → eigenschap A als fenotype
● aa → eigenschap a als fenotype
,Homozygoot → wanneer een organisme voor een bepaalde eigenschap twee
identieke exemplaren van een gen heeft
Heterozygoot → wanneer een organisme voor een bepaalde eigenschap twee
verschillende vormen van een gen heeft
Co-dominance → wanneer twee heterozygote even sterk worden uitgedrukt in het
fenotype
● vb → bloedgroepen
Polygenetische erfelijkheid → geen zwart/wit uitkomsten maar een continue
variatie waarbij allelen samenwerken
● dingen zoals lengte, gewicht, intelligentie, huidskleur etc
Intermediair → middenweg tussen twee allelen
Sekse gerelateerde karakteristieken → genen dat worden gedragen op de X en Y
chromosomen
● vb → als het op het X chromosoom zit is er meer kans voor de man om
deze eigenschap te zitten aangezien de man XX heeft
Fasen prenatale ontwikkeling
3 periodes binnen de 9 maanden zwangerschap
1. zygote (germinal period) → 0 tot 2 weken
● eerste twee weken → begint met sperma wat het eitje bevrucht
● bevruchte eicel gaat door de eileider en het deelt hier snel
● implantatie → het plant zich in de baarmoederwand → nog extreem
klein
● gaat fysiologische afhankelijkheid aan met de moeder wat heel de
zwangerschap blijft
● blastocyst →groep van 60 to 70 cellen die holle met vloeistof gevulde
bal vormen → binnenste cellen → embryonic disk
● trofoblast → buitenste cellen, zorgen voor ondersteuning en voeding
embryo
● 7-9e dag → implantatie
● trofoblast wordt → vruchtvlies
● amniotic sac (vruchtvlies) → dun membraan, bevat amniotic fluid
(vruchtwater) → vruchtwater beschermt tegen schokken en
temperatuursveranderingen
● dooierzak → produceert bloedcellen tot ontwikkelde lever, milt en
beenmerg volgroeid genoeg zijn om deze taak over te nemen
● chorion → beschermend membraan dat einde 2e week wordt
gevormd → bevat kleine bloedvaten die zich hechten aan de
baarmoederwand waardoor de placenta begint te ontwikkelen
2. embryo → 3 tot 8 weken
● embryo groeit in dit stadium 200%
● placenta etc volgroeien
, ● wordt herkenbaar als mens
● placenta en navelstreng ontwikkelen → via navelstreng kunnen
medicijnen, antilichamen, drugs, virussen etc naar binnen bij het
kindje
● embryo wordt verdeeld in 3 lagen
➢ endotherm → longen, alvleesklier, spijsverteringsstelsel en
lever
➢ medotherm → bloedsomloop, skelet en spieren
➢ ectoderm → sensorische cellen en zenuwstelsel, samen met
haar, nagels, tanden en huid
● zenuwstelsel ontwikkelt → 4e of 5e week
● cephalo caudal → houdt in dat ontwikkeling doorgaat vanaf hoofd
naar beneden
● proximal-distal → groei vindt eerst in de centrale delen plaats →
zoals organen
● organogenese → proces van orgaanvorming de eerste 2 maanden
van prenatale ontwikkeling
● miskramen komen vaak in die stadium voor → embryo laat dan los van
baarmoederwand en gaat er uit via de vagina
3. foetus → 2 maanden tot geboorte
● gezicht herkenbaar + armen, benen en genitaliën (week 12) kunnen worden
vastgesteld
● nagels, tand stompjes en oogleden
● 17-20 weken → moeder kan beweging ervaren
● vernix →witte kaasachtige substantie over de huid zodat de huid
niet gaat kloven door de vloeistof van de baarmoeder
● witte haartjes → lanugo → helpen vastplakken van de vernix
● 22-26 weken → age of viability → kan buiten baarmoeder overleven
, Germline mutatie → mutatie in toekomstige gameten die dus wordt doorgegeven
van ouder op kind
Somatische mutatie → mutatie van een lichaamscel dat zich kan verspreiden door
duplicatie en daardoor kan leiden tot een ziekte zoals kanker
Negatieve effecten van externe factoren tijdens zwangerschap
Teratogenen → externe negatieve factoren tijdens zwangerschap
● genotype van moeder kan ervoor zorgen dat teratogeen minder of geen effect heeft
● vooral schadelijk tijdens embryo periode
● elk teratogeen heeft een specifiek effect op het ontwikkelingsproces
1. nicotine
● verstoorde werking placenta
● te weinig zuurstof, verstoring van de hersenen
● verhoogd kans op een miskraam
● sudden infant death syndrome → laag geboortegewicht,
vroeggeboorte, verhoogde kans op cardiovasculaire problemen en
hyperactiviteit stoornissen
2. alcohol
● verstoorde werking placenta
● foetaal alcoholsyndroom →belemmerde groei, geestelijke
beperkingen, lichamelijke afwijkingen, hyperactief en overmatig
prikkelbaarheid
● gebruik van alcohol voor conceptie bij man en vrouw kan ook rol spelen