1. GEGEVENSCONTROLE EN -BEWERKING
Editing = de ingevulde formulieren controleren op fouten. Er worden fouten/ vergissingen gedetecteerd
1.1. EDITING
Het editeren = iedere vragenlijst stuk voor stuk nakijken op fouten en onnauwkeurigheden
Je besteedt aandacht aan volgende aspecten:
1. Volledigheid
Wat bij onbeantwoorde vragen? Kon de respondent niet antwoorden of wou hij niet?
2. Begrijpelijkheid
Moeilijk leesbaar handschrift/ gebruik van ongebruikelijke afkortingen
3. Consistentie
Response-errors kun je ontdekken door de individuele vragenlijsten in hun geheel door te nemen
4. Eenvormigheid
Werd de vraag door iedereen op gelijke wijze geïnterpreteerd?
⇨ Het is de taak van de projectleider om de ontbrekende, onduidelijke of foute gegevens op te sporen en te
proberen er een oplossing voor te vinden
⇨ Enquêtes met fouten zijn waardevol, het ‘waarschijnlijke’ antwoord wordt afgeleid uit de rest vd enquête
1.2. CODERING
Coderen = het toekennen van een code (cijferwaarde) aan iedere antwoordcategorie
• Doel: makkelijke verwerking van de gegevens
• Voor enkelvoudige vragen
Als projectleider maak je een codeboek (= je voorziet een code voor ieder antwoord
Bij gesloten vragen: precodering = codes al voorzien bij het opstellen van de vragenlijst (codeboek)
Bij open vragen: projectleider overloopt stuk voor stuk de vragen, rubriceert en geeft elke categorie een code
• Heel moeilijk
1.3. MEETNIVEAUS
Data die je uit een marktonderzoek krijgt zijn van een verschillend niveau. We onderscheiden:
⇨ Niet-metrische gegevens (kwalitatieve)
⇨ Metrische gegevens (kwantitatieve)
Elk gegeven heeft betrekking op een onderwerp (= de variabele) Kan verschillende waarden aannemen
De waarden die verzameld werden in het onderzoek De gegevens
1
, NIET-METRISCHE GEGEVENS (KWALITATIEF)
= Duiden een niet-getalsmatige eigenschap aan
• Aanduidingen (hard, zacht)
• Kwalificaties (beroep, woonplaats)
2 meetniveaus:
1. Nominaal meetniveau: je stelt vast dat 2 waarden verschillend zijn & kent een code toe
o Bv. Man = 1, vrouw = 2
2. Ordinaal meetniveau: data geeft een rangorde weer, onderlinge afstand is niet gedefinieerd
o Bv. Aankomstvolgorde van een wielerwedstrijd, de eerste is beter dan de laatste, maar je kan
niet eenduidig bepalen hoeveel beter de een was.
METRISCHE GEGEVENS (KWANTITATIEF)
= Kun je optellen, aftrekken, delen, vermenigvuldigen en vergelijken. Testen worden hiermee gedaan
• Verschillen (temperatuur)
• Hoeveelheden (marktgrootte, winstpercentage)
2 meetniveaus:
1. Intervalmeetniveau: afstand tussen 2 opeenvolgende elementen vd schaal wordt constant gehouden,
er is geen vast nul punt (wordt arbitrair bepaald)
o Bv. Temperatuur in Celsius, de jaartelling
2. Ratiomeetniveau: rangorde, afstand en vast nulpunt. We kunnen verhoudingen (ratio’s) berekenen
o Bv. 90cm is driemaal zoveel als 30cm. 0 geeft een aanwezigheid van iets weer
TOEGELATEN STATISTISCHE BEWERKINGEN
Hoe hoger het niveau, hoe meer bewerkingen toegelaten zijn.
Er wordt vaak gewerkt met:
• Enquêteformulieren die met de computer gescand worden
• Enquêteformulieren rechtstreeks ingevuld door de respondent
• Enquêteformulieren die rechtstreeks door de respondent online ingetikt worden (CATI of CAPI)
o Noodzakelijk dat het coderen vooraf is gebeurd
2