2026 Kwantitatief
criminologisch
onderzoek
Prof. Kristof Verfaillie
Beau Ramon
,INHOUDSOPGAVE
HOC 1 .................................................................................................................................................2
1.1 welke problemen zijn belangrijk voor criminologen? (eliaerts & snacken) ....................................2
1.2 hoe begin ik aan een onderzoek? ..............................................................................................3
1.3 hoe ga ik mijn vraag beantwoorden? .........................................................................................5
HOC 2 .................................................................................................................................................8
2.1 hoe begin ik aan een empirisch onderzoek? ..............................................................................8
2.2 enkele voorbeelden .................................................................................................................9
2.3 is de vraag uit mijn probleemstelling geschikt voor een kwantitatief onderzoek? (veel fouten op
examen !!) .................................................................................................................................. 12
2.3 verschillende soorten onderzoeksvragen ................................................................................ 13
2.5 ethiek ................................................................................................................................... 14
HOC 3 ............................................................................................................................................... 15
3.1 causaliteit ............................................................................................................................. 15
3.2 is er een 3E beïnvloedende variabele? ..................................................................................... 16
3.3 3 soorten onderzoek .............................................................................................................. 18
3.4 wat is survey onderzoek? ....................................................................................................... 21
HOC 4 ............................................................................................................................................... 24
4.1 experimenteel onderzoek ....................................................................................................... 24
4.2 zuiver experiment .................................................................................................................. 24
4.3 quasi – experiment ................................................................................................................ 30
4.4 experiment, pre – experiment en quasi – experiment ................................................................ 30
hoc 5 ................................................................................................................................................. 33
5.1 eenheden, populatie, steekproef ............................................................................................ 33
5.2 aselecte steekproeven ........................................................................................................... 34
5.3 selecte steekproeven............................................................................................................. 36
HOC 6 ............................................................................................................................................... 40
6.1 hoe verzamel je gegevens? ..................................................................................................... 40
6.2 wanneer gebruik je welke dataverzamelingsmethode?............................................................. 42
6.3 bestaande data ..................................................................................................................... 42
6.4 hoe verzamel je gegevens? ..................................................................................................... 44
HOC 7 ............................................................................................................................................... 48
7.1 beleidsevaluatie .................................................................................................................... 48
7.2 hoe rapporteer je onderzoek? ................................................................................................. 52
examenvoorbeeld (deel 2 van het examen) .......................................................................................... 53
1
,HOC 1
Karl Popper: we maken in het dagelijks leven voortdurend veronderstellingen – wetenschap is in essentie
Wetenschap = problemen oplossen ook zo een activiteit, we gaan problemen identificeren en daar
een oplossing proberen voor te vinden.
Vragen stellen
Antwoorden formuleren
1.1 WELKE PROBLEMEN ZIJN BELANGRIJK VOOR CRIMINOLOGEN? (ELIAERTS & SNACKEN)
Criminologie als wetenschap houdt zich bezig met 4 grote thema’s (omgezet in vragen!)
1. Hoe komen definities van deviantie tot stand?
• Heeft te maken over de beoordeling van gedrag
• Waarom benoemen wij gedrag in onze samenleving als afwijkend?
• Waarom en hoe we dat gedrag beschrijven en hoe dit veranderd?
2. Wie overtreedt normen en waarom (en wie is het slachtoffer)?
• Wie zijn de daders?
• Wat is het profiel?
• Waarom pleeg je feiten? Wat zijn redeneringen?
• Wie is het slachtoffer (victimologie)? Wat betekent het om slachtoffer te zijn?
3. Hoe reageren we op normovertredingen?
• Allerhande manieren om te reageren op sancties …
• Dit heeft te maken hoe politionele systemen omgaan met criminaliteit
• Hoe werkt justitie, gevangenissen, alternatieve sancties, …?
4. Wat zijn de effecten van die reactie?
• Heeft een bepaalde reactie een recidive reactie als gevolg?
• Wat zijn de effecten van bestraffing?
Voorbeeld: Waarom op de dag vandaag meer aandacht aan misbruik in de kerk dan vroeger? Waarom
komt dit nu tot stand?
Problem solving = antwoorden formuleren (probleem is opgelost als we een antwoord op de vraag
hebben) – om dit wetenschappelijk te benoemen zijn we verplicht om een bepaald proces te doorlopen
Proces om antwoorden te formuleren = methodologie
Kwalitatief >< kwantitatief – mixed method benadering
Theorie = een antwoord op een vraag – het best mogelijke antwoord dat je als wetenschapper op een
vraag kan geven na het doorlopen van het proces !!
Vb. Robert Agnew
- Vraag: waarom plegen mensen criminaliteit?
- Antwoord: algemene spanningsbenadering (general strain theory)
2
, 1.1.1 WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Hoe boeken we vooruitgang?
• Verfijnen van antwoorden of het weerleggen ervan
- Onderzoek gaat over falsifiëren !!
• Onze kennis onderwerpen aan de strengst mogelijk test, het proberen weerleggen of falsifiëren
van de antwoorden die we formuleren op onze vragen (= wetenschappelijke kritiek).
• Als het antwoord die test doorstaat, mogen we dat antwoord voorlopig blijven geven. Als het die
test niet doorstaat moeten we op zoek naar betere antwoorden.
Robert Agnew heeft de algemene spanningsbenadering (General Strain Theory) uitgewerkt. Dit vertrekt
vanuit een heel belangrijk idee: vertrekken vanuit een copingsmechanisme – criminaliteit is een manier
om daarmee om te gaan. Hij probeert te verklaren waarom mensen criminaliteit plegen als reactie op
negatieve ervaringen of spanningen (strain).
3 grote spanningen:
• Negatief behandeld worden door anderen bv: pesten, mishandeling, …
• Iets waardevols verliezen bv: relatie, werk, overlijden, …
• Doelen niet kunnen bereiken bv: geen job vinden, slechte schoolresultaten, …
Van spanningen naar criminaliteit. Spanningen zorgen voor negatieve emoties zoals woede, schaamte,
wrok, … Criminaliteit wordt een manier om frustratie af te reageren, wraak te nemen, controle, …
Waarom pleegt niet iedereen criminaliteit?
• Copingvaardigheden: op een legale manier omgaan met negatieve emoties bv: praten
• Kosten van criminaliteit bv: kans op betrapt te worden, …
• Dispositie van criminele coping bv: impulsiviteit, agressiviteit, …
Verschil met Merton; Merton focuste op economisch falen en maatschappelijke doelen. Agnew breidt dit
verder uit naar interpersoonlijke conflicten, verlieservaringen, objectieve beleving en onrecht, …
1.2 HOE BEGIN IK AAN EEN ONDERZOEK?
1.2.1 KIES EEN THEMA
• Elk onderzoek start met het bepalen van wat je wil gaan onderzoeken
• Wat je wil gaan onderzoeken kan gevraagd of opgelegd worden door een opdrachtgever, kan
ingegeven zijn door een maatschappelijke gebeurtenis/relevantie, persoonlijke interesses of kan
gebaseerd zijn op voorgaand wetenschappelijk onderzoek
• Vb. “De politiezone waar ik stage loop wil onderzoek doen naar slachtofferschap bij zedenfeiten.
Ze willen daar een beleid voor ontwikkelen”.
• Vb. “Ik wil weten hoe we recidive bij daders kunnen voorkomen? Ik las in een interview met een
expert dat we daarover weinig weten in dit land”.
• Vb. “Ik wil iets doen rond terrorisme. Dit thema interesseert mij al lang”.
➔ Dit zijn thema’s – geen vragen !!
3
criminologisch
onderzoek
Prof. Kristof Verfaillie
Beau Ramon
,INHOUDSOPGAVE
HOC 1 .................................................................................................................................................2
1.1 welke problemen zijn belangrijk voor criminologen? (eliaerts & snacken) ....................................2
1.2 hoe begin ik aan een onderzoek? ..............................................................................................3
1.3 hoe ga ik mijn vraag beantwoorden? .........................................................................................5
HOC 2 .................................................................................................................................................8
2.1 hoe begin ik aan een empirisch onderzoek? ..............................................................................8
2.2 enkele voorbeelden .................................................................................................................9
2.3 is de vraag uit mijn probleemstelling geschikt voor een kwantitatief onderzoek? (veel fouten op
examen !!) .................................................................................................................................. 12
2.3 verschillende soorten onderzoeksvragen ................................................................................ 13
2.5 ethiek ................................................................................................................................... 14
HOC 3 ............................................................................................................................................... 15
3.1 causaliteit ............................................................................................................................. 15
3.2 is er een 3E beïnvloedende variabele? ..................................................................................... 16
3.3 3 soorten onderzoek .............................................................................................................. 18
3.4 wat is survey onderzoek? ....................................................................................................... 21
HOC 4 ............................................................................................................................................... 24
4.1 experimenteel onderzoek ....................................................................................................... 24
4.2 zuiver experiment .................................................................................................................. 24
4.3 quasi – experiment ................................................................................................................ 30
4.4 experiment, pre – experiment en quasi – experiment ................................................................ 30
hoc 5 ................................................................................................................................................. 33
5.1 eenheden, populatie, steekproef ............................................................................................ 33
5.2 aselecte steekproeven ........................................................................................................... 34
5.3 selecte steekproeven............................................................................................................. 36
HOC 6 ............................................................................................................................................... 40
6.1 hoe verzamel je gegevens? ..................................................................................................... 40
6.2 wanneer gebruik je welke dataverzamelingsmethode?............................................................. 42
6.3 bestaande data ..................................................................................................................... 42
6.4 hoe verzamel je gegevens? ..................................................................................................... 44
HOC 7 ............................................................................................................................................... 48
7.1 beleidsevaluatie .................................................................................................................... 48
7.2 hoe rapporteer je onderzoek? ................................................................................................. 52
examenvoorbeeld (deel 2 van het examen) .......................................................................................... 53
1
,HOC 1
Karl Popper: we maken in het dagelijks leven voortdurend veronderstellingen – wetenschap is in essentie
Wetenschap = problemen oplossen ook zo een activiteit, we gaan problemen identificeren en daar
een oplossing proberen voor te vinden.
Vragen stellen
Antwoorden formuleren
1.1 WELKE PROBLEMEN ZIJN BELANGRIJK VOOR CRIMINOLOGEN? (ELIAERTS & SNACKEN)
Criminologie als wetenschap houdt zich bezig met 4 grote thema’s (omgezet in vragen!)
1. Hoe komen definities van deviantie tot stand?
• Heeft te maken over de beoordeling van gedrag
• Waarom benoemen wij gedrag in onze samenleving als afwijkend?
• Waarom en hoe we dat gedrag beschrijven en hoe dit veranderd?
2. Wie overtreedt normen en waarom (en wie is het slachtoffer)?
• Wie zijn de daders?
• Wat is het profiel?
• Waarom pleeg je feiten? Wat zijn redeneringen?
• Wie is het slachtoffer (victimologie)? Wat betekent het om slachtoffer te zijn?
3. Hoe reageren we op normovertredingen?
• Allerhande manieren om te reageren op sancties …
• Dit heeft te maken hoe politionele systemen omgaan met criminaliteit
• Hoe werkt justitie, gevangenissen, alternatieve sancties, …?
4. Wat zijn de effecten van die reactie?
• Heeft een bepaalde reactie een recidive reactie als gevolg?
• Wat zijn de effecten van bestraffing?
Voorbeeld: Waarom op de dag vandaag meer aandacht aan misbruik in de kerk dan vroeger? Waarom
komt dit nu tot stand?
Problem solving = antwoorden formuleren (probleem is opgelost als we een antwoord op de vraag
hebben) – om dit wetenschappelijk te benoemen zijn we verplicht om een bepaald proces te doorlopen
Proces om antwoorden te formuleren = methodologie
Kwalitatief >< kwantitatief – mixed method benadering
Theorie = een antwoord op een vraag – het best mogelijke antwoord dat je als wetenschapper op een
vraag kan geven na het doorlopen van het proces !!
Vb. Robert Agnew
- Vraag: waarom plegen mensen criminaliteit?
- Antwoord: algemene spanningsbenadering (general strain theory)
2
, 1.1.1 WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Hoe boeken we vooruitgang?
• Verfijnen van antwoorden of het weerleggen ervan
- Onderzoek gaat over falsifiëren !!
• Onze kennis onderwerpen aan de strengst mogelijk test, het proberen weerleggen of falsifiëren
van de antwoorden die we formuleren op onze vragen (= wetenschappelijke kritiek).
• Als het antwoord die test doorstaat, mogen we dat antwoord voorlopig blijven geven. Als het die
test niet doorstaat moeten we op zoek naar betere antwoorden.
Robert Agnew heeft de algemene spanningsbenadering (General Strain Theory) uitgewerkt. Dit vertrekt
vanuit een heel belangrijk idee: vertrekken vanuit een copingsmechanisme – criminaliteit is een manier
om daarmee om te gaan. Hij probeert te verklaren waarom mensen criminaliteit plegen als reactie op
negatieve ervaringen of spanningen (strain).
3 grote spanningen:
• Negatief behandeld worden door anderen bv: pesten, mishandeling, …
• Iets waardevols verliezen bv: relatie, werk, overlijden, …
• Doelen niet kunnen bereiken bv: geen job vinden, slechte schoolresultaten, …
Van spanningen naar criminaliteit. Spanningen zorgen voor negatieve emoties zoals woede, schaamte,
wrok, … Criminaliteit wordt een manier om frustratie af te reageren, wraak te nemen, controle, …
Waarom pleegt niet iedereen criminaliteit?
• Copingvaardigheden: op een legale manier omgaan met negatieve emoties bv: praten
• Kosten van criminaliteit bv: kans op betrapt te worden, …
• Dispositie van criminele coping bv: impulsiviteit, agressiviteit, …
Verschil met Merton; Merton focuste op economisch falen en maatschappelijke doelen. Agnew breidt dit
verder uit naar interpersoonlijke conflicten, verlieservaringen, objectieve beleving en onrecht, …
1.2 HOE BEGIN IK AAN EEN ONDERZOEK?
1.2.1 KIES EEN THEMA
• Elk onderzoek start met het bepalen van wat je wil gaan onderzoeken
• Wat je wil gaan onderzoeken kan gevraagd of opgelegd worden door een opdrachtgever, kan
ingegeven zijn door een maatschappelijke gebeurtenis/relevantie, persoonlijke interesses of kan
gebaseerd zijn op voorgaand wetenschappelijk onderzoek
• Vb. “De politiezone waar ik stage loop wil onderzoek doen naar slachtofferschap bij zedenfeiten.
Ze willen daar een beleid voor ontwikkelen”.
• Vb. “Ik wil weten hoe we recidive bij daders kunnen voorkomen? Ik las in een interview met een
expert dat we daarover weinig weten in dit land”.
• Vb. “Ik wil iets doen rond terrorisme. Dit thema interesseert mij al lang”.
➔ Dit zijn thema’s – geen vragen !!
3