Voorbeeld Examenvragen Analytische Chemie 2021-2022
Hoofdstuk 1. Statistiek
1. Wat verstaat men onder systematische fouten en toevallige fouten? Welke soorten
systematische fouten bestaan er? Wat verstaat men onder constante fouten en
proportionele fouten? Welke systematische fouten kunnen er optreden bij het uitvoeren
van volgende titratie: bepaling van de alkaliniteit van een oplossing met HCl na
standardisatie van HCl met Na2CO3?
Systematische fouten: Zijn afwijkingen die steeds in dezelfde richting werken, waardoor de
gemiddelde gemeten waarde systematisch te hoog of te laag ligt. Ze bïnvloeden de accuratie.
Toevallige fouten: Zijn onvoorspelbare afwijkingen rond de “ware” waarde. Ze leiden tot
spreiding van herhaalde metingen (precisie).
Soorten systematische fouten:
- Instrumentfouten:
Dit kan komen door slechte kalibratie van de weegschaal, dit kan door buretten of pipetten of
pH electronische instrumenten.
ð makkelijk aanpassen
- Methodefouten:
Door onvolledige reactie van de reagentie (𝐶𝑂! ) ontsnapt, foute dosering van de indicator.
ð Moeilijk detecteerbaar
- Persoonlijke fouten:
Systematisch verkeerd afleze van meniscus of bv iets te lang schudden of mengen of dat je een
kleurverandering niet ziet bij een tiratie.
Systematische fouten kunnen constant of proportioneel zijn:
Constante fouten: Dit is een vaste afwijking, onafhankelijk van de grootte van de meting. Vb een
buret dat steeds 0,05 ml fout heeft. Je kan hier de steekproefomvang vergroten om de fout te
verminderen ( dus met hoge volume kan je de fout reduceren)?
Proportionele fouten: De afwijking is evenredig met de gemeten waarde
Bepaling van de alkaliniteit vaan en oplossing met HCl, na standaardisatie van HCl met 𝑁𝑎! 𝐶𝑂" :
fout
1 Weegfout 𝑁𝑎! 𝐶𝑂" Instrument Proportioneel (Conc entratie HCl) systematisch te
hoog of te laag
2 Buret HCl Instrument Constant: altijd (0,0X ml) extra bij titratie
3 Buret HCl Persoonlijk Constant: vb 0,02 ml te weinig lezen
4 𝐶𝑂! -absorptie in methode Proportioneel : werkelijke alkaliniteit
monster systematisch hoger
1
, 2. Wat verstaat men onder accuraatheid en precisie? Hoe gaat men acuraatheid en
precisie bepalen tijdens een meting?
Accuraatheid: Hoe dicht een meetresultaat bij de werkelijke (juiste waarde) ligt.
Precisie: Hoe dicht verschillende herhaalde metingen bij elkaar liggen.
Als je hoge accuraatheid hebt en lage precisie, zitten de
pijlen gemiddelde dicht bij het midden, maar verspreid
rond elkaar.
Bij hoge accuraatheid en hoge precisie, zitten de pijlen
dicht bij elkaar en in het midden.
Acuraatheid wordt bepaalt door je meetresultaat te vergelijken aan een referentie waarde of
standaardmonster. Waar je formule:
𝑓𝑜𝑢𝑡 (𝑏𝑖𝑎𝑠) = 𝑔𝑒𝑚𝑒𝑡𝑒𝑛 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒 − 𝑤𝑎𝑟𝑒 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒
ð Bij kleine fout, heb je hogere accuraatheid
Precisie wordt bepaalt door meerdere metingen onder dezelfde omstandigheden uit te voeren
waar je de standaardafwijking 𝜎 of variantie berekent:
𝑠
𝑅𝑆𝐷 = 𝑠# =
𝑥̅
ð Lage RSD of 𝜎 betekent hoge precisie.
3. Wat verstaan we onder een 95% betrouwbaarheidsinterval? Hoe wordt deze bepaald uit
een reeks van 10 metingen met de Students- t-test? Geef de formule weer.
Een 95 betrouwbaarheidsinterval geeft het gebied rond de steekproefgemiddelde aan
waarbinnen je met 95 % zekerheid ( bij herhaalde steekproeftrekkingen) de werkelijke
populatiegemiddelde zult vinden.
$
Eerst bereken je het steekproefgemiddelde: 𝑥̅ = % ∑%&'$ 𝑥&
$
Daarna de steekproefstandaardafwijking: 𝑠 = U%($ ∑%&'$(𝑥& − 𝑥̅ )!
ð Je gebruikt een t-test 𝑡%($,⍺ = 𝑡*,+,+!, = 𝑡*,+,*-,
"
. .
De betrouwbaarheidsinterval:[ 𝑥̅ − 𝑡*,+,*-, ∗ ; 𝑥̅ + 𝑡*,+,*-, ∗ ]
√% √%
2
, Hoofdstuk 2. Gravimetrie
Precipitaat: Is een vaste stof die ontstaat wanneer twee opgeloste stoffen in een oplossing
met elkaar reageren.
Neerslagreacties: Zijn chemische reacties waarbij twee opgeloste stoffen (ionen) met
elkaar reageren en een onoplosbare vaste stof vormen.
1. Wat is het verschil tussen kernvorming en kerngroei bij neerslagreacties? Hoe verklaar je
het bestaan van meta-stabiele oplossingen? Leg uit aan de hand van een figuur.
Kernvorming is het allereerste stadium van neerslag. Dit gebeurt wanneer een oplossing
verzadigd (=NaCl in neerslag omdat je veel hebt laten oplossen) of onverzadigd is, en er spontaan
aggregaten van de opgeloste stof ontstaan. Dit zijn de eerste keren of “zaadjes” waaruit de
neerslag kan groeien.
Kerngroei volgt op de kernvorming. Zodra er een stabiele kern is gevormd, hechten andere
opgelostde deeltjes zich daaraan, en zo groeit het precipitaat.
ð Deze twee wordt gedaan boven de
superoplosbaarheidskromme, hier is
de oplossing LABIEL, dit betekent dat
de stof onverzadigd is, en dat er
spontaan precipitatie optreedt.
De meta-stabiele oplossingen is een
oplossing waarbij de concnetratie aan
opgeloste stof het oplosbaarheidsproduct
overschreden heeft, maar waarbij nog geen
neerslag gevormd wordt. Het evenwicht kan
verstoord worden door een schock of inbrengen van een vreemd kristal of onzuiverheden.
• Superoplosbaarheidscurve: sheidt het metastabiele gebied van het onstabiele gebeid.
• Oplosbaarheidscurve: scheidt het onverzadigd gebied van het metastabiele gebie
2. Verklaar de termen: peptisatie, micel, co-precipitatie, post-precipitatie, gravimetrische
factor
Peptisatie: Is het proces waarbij een neergeslagen vaste stof (precipitaat)
opnieuw wordt omgezet in een colloïdale dispersie. Dit gebeurt door
toevoeging van een geschikte elektrolyt.
Micel: Is een aggregaat van oppervlakte-actieve moleculen
(sufactantenten) in een vloeistof, waarbij de hydrofobe staarten naar
binnen zijn gericht en de hydrofiele koppen naar buiten. Ze vormen zich
spontaan.
Co-precipitaat: Is het fenomeen waarbij onzuiverheden of andere ionen samen met het
gewenste precipaat neerslaan, zelfs als ze zelf niet de oplosbaarheidsgerns overschrijden. Dit
kan door inclusie (=insluitening) , adsorptie op het oppervalk en ocllusie.
3
Hoofdstuk 1. Statistiek
1. Wat verstaat men onder systematische fouten en toevallige fouten? Welke soorten
systematische fouten bestaan er? Wat verstaat men onder constante fouten en
proportionele fouten? Welke systematische fouten kunnen er optreden bij het uitvoeren
van volgende titratie: bepaling van de alkaliniteit van een oplossing met HCl na
standardisatie van HCl met Na2CO3?
Systematische fouten: Zijn afwijkingen die steeds in dezelfde richting werken, waardoor de
gemiddelde gemeten waarde systematisch te hoog of te laag ligt. Ze bïnvloeden de accuratie.
Toevallige fouten: Zijn onvoorspelbare afwijkingen rond de “ware” waarde. Ze leiden tot
spreiding van herhaalde metingen (precisie).
Soorten systematische fouten:
- Instrumentfouten:
Dit kan komen door slechte kalibratie van de weegschaal, dit kan door buretten of pipetten of
pH electronische instrumenten.
ð makkelijk aanpassen
- Methodefouten:
Door onvolledige reactie van de reagentie (𝐶𝑂! ) ontsnapt, foute dosering van de indicator.
ð Moeilijk detecteerbaar
- Persoonlijke fouten:
Systematisch verkeerd afleze van meniscus of bv iets te lang schudden of mengen of dat je een
kleurverandering niet ziet bij een tiratie.
Systematische fouten kunnen constant of proportioneel zijn:
Constante fouten: Dit is een vaste afwijking, onafhankelijk van de grootte van de meting. Vb een
buret dat steeds 0,05 ml fout heeft. Je kan hier de steekproefomvang vergroten om de fout te
verminderen ( dus met hoge volume kan je de fout reduceren)?
Proportionele fouten: De afwijking is evenredig met de gemeten waarde
Bepaling van de alkaliniteit vaan en oplossing met HCl, na standaardisatie van HCl met 𝑁𝑎! 𝐶𝑂" :
fout
1 Weegfout 𝑁𝑎! 𝐶𝑂" Instrument Proportioneel (Conc entratie HCl) systematisch te
hoog of te laag
2 Buret HCl Instrument Constant: altijd (0,0X ml) extra bij titratie
3 Buret HCl Persoonlijk Constant: vb 0,02 ml te weinig lezen
4 𝐶𝑂! -absorptie in methode Proportioneel : werkelijke alkaliniteit
monster systematisch hoger
1
, 2. Wat verstaat men onder accuraatheid en precisie? Hoe gaat men acuraatheid en
precisie bepalen tijdens een meting?
Accuraatheid: Hoe dicht een meetresultaat bij de werkelijke (juiste waarde) ligt.
Precisie: Hoe dicht verschillende herhaalde metingen bij elkaar liggen.
Als je hoge accuraatheid hebt en lage precisie, zitten de
pijlen gemiddelde dicht bij het midden, maar verspreid
rond elkaar.
Bij hoge accuraatheid en hoge precisie, zitten de pijlen
dicht bij elkaar en in het midden.
Acuraatheid wordt bepaalt door je meetresultaat te vergelijken aan een referentie waarde of
standaardmonster. Waar je formule:
𝑓𝑜𝑢𝑡 (𝑏𝑖𝑎𝑠) = 𝑔𝑒𝑚𝑒𝑡𝑒𝑛 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒 − 𝑤𝑎𝑟𝑒 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒
ð Bij kleine fout, heb je hogere accuraatheid
Precisie wordt bepaalt door meerdere metingen onder dezelfde omstandigheden uit te voeren
waar je de standaardafwijking 𝜎 of variantie berekent:
𝑠
𝑅𝑆𝐷 = 𝑠# =
𝑥̅
ð Lage RSD of 𝜎 betekent hoge precisie.
3. Wat verstaan we onder een 95% betrouwbaarheidsinterval? Hoe wordt deze bepaald uit
een reeks van 10 metingen met de Students- t-test? Geef de formule weer.
Een 95 betrouwbaarheidsinterval geeft het gebied rond de steekproefgemiddelde aan
waarbinnen je met 95 % zekerheid ( bij herhaalde steekproeftrekkingen) de werkelijke
populatiegemiddelde zult vinden.
$
Eerst bereken je het steekproefgemiddelde: 𝑥̅ = % ∑%&'$ 𝑥&
$
Daarna de steekproefstandaardafwijking: 𝑠 = U%($ ∑%&'$(𝑥& − 𝑥̅ )!
ð Je gebruikt een t-test 𝑡%($,⍺ = 𝑡*,+,+!, = 𝑡*,+,*-,
"
. .
De betrouwbaarheidsinterval:[ 𝑥̅ − 𝑡*,+,*-, ∗ ; 𝑥̅ + 𝑡*,+,*-, ∗ ]
√% √%
2
, Hoofdstuk 2. Gravimetrie
Precipitaat: Is een vaste stof die ontstaat wanneer twee opgeloste stoffen in een oplossing
met elkaar reageren.
Neerslagreacties: Zijn chemische reacties waarbij twee opgeloste stoffen (ionen) met
elkaar reageren en een onoplosbare vaste stof vormen.
1. Wat is het verschil tussen kernvorming en kerngroei bij neerslagreacties? Hoe verklaar je
het bestaan van meta-stabiele oplossingen? Leg uit aan de hand van een figuur.
Kernvorming is het allereerste stadium van neerslag. Dit gebeurt wanneer een oplossing
verzadigd (=NaCl in neerslag omdat je veel hebt laten oplossen) of onverzadigd is, en er spontaan
aggregaten van de opgeloste stof ontstaan. Dit zijn de eerste keren of “zaadjes” waaruit de
neerslag kan groeien.
Kerngroei volgt op de kernvorming. Zodra er een stabiele kern is gevormd, hechten andere
opgelostde deeltjes zich daaraan, en zo groeit het precipitaat.
ð Deze twee wordt gedaan boven de
superoplosbaarheidskromme, hier is
de oplossing LABIEL, dit betekent dat
de stof onverzadigd is, en dat er
spontaan precipitatie optreedt.
De meta-stabiele oplossingen is een
oplossing waarbij de concnetratie aan
opgeloste stof het oplosbaarheidsproduct
overschreden heeft, maar waarbij nog geen
neerslag gevormd wordt. Het evenwicht kan
verstoord worden door een schock of inbrengen van een vreemd kristal of onzuiverheden.
• Superoplosbaarheidscurve: sheidt het metastabiele gebied van het onstabiele gebeid.
• Oplosbaarheidscurve: scheidt het onverzadigd gebied van het metastabiele gebie
2. Verklaar de termen: peptisatie, micel, co-precipitatie, post-precipitatie, gravimetrische
factor
Peptisatie: Is het proces waarbij een neergeslagen vaste stof (precipitaat)
opnieuw wordt omgezet in een colloïdale dispersie. Dit gebeurt door
toevoeging van een geschikte elektrolyt.
Micel: Is een aggregaat van oppervlakte-actieve moleculen
(sufactantenten) in een vloeistof, waarbij de hydrofobe staarten naar
binnen zijn gericht en de hydrofiele koppen naar buiten. Ze vormen zich
spontaan.
Co-precipitaat: Is het fenomeen waarbij onzuiverheden of andere ionen samen met het
gewenste precipaat neerslaan, zelfs als ze zelf niet de oplosbaarheidsgerns overschrijden. Dit
kan door inclusie (=insluitening) , adsorptie op het oppervalk en ocllusie.
3