1 Introductie 1
1.1 Macro-economie 1
1.2 Het nut van macro-economie 1
1.3 Economische stromen 2
1.4 Theorie en empirie 3
2 BBP en inflatie 4
2.1 De macro-economische kringloop 4
2.2 Bruto Binnenlands Product (BBP) 4
2.2.1 Definitie 5
2.2.2 Componenten van BBP 6
2.2.3 BBP/capita 6
2.2.4 Reële vs. nominaal BBP 6
2.2.5 Limieten van BBP als maatstaf 7
2.2.6 Andere manieren dan BBP om inkomen te meten 8
2.3 Inflatie 8
2.3.1 Consumptieprijzenindex (CPI) 8
2.3.2 Inflatie en andere indexen 9
2.3.3 Indexering 9
2.3.4 Economische variabelen corrigeren voor inflatie 10
2.3.5 Reële en nominale rente 10
2.4 Samenvatting 10
2.4.1 BBP 10
2.4.2 Inflatie 10
3 Economische groei 11
3.1 Waarom zijn sommige landen arm en andere landen rijk? 11
3.2 Groeitheorie 12
3.2.1 Productiviteit 12
3.3 Het Solow-Swan model 12
3.3.1 Deprecieerde kapitaalfunctie 13
3.3.2 Oorzaken van groei 13
3.4 Het endogene groeimodel 14
3.5 Hoe kan beleid groei beïnvloeden? 14
3.6 Samenvatting 14
4 Werkloosheid 15
4.1 Hoe wordt werkloosheid gemeten? 15
4.1.1 Administratieve data 15
4.1.2 Labour force survey 15
4.2 Definities 16
4.3 Oorzaken werkloosheid 16
4.3.1 Neoklassieke theorie 16
4.3.2 Marktimperfecties 17
4.3.3 Keynes 18
4.3.4 Marx 18
4.4 Natuurlijke werkloosheid 18
4.4.1 Bestaat natuurlijke werkloosheid wel? 18
4.5 Cijfers in België 19
4.6 Soorten werkloosheid 20
4.6.1 Vrijwillige vs. onvrijwillige werkloosheid 20
4.6.2 Kortstondige vs. langdurige werkloosheid 20
,4.7 Kosten van werkloosheid 20
4.7.1 Voor het individu 20
4.7.2 Voor de maatschappij 21
4.7.3 Hervormingen De Wever 21
4.8 Samenvatting 21
5 Sparen & investeren 22
5.1 Sparen = investeren 22
5.2 Het financiële systeem 23
5.2.1 Markt voor obligaties 23
5.2.2 Markt voor aandelen 24
5.2.3 Bank 24
5.2.4 Investeringsfondsen 24
5.2.5 Andere financiële producten 25
5.3 Actuele waarde 25
5.3.1 Samengestelde interest (=’compounding’) 25
5.3.2 Voorbeeld: €100 vandaag of €200 binnen 10 jaar? 26
5.4 Risico 26
5.4.1 Risico’s beheren 26
5.5 Beleid 28
5.5.1 Sparen aanmoedigen 28
5.5.2 Investeringen aanmoedigen 28
5.5.3 Overheidsfinanciën 29
5.6 Samenvatting 29
6 Het monetaire systeem 30
6.1 Geld 30
6.2 Geschiedenis van het geld 30
6.3 Functies van het geld 30
6.4 Liquiditeit 31
6.5 Soorten geld 31
6.6 Geld in de economie 31
6.7 Banken en geldaanbod 32
6.8 De rol van de centrale banken 32
6.8.1 Macro-economische stabiliteit 32
6.8.2 Financiële stabiliteit 33
6.9 Inflatie 34
6.10 Oorzaken inflatie 34
6.10.1 Klassieke theorie 34
6.10.2 Oostenrijkse theorie 37
6.10.3 Het printen van geld 37
6.11 Kosten van inflatie 37
6.12 Deflatie 39
6.13 Samenvatting 39
7 Open economie macro-economie 40
7.1 Introductie 40
7.2 Handel in goederen en diensten 40
7.3 Internationale geldstromen 40
7.3.1 Internationale goederen en geldstromen 41
7.4 Wisselkoersen 41
7.4.1 Nominale wisselkoers 41
7.4.2 Reële wisselkoers 42
7.4.3 Wat bepaalt de wisselkoers? 42
7.5 Macro-economische theorie 43
7.5.1 Markt voor uitleenbare gelden 43
7.5.2 Markt voor vreemde valuta 43
, 7.5.3 Evenwicht 44
7.6 Beleid 45
7.6.1 Overheidsuitgaven 45
7.6.2 Handelsbeleid 45
7.6.3 Kapitaalvlucht 46
7.7 Samenvatting 46
8 Conjunctuur 46
8.1 Introductie 47
8.2 Data concepten 47
8.2.1 Conjunctuurklok 47
8.3 Oorzaken conjunctuur 48
8.4 Conjunctuur modellen 48
8.4.1 Aanbodzijde 48
8.4.2 Vraagzijde 49
8.4.3 Real business cycle model 50
8.5 Samenvatting 50
9 Keynesiaanse theorie 51
9.1 Introductie 51
9.2 Belangrijke concepten 51
10 Geaggregeerde vraag & aanbod 52
10.1 Introductie 52
10.2 De korte termijn 52
10.3 De geaggregeerde vraag 52
10.3.1 De helling van de AV curve 53
10.3.2 Verschuivingen in de AV curve 53
10.4 Het geaggregeerde aanbod 55
10.4.1 Op de lange termijn 55
10.4.2 Op de korte termijn 57
10.5 Twee oorzaken van fluctuaties 58
10.5.1 Verschuiving in geaggregeerde vraag (vraagschok) 58
10.5.2 Verschuiving in geaggregeerd aanbod (aanbodschok) 59
10.6 Neo-Keynesiaanse theorie 59
10.7 Samenvatting 60
11 Monetair & fiscaal beleid 61
11.1 Introductie 61
11.2 Monetair beleid 61
11.3 Fiscaal beleid 62
11.4 Beleid om economie te stabiliseren 62
11.4.1 Actief beleid 62
11.4.2 Automatische stabilisatoren 63
11.5 Samenvatting 63
, 1 Introductie
1.1 Macro-economie
Micro= de beslissingen van individuele agenten (i.e. bedrijven en consumenten)
Meso = sector-niveau (bv. de industrie, het onderwijs)
Macro = hoe al deze beslissingen samenkomen en dé economie vormen
“de” economie van in de media, wordt gevormd door alle individuele agenten die
beslissingen maken
Macro-economie bestudeert hoe alle economische beslissingen die individuele
bedrijven/consumenten/spaarders/werkgevers/ werknemers maken samenkomen en het
economische systeem vormen
Meestal op niveau van een land of regio
1.2 Het nut van macro-economie
Twee stromingen: twee manieren om naar macro-economie te kijken
- Lange termijn: bv. groei van landen
- Korte termijn: bv. conjunctuur, inflatie, werkloosheid…
Leerdoelen
- Macro-economische concepten als BBP, groei, inflatie en werkloosheid kennen en weten
hoe deze berekend worden
- Cijfers omtrent deze macro-economische concepten kunnen opzoeken en interpreteren
Nut voor toekomstige bedrijfseconomen: macro-economische situatie kunnen volgen en
begrijpen wat dit mogelijks betekent voor individuele bedrijven en consumenten
- Vb. de impact van een recessie op verkoop, de impact van inflatie op kosten…
AM = arbeidsmarkt
het effect van economisch beleid op korte
GM = geldmarkt
en lange termijn op BBP en inflatie
BL = buitenlandse markt
Korte termijn (conjunctuur): kijken hoe GM zich gedraagt op KT
Lange termijn (economische groei): kijken naar de markten GM, AM en BL
zo komen we bij het model van geaggregeerde vraag en aanbod
= eenvoudig model maar je moet alle andere bouwstenen hebben
zo kan je eenvoudig zeggen bij deze wijziging zal er dit gebeuren
Controverse: Macro-economen zijn goed in het verklaren van het verleden maar niet goed in het
voorspellen van de toekomst
Sociale wetenschap: mensen worden beïnvloed door de wereld waarin ze leven en dus ook de
economen, die mens zijn, worden beïnvloed → hierdoor vb. linkse en rechtse economen
(verschillende stromen) , belang verband inflatie en werkloosheid kan dus verschillen per
econoom
H1-7 LT
H8-9 KT
H10 alles samen
H11 beleid op model H10 1