1.1 DIVERSITEITSDENKEN GEBASEERD OP INTERSECTIONALITEIT
Kernconcept: intersectioneel denken (kruispuntdenken) beschouwt de menselijke identiteit
niet als één enkel kenmerk, maar als een samenhang van verschillende deeltentiteiten (zoals
geslacht, leeftijd, etniciteit, klasse, religie, etc.).
Het model van Lutz (14 dimensies): Helma Lutz onderscheidt 14
assen van differentiatie die ons sociale leven bepalen. Ieder individu
bevindt zich op een uniek kruispunt van deze assen.
• Sociale ordeningsprincipes: Deze assen zijn niet neutraal, ze
bepalen onze positie, kansen en macht in de samenleving.
• Normdenken: Sommige kenmerken worden (vaak onbewust)
als de 'norm' gezien (bijv. wit, man, hetero), wat invloed heeft
op hoe we anderen behandelen.
Diversiteitsdenken: ook erkennen van
• Gelijkenissen tussen personen van verschillende groepen
• Verschillen tussen personen van eenzelfde groep
Gangbaar versus intersectioneel denken: in plaats van een binair "of-of" perspectief
(hokjesdenken), hanteert intersectionaliteit een "en-en" perspectief:
Gangbaar denken Intersectioneel denken
Binair / Tegenstellingen Complementair / Verschillen vullen aan
Hiërarchisch (macht per begrippenpaar) Verweven en gelijktijdig
Statisch (uitsluiting/hokjes) Dynamisch (insluiting/ruimte voor de ander)
Eendimensionaal Multidimensionaal
Conclusie: Kruispuntdenken streeft naar inclusiviteit door de verbinding te zoeken tussen de
verschillende dimensies van iemands identiteit, i.p.v. mensen te reduceren tot één kenmerk.
1.2 SUPERDIVERSITEIT
Kernbegrip: Superdiversiteit (Vertovec, 2007) beschrijft de complexe realiteit van de 21ste
eeuw waarbij migratie niet langer alleen over herkomst gaat, maar over een enorme variatie
binnen groepen op vlak van taal, religie, verblijfsstatuut en economische positie.
1.2.1 MIGRATIEGESCHIEDENIS IN BELGIË
De huidige superdiversiteit is het resultaat van verschillende fasen:
• Na WO I & II: Werving van gastarbeiders voor zwaar werk.
• 1974: Officiële migratiestop, maar voortzetting via gezinshereniging en asiel.
• Vanaf 1990: Versnelling door de val van de Berlijnse Muur, globalisering en conflicten,
wat leidde tot een enorme toename en diversificatie van migranten.
Pagina | 1
,1.2.2 DIVERSITEIT IN DE DIVERSITEIT
Drie dimensies van superdiversiteit (Geldof, 2019)
1) Kwantitatief: sterke stijging van het aantal
mensen met een migratieachtergrond. In steden
als Antwerpen is inmiddels meer dan 75% van
de jongeren van vreemde origine (majority-
minority cities = meerderheidscultuur).
2) Kwalitatief (diversificatie van de diversiteit): groeiende versnippering binnen groepen. Er
is geen sprake meer van één homogene minderheidsgroep.
3) Normalisering: diversiteit wordt de dagelijkse realiteit. Dit is een traag en soms
moeizaam proces (met risico op wij-zij-denken), maar volgens Geldof onafwendbaar.
Identiteitsvorming: om superdiversiteit te begrijpen, moeten we van 'of/of-denken' naar 'en/en-
denken'. Mensen hebben meerlagige identiteiten (bv. Vlaming én Marokkaan én Antwerpenaar).
Vijf manieren van identiteitsvorming (Agirdag, 2020):
1) Assimilatie: Alleen identificatie met de
mainstream cultuur.
2) Integratie: Identificatie met zowel mainstream
als eigen etnische herkomst (meest wenselijk
voor de samenleving).
3) Separatie: Alleen identificatie met de eigen etnische herkomst.
4) Marginalisering: Geen identificatie met de mainstream, noch met de eigen herkomst.
5) Individualisering: Zichzelf puur als uniek individu zien, los van een groep.
Leraar zijn in een superdiverse samenleving:
1) Jezelf zien als onderdeel van die superdiverse samenleving
2) Jezelf zien als onderdeel van je superdiverse school & klas
o Ook in een school waar zgn. “weinig diversiteit” is!
o Je bewust zijn van je eigen “bril”
o Je bewust zijn dat wat voor jou vanzelfsprekend is, niet noodzakelijk het geval is
voor je lln & collega’s
3) “Multiperspectiviteit” (Zie les 2)
1.3 KANSENONGELIJKHEID
Kansenongelijkheid is een blijvend politiek agendapunt. Het streven naar gelijke
onderwijskansen houdt in dat schoolresultaten niet mogen samenhangen met kenmerken
zoals socio-economische status (SES), migratieachtergrond, gender of thuistaal. Het Vlaamse
GOK-decreet probeert via extra middelen voor scholen met veel kansarme leerlingen deze
ongelijkheid te verminderen.
Pagina | 2
, 1.3.1 SOCIAALECONOMISCHE ONGELIJKHEID EN LEERPRESTATIES
• Indicatoren SES: De socio-economische status wordt gemeten aan de hand van de
thuistaal, schooltoelage, het opleidingsniveau van de moeder en de gezinssituatie.
• PISA-onderzoek: Uit dit internationaal vergelijkend onderzoek blijkt dat Vlaanderen er
niet in slaagt de impact van SES op leerprestaties in te dijken. De kloof tussen de sterkst
en zwakst presterende leerlingen is in Vlaanderen groter dan elders in Europa.
• Schoolcompositie-effect: Leerlingen met een lagere SES behalen vaak betere
resultaten op scholen met veel leerlingen uit een hogere sociale klasse.
1.3.2 RELATIE TUSSEN KANSENONGELIJKHEID, SES EN MIGRATIEACHTERGROND
• Vroege start: Ongelijkheid begint al in de kinderopvang. Baby's met een
migratieachtergrond nemen minder deel aan voorschoolse educatie en krijgen vaak
kwalitatief minder talige stimulatie.
• Prestatiekloof: Leerlingen van Vlaamse origine hebben vaak een voorsprong van twee
jaar op leerlingen met een migratieachtergrond voor wiskunde en begrijpend lezen.
• SES versus Etniciteit: Agirdag (2020) stelt dat verschillen in prestaties vaak meer
samenhangen met een lage SES dan met de migratieachtergrond zelf. Etnische
minderheden leven vaker in gezinnen met een lage SES.
• Evolutie: Terwijl de prestaties van leerlingen zonder migratieachtergrond tussen 2003 en
2018 daalden, stegen die van leerlingen met een migratieachtergrond licht. De daling is
sterker in 'witte' scholen dan in gemengde scholen.
• Impact onderwijsbeleid: Onderzoek (Crul et al.) toont aan dat niet alleen de inzet van
de leerling of het profiel van de ouders telt, maar dat het schoolsysteem en
onderwijsbeleid doorslaggevend zijn voor het succes van migrantenjongeren.
1.4 VERKLARINGSMECHANISMEN VOOR ONGELIJKE ONDERWIJSPRESTATIES LLN
1.4.1 HET ‘RAD VAN ONGELIJKHEID’
Ongelijke prestaties bij leerlingen met een migratieachtergrond
worden veroorzaakt door een mechanisme van verschillende
samenwerkende raderen. Racisme vormt de kern en drijft de andere
uitsluitingsmechanismen aan. Het systeem versterkt zichzelf continu.
• Segregatie: Het ontstaan van 'concentratiescholen'
(spontane segregatie) hoeft de onderwijskwaliteit niet te
verlagen. Een hogere proportie etnische minderheden kan
leerlingen juist meer zelfvertrouwen en een grotere 'cognitieve breedte' geven. Een
sterke schoolcultuur met academisch optimisme heeft een positieve impact op
prestaties en motivatie.
Pagina | 3