Communicatievaardigheden
H1,H2: Doelgericht schrijven, doelgroepgericht schrijven
Voordat je begint met schrijven
Beantwoord 3 vragen….
1. Waar gaat mijn tekst over? (= onderwerp)
2. Wie zijn mijn lezers? (= doelpubliek)
3. Wat wil ik met mijn tekst bereiken (= doel)
Dit is dus je werkplan
Wie leest mijn tekst?
Betrek je doelgroep: leesmotief bepalen: welk belang heeft jouw doelgroep
bij jouw onderwerp?
- Doelgroep bepaalt inhoud, bronnen, taal, toon, lay-out…
- Jezelf niet gelijk aan maatstaf: richt je tot de lezer
Referentiekader
Jouw context kan anders zijn dan die van jouw doelgroep -> je moet dus
stilstaan bij referentiekader van doelgroep. (Voorkennis)
Wie is mijn lezer?
Ijkpersoon/persona (referentiekader) opstellen
= model voor hele groep, ook heterogene groepen
Hoe bepalen?
- Naam
- Leeftijd
- Geslacht
- Politieke/ sociale/ culturele/ religieuze achtergrond
- Werk? Functie?
- Hobby? Interesses?
- …
Voorbeeld opstellen persona
- Middelbare school -> we gaan 1 leerkracht individualiseren
- Jan 47 jaar
- Single
- Sportief
- Politiek -> open Vld
- Katholiek
1
,Schrijven voor bepaalde doelgroep? Denk aan wat de gemiddelde persoon
is daarbinnen.
Let op: referentiekader van zender niet gelijk aan doelgroep (=
ontvanger)
Om doelgroep te leren kennen:
1) Doelgebonden vragen
2
, 2) Doelgroep gebonden vragen
(= eerder algemeen):
- Vragen rond ijk persoon en diens referentiekader
- Hoeveel belangstelling is er?
- Wat is de omvang van de doelgroep?
- Welk beeld heeft de doelgroep van de zender?
Werkplan uitschrijven (oefening + examen)
- Leesmotief doelgroep bepalen
- Ijkpersoon en diens referentiekader bepalen
- Doel(groep) bevonden vragen beantwoorden
Inhoud
Je weet voor wie je schrijft: inhoud aanpassen
- Vb. informatie over vaccinaties: personen met medische achtergrond
vs. Burger
- Voor artsen eerder vakjargon, voor burger niet maar ‘eenvoudiger,
gegroepeerd
Voor kinderen vaak gebruikgemaakt van figuren vb.
monstertjes
Voorbeeld: wat zijn de verschillen? Wat merk je op?
Wetenschappelijke tekst
- Engelse termen
- Termen dat mensen zouden moeten opzoeken voor ze weten wat ze
betekenen
- Woordkeuze
- Bredere informatie
- Eerder passief geschreven: formeel
Populairwetenschappelijke tekst
- Beperkte informatie
- Luchtiger, eenvoudiger
- Aanspreekvormen
Hanteer juiste taal
Wat wil de lezer?
- Woordkeuze: vakjargon of niet?
Beide: verwijzen naar ‘dat wil zegen’ bij het gebruik van een
term.
Kadertje met afkortingen of termen
3
, - Lengte van de tekst
- (Correcte en consequente) tone of voice (toon of stijl):
Formeel – informeel
Serieus – luchtig
Direct – indirect
Commercieel – informatief
Technisch – toegankelijk
- U of je?: u is formeler dan je en afstandelijker
Stel beide komen aan bod?
- Dan kan je verwijzen naar ‘dat wil zegen’ bij het gebruik van een
term.
- Kadertje met afkortingen of termen
De lay- out
- Lettertype- en grootte
Zorg dat lettertype niet afleidt van boodschap
Grootte: 9 a 10, 11 a 12
- Niet te veel opmaakmogelijkheden
- Voldoende witruimte
Ademruimte voor je tekst
- Functionele afbeeldingen, grafieken, tabellen; schema’s
Goede kwaliteit en functioneel
Bijschrift toevoegen: wat er te zien is
Voorbeeld 2 tijdschriften
- Joepie opvallender: meer tekst, foto’s, felle
kleuren
- Er is een taalverschil: Nederlands – Engels
- Joepie: je weet al veel over inhoud het is luchtig
- Nature: komt wat serieuzer over: lettertype,
kleurgebruik
- Doelgroep joepie: jongeren
- Doelgroep nature: zakelijke, professionele mensen
Welk effect wil je?
4 à 6 tekstdoelen:
Informeren: informatief tekstdoel
- Val met de deur in huis: plaats de essentie in het begin van de tekst.
Lezer heeft meer concentratie in het begin.
4
H1,H2: Doelgericht schrijven, doelgroepgericht schrijven
Voordat je begint met schrijven
Beantwoord 3 vragen….
1. Waar gaat mijn tekst over? (= onderwerp)
2. Wie zijn mijn lezers? (= doelpubliek)
3. Wat wil ik met mijn tekst bereiken (= doel)
Dit is dus je werkplan
Wie leest mijn tekst?
Betrek je doelgroep: leesmotief bepalen: welk belang heeft jouw doelgroep
bij jouw onderwerp?
- Doelgroep bepaalt inhoud, bronnen, taal, toon, lay-out…
- Jezelf niet gelijk aan maatstaf: richt je tot de lezer
Referentiekader
Jouw context kan anders zijn dan die van jouw doelgroep -> je moet dus
stilstaan bij referentiekader van doelgroep. (Voorkennis)
Wie is mijn lezer?
Ijkpersoon/persona (referentiekader) opstellen
= model voor hele groep, ook heterogene groepen
Hoe bepalen?
- Naam
- Leeftijd
- Geslacht
- Politieke/ sociale/ culturele/ religieuze achtergrond
- Werk? Functie?
- Hobby? Interesses?
- …
Voorbeeld opstellen persona
- Middelbare school -> we gaan 1 leerkracht individualiseren
- Jan 47 jaar
- Single
- Sportief
- Politiek -> open Vld
- Katholiek
1
,Schrijven voor bepaalde doelgroep? Denk aan wat de gemiddelde persoon
is daarbinnen.
Let op: referentiekader van zender niet gelijk aan doelgroep (=
ontvanger)
Om doelgroep te leren kennen:
1) Doelgebonden vragen
2
, 2) Doelgroep gebonden vragen
(= eerder algemeen):
- Vragen rond ijk persoon en diens referentiekader
- Hoeveel belangstelling is er?
- Wat is de omvang van de doelgroep?
- Welk beeld heeft de doelgroep van de zender?
Werkplan uitschrijven (oefening + examen)
- Leesmotief doelgroep bepalen
- Ijkpersoon en diens referentiekader bepalen
- Doel(groep) bevonden vragen beantwoorden
Inhoud
Je weet voor wie je schrijft: inhoud aanpassen
- Vb. informatie over vaccinaties: personen met medische achtergrond
vs. Burger
- Voor artsen eerder vakjargon, voor burger niet maar ‘eenvoudiger,
gegroepeerd
Voor kinderen vaak gebruikgemaakt van figuren vb.
monstertjes
Voorbeeld: wat zijn de verschillen? Wat merk je op?
Wetenschappelijke tekst
- Engelse termen
- Termen dat mensen zouden moeten opzoeken voor ze weten wat ze
betekenen
- Woordkeuze
- Bredere informatie
- Eerder passief geschreven: formeel
Populairwetenschappelijke tekst
- Beperkte informatie
- Luchtiger, eenvoudiger
- Aanspreekvormen
Hanteer juiste taal
Wat wil de lezer?
- Woordkeuze: vakjargon of niet?
Beide: verwijzen naar ‘dat wil zegen’ bij het gebruik van een
term.
Kadertje met afkortingen of termen
3
, - Lengte van de tekst
- (Correcte en consequente) tone of voice (toon of stijl):
Formeel – informeel
Serieus – luchtig
Direct – indirect
Commercieel – informatief
Technisch – toegankelijk
- U of je?: u is formeler dan je en afstandelijker
Stel beide komen aan bod?
- Dan kan je verwijzen naar ‘dat wil zegen’ bij het gebruik van een
term.
- Kadertje met afkortingen of termen
De lay- out
- Lettertype- en grootte
Zorg dat lettertype niet afleidt van boodschap
Grootte: 9 a 10, 11 a 12
- Niet te veel opmaakmogelijkheden
- Voldoende witruimte
Ademruimte voor je tekst
- Functionele afbeeldingen, grafieken, tabellen; schema’s
Goede kwaliteit en functioneel
Bijschrift toevoegen: wat er te zien is
Voorbeeld 2 tijdschriften
- Joepie opvallender: meer tekst, foto’s, felle
kleuren
- Er is een taalverschil: Nederlands – Engels
- Joepie: je weet al veel over inhoud het is luchtig
- Nature: komt wat serieuzer over: lettertype,
kleurgebruik
- Doelgroep joepie: jongeren
- Doelgroep nature: zakelijke, professionele mensen
Welk effect wil je?
4 à 6 tekstdoelen:
Informeren: informatief tekstdoel
- Val met de deur in huis: plaats de essentie in het begin van de tekst.
Lezer heeft meer concentratie in het begin.
4