Staatsrecht
I. Het “grondplan”................................................................................................... 2
Vooraf.................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 1. Overzicht van de staatsrechtelijke principes..................................3
I.1 België is een grondwettelijke staat..............................................................4
I.2 België is een democratie............................................................................. 4
I.3 België is een rechtsstaat............................................................................. 6
I.4 België is gebaseerd op een scheiding der machten....................................7
I.5 België is een federaal systeem...................................................................8
1.5.1 Een statische benadering.....................................................................9
1.5.2 Een dynamische benadering................................................................9
1.5.3 Gelaagd bestuur................................................................................. 10
I.6 België is een monarchie............................................................................ 11
I.7 België is een sociale welvaartstaat (‘verzorgingsstaat’)...........................11
I.8 België is een duurzame staat....................................................................12
Hoofdstuk 2. Overzicht van de staatsrechtelijke instellingen............................12
2.1 Het federale parlement............................................................................ 12
2.1.1. Het tweekamerstelsel.......................................................................17
2.1.2 De werking van het parlement...........................................................20
2.2 De Koning................................................................................................. 22
2.3 De regering.............................................................................................. 24
2.3.1 De samenstelling vd regering............................................................24
2.3.2 De functies vd regering......................................................................25
2.3.3 De werking vd regering......................................................................29
2.3.4 Het ontslag vd regering en ministers.................................................31
2.3 Het statuut van parlementsleden, ministers en staatssecretarissen........31
2.4.1 Onverenigbaarheden.........................................................................31
2.4.2. Immuniteit........................................................................................ 32
2.4.3. Strafrechtelijke onschendbaarheid....................................................34
2.4.4. Politieke verantwoordelijkheid..........................................................34
2.4.5 Burgerlijke aansprakelijkheid.............................................................35
2.4.6. Vergoeding........................................................................................ 36
2.5 Rechtscolleges......................................................................................... 37
2.5.1 De rechterlijke macht en het recht op een behoorlijke rechtsbedeling
.................................................................................................................... 37
2.5.2 De Raad van State en administratieve rechtscolleges.......................39
, 2.5.3. Het Grondwettelijk Hof......................................................................40
Hoofdstuk 3. Fundamentele rechten en vrijheden: beginselen..........................43
3.1 Geschiedenis & uitgangspunt...............................................................43
3.2 Categorieën v grondrechten.................................................................46
1. Politieke & burgerlijke grondrechten....................................................46
2. Sociaal economische en culturele grondrechten..................................47
3. Grondrechten voor specifieke (groepen van) personen.......................49
4. Collectieve grondrechten.....................................................................50
5. Intergenerationele grondrechten.........................................................53
3.3 Bronnen en beschermingsmechanismen..............................................54
3.3.1 Bronnen.......................................................................................... 54
3.3.2 Beschermingsmechanismes............................................................56
3.3.4 Samenloop van bronnen.................................................................59
3.4 De werking van grondrechten...............................................................62
3.4.1 Het legaliteitsbeginsel....................................................................63
3.4.2 Negatieve en positieve verplichtingen............................................64
3.4.3 Het proportionaliteitsbeginsel.........................................................65
3.4.4 De essentie of harde kern van grondrechten..................................65
3.4.5 Procedurele rationaliteitstoets........................................................66
3.4.6 Standstillverplichtingen..................................................................68
3.4.7 Interpretatieve werking...................................................................69
3.4.8 Beoordelingsruimte.........................................................................70
3.5 Misbruik van grondrechten....................................................................71
3.6 Derogatie v grondrechten.....................................................................72
II. Constitutionalisme............................................................................................ 73
I. Het “grondplan”
Vooraf
Grondwettelijk systeem: principes, instellingen en grondrechten met elkaar
verbonden
Gwh: belangrijke instelling voor bescherming v grondrechten ontstaan
als resultaat v Belgische federaliseringsproces
Staatsrechtelijke principes: leidraad voor inrichting staatsrechtelijke instellingen
+ interpretatie vd grondwettelijke regels
versterken elkaar vaak onderling: bv doel om personen te beschermen
tegen overheidswillekeur
, ook soms tegenover elkaar: bv wnr rechtstaat voorkeur geeft aan
rechterlijke grondwettigheidstoets v parlementaire wetten, terwijl
democratie dat problematisch vindt (want representatieve concept)
staatsrechtelijke principes weven terug in elkaar
1830: Zuiden scheurde zich los van Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (nu bijna
2 eeuwen later zijn er partijen die nog verder België willen opsplitsen)
1831: Belgische Grondwet veel wijzigingen doorstaan
de meest fundamentele = federalisering van België (de overige
staatsrechtelijke principes v inrichting v ons land waren reeds aanwezig
nu geëvolueerd: met democratisch principe als sterkste evolutie)
andere invulling staatsrechtelijke instellingen + uitbreiding grondrechten
o vooral door consensusdemocratie en federalisme
inrichting Kamer, Senaat en regering + oprichting Gwh
veranderd
gwh: evolutie v “wettenstaat” naar “rechtsstaat” versterkt
opnieuw duidelijk dat principes, grondrechten & instellingen elkaar wederzijds
beïnvloeden
+ externe factoren:
bv vorming politieke partijen heeft verhoudingen tss Koning, parlement en
regering gewijzigd
bv regionalisering (v partijen) invloed op instellingen
Indeling België door Grondwet: grondgebied in provincies, gemeenten,
taalgebieden, gewesten en gemeenschappen verdeeld
(provincies en gemeenten: gedecentraliseerde, lokale besturen met verkozen
organen)
!bij staatsrecht gaat aandacht naar de entiteiten met wetgevende bevoegdheid
Hoofdstuk 1. Overzicht van de staatsrechtelijke
principes
Grondwettelijke recht in materiële zin (meer dan geschreven regels) = de
grondregels en basisprincipes die de inrichting vd staatsinstellingen beheersen
democratie, rechtsstaat, federale staat & grondwettelijke staat beheerst
door scheiding der machten
grotendeels gericht op legitimeren en beperken v overheidsmacht: burgers
beschermen tegen oh-willekeur
(bv in art 1 Gw staat dat belgië een federale staat is, maar er staat nergens in
formele Gw dat we democratie of rechtsstaat zijn uitdrukkelijk bepaald
betekent dat principe niet vanzelfsprekend is => 1993: evolutie v disintegratie, is
nog steeds bezig)
+ belgië is een monarchie: dit kwam in 1830 als pragmatisch beslissing om
leefbaarheid v prille België te verzekeren, maar heeft consequenties voor de
instellingen en hun verhoudingen
, werkt op staatsrechtelijke principes in: erfelijk statuut v koning
democratie, figuur vd koning fragiele verhoudingen v
consensusdemocratie, …
+ principe v sociale welvaartstaat (of verzorgingsstaat) & duurzaamheidsprincipe
(maar minder impact op inrichting algemene publieke instellingen)
I.1 België is een grondwettelijke staat
= de machtsoverdracht is aan vaste regels onderworpen en de verhoudingen tss
de staatsmachten en met de burger zijn vastgelegd in vaste regels
Beperking vd staatsmacht
(niet overal geschreven wet: in VK gelden de regels als algemeen geldende
principes, bv ‘sovereignty of parliament’)
Formele rechtsbronnen: grondwet, bijzondere meerderheidswetten &
gewone wetten (federaal recht)
o Moeilijk te wijzigen
o Formele wetgever ook gebonden/onderworpen
o Art 33 lid 2 Gw
Alle machten worden uitgeoefend op de wijze bij Gw bepaald
Ongeschreven regels: gewoonten of algemene rechtsbeginselen
Geen afzonderlijke grondwetten voor de Belgische deelstaten
MAAR aan de gem. & gew. Werd een ‘embryo’ v constitutieve autonomie
(doch met voorwaarden) toegekend over, met inachtneming v
grondwettelijke regels:
o welomschreven aspecten v verkiezing
o samenstelling & werking v hun parlementen
o samenstelling & werking v hun regeringen
deelstaten hebben inspraak mbt federaal recht:
bv omdat Senaat grondwetsherzieningen & bijzondere
meerderheidswetten mee moet goedkeuren
+ bij bijzondere meerderheidswetten onrechtstreeks via de
taalgroepen)
(de Duitse Gemeenschap heeft nauwelijks zeggenschap over haar
eigen institutionele organisatie: slechts één lid in Senaat + geen
taalgroep)
Constitutionalisme (in brede zin) = overheid is onderworpen aan materiële
grondwettelijke principes die haar beperken en die overheidwillekeur
tegengaan
bv principe v rechtsstaat, democratie, eerbiediging v fundamentele
mensenrechten
I.2 België is een democratie
Macht legitimeren door burgers te betrekken bij overheidsbeleid
o Inspraak + kunnen wetgever ter verantwoording roepen
Via verkiezingen
I. Het “grondplan”................................................................................................... 2
Vooraf.................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 1. Overzicht van de staatsrechtelijke principes..................................3
I.1 België is een grondwettelijke staat..............................................................4
I.2 België is een democratie............................................................................. 4
I.3 België is een rechtsstaat............................................................................. 6
I.4 België is gebaseerd op een scheiding der machten....................................7
I.5 België is een federaal systeem...................................................................8
1.5.1 Een statische benadering.....................................................................9
1.5.2 Een dynamische benadering................................................................9
1.5.3 Gelaagd bestuur................................................................................. 10
I.6 België is een monarchie............................................................................ 11
I.7 België is een sociale welvaartstaat (‘verzorgingsstaat’)...........................11
I.8 België is een duurzame staat....................................................................12
Hoofdstuk 2. Overzicht van de staatsrechtelijke instellingen............................12
2.1 Het federale parlement............................................................................ 12
2.1.1. Het tweekamerstelsel.......................................................................17
2.1.2 De werking van het parlement...........................................................20
2.2 De Koning................................................................................................. 22
2.3 De regering.............................................................................................. 24
2.3.1 De samenstelling vd regering............................................................24
2.3.2 De functies vd regering......................................................................25
2.3.3 De werking vd regering......................................................................29
2.3.4 Het ontslag vd regering en ministers.................................................31
2.3 Het statuut van parlementsleden, ministers en staatssecretarissen........31
2.4.1 Onverenigbaarheden.........................................................................31
2.4.2. Immuniteit........................................................................................ 32
2.4.3. Strafrechtelijke onschendbaarheid....................................................34
2.4.4. Politieke verantwoordelijkheid..........................................................34
2.4.5 Burgerlijke aansprakelijkheid.............................................................35
2.4.6. Vergoeding........................................................................................ 36
2.5 Rechtscolleges......................................................................................... 37
2.5.1 De rechterlijke macht en het recht op een behoorlijke rechtsbedeling
.................................................................................................................... 37
2.5.2 De Raad van State en administratieve rechtscolleges.......................39
, 2.5.3. Het Grondwettelijk Hof......................................................................40
Hoofdstuk 3. Fundamentele rechten en vrijheden: beginselen..........................43
3.1 Geschiedenis & uitgangspunt...............................................................43
3.2 Categorieën v grondrechten.................................................................46
1. Politieke & burgerlijke grondrechten....................................................46
2. Sociaal economische en culturele grondrechten..................................47
3. Grondrechten voor specifieke (groepen van) personen.......................49
4. Collectieve grondrechten.....................................................................50
5. Intergenerationele grondrechten.........................................................53
3.3 Bronnen en beschermingsmechanismen..............................................54
3.3.1 Bronnen.......................................................................................... 54
3.3.2 Beschermingsmechanismes............................................................56
3.3.4 Samenloop van bronnen.................................................................59
3.4 De werking van grondrechten...............................................................62
3.4.1 Het legaliteitsbeginsel....................................................................63
3.4.2 Negatieve en positieve verplichtingen............................................64
3.4.3 Het proportionaliteitsbeginsel.........................................................65
3.4.4 De essentie of harde kern van grondrechten..................................65
3.4.5 Procedurele rationaliteitstoets........................................................66
3.4.6 Standstillverplichtingen..................................................................68
3.4.7 Interpretatieve werking...................................................................69
3.4.8 Beoordelingsruimte.........................................................................70
3.5 Misbruik van grondrechten....................................................................71
3.6 Derogatie v grondrechten.....................................................................72
II. Constitutionalisme............................................................................................ 73
I. Het “grondplan”
Vooraf
Grondwettelijk systeem: principes, instellingen en grondrechten met elkaar
verbonden
Gwh: belangrijke instelling voor bescherming v grondrechten ontstaan
als resultaat v Belgische federaliseringsproces
Staatsrechtelijke principes: leidraad voor inrichting staatsrechtelijke instellingen
+ interpretatie vd grondwettelijke regels
versterken elkaar vaak onderling: bv doel om personen te beschermen
tegen overheidswillekeur
, ook soms tegenover elkaar: bv wnr rechtstaat voorkeur geeft aan
rechterlijke grondwettigheidstoets v parlementaire wetten, terwijl
democratie dat problematisch vindt (want representatieve concept)
staatsrechtelijke principes weven terug in elkaar
1830: Zuiden scheurde zich los van Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (nu bijna
2 eeuwen later zijn er partijen die nog verder België willen opsplitsen)
1831: Belgische Grondwet veel wijzigingen doorstaan
de meest fundamentele = federalisering van België (de overige
staatsrechtelijke principes v inrichting v ons land waren reeds aanwezig
nu geëvolueerd: met democratisch principe als sterkste evolutie)
andere invulling staatsrechtelijke instellingen + uitbreiding grondrechten
o vooral door consensusdemocratie en federalisme
inrichting Kamer, Senaat en regering + oprichting Gwh
veranderd
gwh: evolutie v “wettenstaat” naar “rechtsstaat” versterkt
opnieuw duidelijk dat principes, grondrechten & instellingen elkaar wederzijds
beïnvloeden
+ externe factoren:
bv vorming politieke partijen heeft verhoudingen tss Koning, parlement en
regering gewijzigd
bv regionalisering (v partijen) invloed op instellingen
Indeling België door Grondwet: grondgebied in provincies, gemeenten,
taalgebieden, gewesten en gemeenschappen verdeeld
(provincies en gemeenten: gedecentraliseerde, lokale besturen met verkozen
organen)
!bij staatsrecht gaat aandacht naar de entiteiten met wetgevende bevoegdheid
Hoofdstuk 1. Overzicht van de staatsrechtelijke
principes
Grondwettelijke recht in materiële zin (meer dan geschreven regels) = de
grondregels en basisprincipes die de inrichting vd staatsinstellingen beheersen
democratie, rechtsstaat, federale staat & grondwettelijke staat beheerst
door scheiding der machten
grotendeels gericht op legitimeren en beperken v overheidsmacht: burgers
beschermen tegen oh-willekeur
(bv in art 1 Gw staat dat belgië een federale staat is, maar er staat nergens in
formele Gw dat we democratie of rechtsstaat zijn uitdrukkelijk bepaald
betekent dat principe niet vanzelfsprekend is => 1993: evolutie v disintegratie, is
nog steeds bezig)
+ belgië is een monarchie: dit kwam in 1830 als pragmatisch beslissing om
leefbaarheid v prille België te verzekeren, maar heeft consequenties voor de
instellingen en hun verhoudingen
, werkt op staatsrechtelijke principes in: erfelijk statuut v koning
democratie, figuur vd koning fragiele verhoudingen v
consensusdemocratie, …
+ principe v sociale welvaartstaat (of verzorgingsstaat) & duurzaamheidsprincipe
(maar minder impact op inrichting algemene publieke instellingen)
I.1 België is een grondwettelijke staat
= de machtsoverdracht is aan vaste regels onderworpen en de verhoudingen tss
de staatsmachten en met de burger zijn vastgelegd in vaste regels
Beperking vd staatsmacht
(niet overal geschreven wet: in VK gelden de regels als algemeen geldende
principes, bv ‘sovereignty of parliament’)
Formele rechtsbronnen: grondwet, bijzondere meerderheidswetten &
gewone wetten (federaal recht)
o Moeilijk te wijzigen
o Formele wetgever ook gebonden/onderworpen
o Art 33 lid 2 Gw
Alle machten worden uitgeoefend op de wijze bij Gw bepaald
Ongeschreven regels: gewoonten of algemene rechtsbeginselen
Geen afzonderlijke grondwetten voor de Belgische deelstaten
MAAR aan de gem. & gew. Werd een ‘embryo’ v constitutieve autonomie
(doch met voorwaarden) toegekend over, met inachtneming v
grondwettelijke regels:
o welomschreven aspecten v verkiezing
o samenstelling & werking v hun parlementen
o samenstelling & werking v hun regeringen
deelstaten hebben inspraak mbt federaal recht:
bv omdat Senaat grondwetsherzieningen & bijzondere
meerderheidswetten mee moet goedkeuren
+ bij bijzondere meerderheidswetten onrechtstreeks via de
taalgroepen)
(de Duitse Gemeenschap heeft nauwelijks zeggenschap over haar
eigen institutionele organisatie: slechts één lid in Senaat + geen
taalgroep)
Constitutionalisme (in brede zin) = overheid is onderworpen aan materiële
grondwettelijke principes die haar beperken en die overheidwillekeur
tegengaan
bv principe v rechtsstaat, democratie, eerbiediging v fundamentele
mensenrechten
I.2 België is een democratie
Macht legitimeren door burgers te betrekken bij overheidsbeleid
o Inspraak + kunnen wetgever ter verantwoording roepen
Via verkiezingen