Samenvatting psychopathologie
Inhoud
Hoofdstuk 1: introductie.........................................................................................................................2
1.2 hoe noemen en definiëren we afwijkend gedrag..........................................................................2
Hoofdstuk 2: visies op afwijkend gedrag en behandelmethoden...........................................................3
2.3 het psychologische perspectief.....................................................................................................3
Hoofdstuk 3: classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag.....................6
3.2 classificatie van afwijkende gedragspatronen...............................................................................6
3.4 beoordelingsmethoden................................................................................................................6
Hoofdstuk 4: stressgerelateerde stoornissen..........................................................................................9
4.2 effecten van stress........................................................................................................................9
4.3 aanpassingsstoornissen..............................................................................................................10
4.4 traumatische stresstoornissen....................................................................................................10
Hoofdstuk 5: angststoornissen en obsessief-compulsieve stoornis......................................................12
5.2 angststoornis..............................................................................................................................12
5.3 paniekstoornis............................................................................................................................12
5.4 Fobische stoornissen...................................................................................................................13
5.5 obsessief-compulsieve stoornis (OCD)........................................................................................14
5.6 gegeneraliseerde-angststoornis..................................................................................................15
Hoofdstuk 6: dissociatieve stoornissen, somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen........16
6.1: inleiding.....................................................................................................................................16
6.2: Dissociatieve stoornissen...........................................................................................................16
6.3: Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen...........................................................19
6.4: de invloed van psychische factoren op de fysieke gezondheid..................................................21
Hoofdstuk 7: stemmingsstoornissen en suïcide....................................................................................23
7.2: typen stemmingsstoornissen....................................................................................................23
7.3: welke factoren spelen een rol bij het ontstaan van depressieve stoornissen?..........................25
,Hoofdstuk 1: introductie
1.2 hoe noemen en definiëren we afwijkend gedrag
Criteria voor afwijkend gedrag:
1. Uitzonderlijk. Gedrag wat mensen als abnormaal beschouwen.
2. Sociaal afwijkend. Gedrag dat niet door de samenleving als normaal en acceptabel gedrag
wordt gezien. Dit verschilt overigens per cultuur, generatie, land, etc.
3. Foute perceptie of interpretatie van de realiteit. Bijvoorbeeld wanneer iemand dingen hoort
of ziet die er niet zijn kan er sprake zijn van hallucinatie.
4. Aanzienlijk emotioneel lijden van de persoon. Persoonlijk lijden als gevolg van problematische
emoties zoals angst en depressie kan als afwijkend worden beschouwd.
5. Ongepast of contraproductief gedrag. Gedrag dat geen bevrediging maar onprettige
gevoelens oproept.
6. Gevaar. Gedrag wat gevaar oplevert voor de betrokkene zelf of voor anderen.
, Hoofdstuk 2: visies op afwijkend gedrag en
behandelmethoden
2.3 het psychologische perspectief
De psychoanalytische theorie van Sigmund Freud heeft aks uitgangspunt het idee dat psychologische
problemen aangestuurd worden door onbewuste motieven en conflicten, die zijn terug te voeren op
de kindertijd.
Het bewuste deel van onze geest is ons besef van het hier en nu. Het voorbewuste deel bestaat uit
herinneringen waarvan we ons niet bewust zijn, maar die opgeroepen kunnen worden door onze
aandacht erop te richten. Het onbewuste deel van de geest blijft in nevelen gehuld. De inhoud
daarvan kan alleen met grote moeite aan de oppervlakte worden gebracht, als dat überhaupt al lukt.
Volgens Freud bevat het onze fundamentele biologische impulsen of driften die hij instincten
noemde.
Freud onderscheid onze persoonlijkheid in drie psychische structuren: het id, het ego en het
superego:
- Het id is de oorspronkelijke psychische structuur die vanaf de geboorte aanwezig was. Hierin
bevinden onze lagere driften en instinctieve impulsen. Waaronder honger, seks en agressie.
Het id, dat volledig in het onbewuste opereert, werkt volgens het lustprincipe: het eist
directe bevrediging van instinctieve verlangens zonder rekening te houden met sociale
normen of met de behoefte van anderen.
- In het eerste levensjaar ontdekt het kind dat niet elke eis onmiddellijk wordt ingewilligd. Het
moet leren omgaan met uitgestelde behoeftebevrediging. In de loop van dit jaar komt het
ego tot ontwikkeling, dat realistische manieren verzint om met die frustratie om te gaan. Het
ego werkt via het realiteitsprincipe: het kijkt naar wat praktisch haalbaar is en houdt
rekening met de behoeften van het id.
- Halverwege de kindertijd begint de ontwikkeling van het superego. We internaliseren de
normen en waarden van onze ouders en andere belangrijke mensen in ons leven. Het is ons
geweten, en helpt ons te bepalen wat goed en fout is.
Het ego zorgt er ook voor dat bepaalde
onacceptabele impulsen niet in het
bewuste terechtkomen. Het gebruikt
hiervoor afweermechanismen:
Afweermechanismen op zich zijn geen
probleem, in sommige situaties zijn ze
zelfs gezond (bijvoorbeeld bij het verlies
van een belangrijk persoon). Maar doe
je dit echter altijd als je iets
emotioneels meemaakt, dan heb je een
probleem. De vraag is dus niet of je
Inhoud
Hoofdstuk 1: introductie.........................................................................................................................2
1.2 hoe noemen en definiëren we afwijkend gedrag..........................................................................2
Hoofdstuk 2: visies op afwijkend gedrag en behandelmethoden...........................................................3
2.3 het psychologische perspectief.....................................................................................................3
Hoofdstuk 3: classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag.....................6
3.2 classificatie van afwijkende gedragspatronen...............................................................................6
3.4 beoordelingsmethoden................................................................................................................6
Hoofdstuk 4: stressgerelateerde stoornissen..........................................................................................9
4.2 effecten van stress........................................................................................................................9
4.3 aanpassingsstoornissen..............................................................................................................10
4.4 traumatische stresstoornissen....................................................................................................10
Hoofdstuk 5: angststoornissen en obsessief-compulsieve stoornis......................................................12
5.2 angststoornis..............................................................................................................................12
5.3 paniekstoornis............................................................................................................................12
5.4 Fobische stoornissen...................................................................................................................13
5.5 obsessief-compulsieve stoornis (OCD)........................................................................................14
5.6 gegeneraliseerde-angststoornis..................................................................................................15
Hoofdstuk 6: dissociatieve stoornissen, somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen........16
6.1: inleiding.....................................................................................................................................16
6.2: Dissociatieve stoornissen...........................................................................................................16
6.3: Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen...........................................................19
6.4: de invloed van psychische factoren op de fysieke gezondheid..................................................21
Hoofdstuk 7: stemmingsstoornissen en suïcide....................................................................................23
7.2: typen stemmingsstoornissen....................................................................................................23
7.3: welke factoren spelen een rol bij het ontstaan van depressieve stoornissen?..........................25
,Hoofdstuk 1: introductie
1.2 hoe noemen en definiëren we afwijkend gedrag
Criteria voor afwijkend gedrag:
1. Uitzonderlijk. Gedrag wat mensen als abnormaal beschouwen.
2. Sociaal afwijkend. Gedrag dat niet door de samenleving als normaal en acceptabel gedrag
wordt gezien. Dit verschilt overigens per cultuur, generatie, land, etc.
3. Foute perceptie of interpretatie van de realiteit. Bijvoorbeeld wanneer iemand dingen hoort
of ziet die er niet zijn kan er sprake zijn van hallucinatie.
4. Aanzienlijk emotioneel lijden van de persoon. Persoonlijk lijden als gevolg van problematische
emoties zoals angst en depressie kan als afwijkend worden beschouwd.
5. Ongepast of contraproductief gedrag. Gedrag dat geen bevrediging maar onprettige
gevoelens oproept.
6. Gevaar. Gedrag wat gevaar oplevert voor de betrokkene zelf of voor anderen.
, Hoofdstuk 2: visies op afwijkend gedrag en
behandelmethoden
2.3 het psychologische perspectief
De psychoanalytische theorie van Sigmund Freud heeft aks uitgangspunt het idee dat psychologische
problemen aangestuurd worden door onbewuste motieven en conflicten, die zijn terug te voeren op
de kindertijd.
Het bewuste deel van onze geest is ons besef van het hier en nu. Het voorbewuste deel bestaat uit
herinneringen waarvan we ons niet bewust zijn, maar die opgeroepen kunnen worden door onze
aandacht erop te richten. Het onbewuste deel van de geest blijft in nevelen gehuld. De inhoud
daarvan kan alleen met grote moeite aan de oppervlakte worden gebracht, als dat überhaupt al lukt.
Volgens Freud bevat het onze fundamentele biologische impulsen of driften die hij instincten
noemde.
Freud onderscheid onze persoonlijkheid in drie psychische structuren: het id, het ego en het
superego:
- Het id is de oorspronkelijke psychische structuur die vanaf de geboorte aanwezig was. Hierin
bevinden onze lagere driften en instinctieve impulsen. Waaronder honger, seks en agressie.
Het id, dat volledig in het onbewuste opereert, werkt volgens het lustprincipe: het eist
directe bevrediging van instinctieve verlangens zonder rekening te houden met sociale
normen of met de behoefte van anderen.
- In het eerste levensjaar ontdekt het kind dat niet elke eis onmiddellijk wordt ingewilligd. Het
moet leren omgaan met uitgestelde behoeftebevrediging. In de loop van dit jaar komt het
ego tot ontwikkeling, dat realistische manieren verzint om met die frustratie om te gaan. Het
ego werkt via het realiteitsprincipe: het kijkt naar wat praktisch haalbaar is en houdt
rekening met de behoeften van het id.
- Halverwege de kindertijd begint de ontwikkeling van het superego. We internaliseren de
normen en waarden van onze ouders en andere belangrijke mensen in ons leven. Het is ons
geweten, en helpt ons te bepalen wat goed en fout is.
Het ego zorgt er ook voor dat bepaalde
onacceptabele impulsen niet in het
bewuste terechtkomen. Het gebruikt
hiervoor afweermechanismen:
Afweermechanismen op zich zijn geen
probleem, in sommige situaties zijn ze
zelfs gezond (bijvoorbeeld bij het verlies
van een belangrijk persoon). Maar doe
je dit echter altijd als je iets
emotioneels meemaakt, dan heb je een
probleem. De vraag is dus niet of je