Hoofdstuk 1: Wat is sociologie?
Wat is sociologie?
Sociologie is de wetenschappelijke studie van de samenleving – een
socioloog onderzoekt hoe mensen samenleven, hoe gedrag beïnvloed
wordt door de sociale omgeving en welke patronen daarin terugkomen
Het is dus niet enkel theorie, maar een manier van denken :
- Stilstaan bij wat vanzelfsprekend lijkt
- De samenleving leren begrijpen door gedrag, gewoontes en
instellingen te onderzoeken
- Verklaren hoe individueel gedrag samenhangt met de maatschappij
Sociologen stellen zowel abstracte vragen (bijv. waarom bestaan er
verschillen in macht en inkomen?) als concrete vragen (bijv. waarom
gaan sommige jongeren wel en anderen niet verder studeren?)
Sociologie is ook maatschappelijk relevant: ze probeert niet enkel
te verklaren, maar soms ook bij te dragen aan sociale verandering
(zoals Karl Marx)
Sociologisch denken
Alles is contingent, maar niet arbitrair
Contingent betekent: iets had ook anders kunnen zijn – wat wij
vanzelfsprekend vinden (zoals monogamie of maaltijdcheques), is dat
niet overal in de wereld
Pascal Blaise: “wat geldt als waarheid aan de ene kant van de
Pyreneeën, is dwaasheid aan de andere kant”
Voorbeeld: in India bestaat fraternale polyandrie (één vrouw heeft
meerdere mannen – vaak broers)
Dit komt niet toevallig, maar door:
- Sociologische factoren (het is traditie)
- Economische factoren (gebied in armoede, beperkte middelen)
- Geografische factoren (moeilijke landbouwgebieden)
- Demografische factoren (weinig vrouwen in verhouding tot
mannen)
Het is dus niet willekeurig, niet arbitrair – sociologen zoeken
patronen en sociale determinanten (bepalende factoren) die gedrag en
gewoontes verklaren
Voorbeeld: het is geen toeval dat kinderen van hoogopgeleide ouders
vaak verder studeren
Sociologisch denken: het vanzelfsprekende in vraag stellen én nagaan
hoe sociale orde mogelijk blijft als alles relatief is
(= leren twijfelen aan wat we normaal vinden en dan onderzoeken hoe
,mensen toch nog samen kunnen leven en afspraken naleven, ook al
beseffen we dat die regels eigenlijk door mensen zelf zijn gemaakt
en dus anders hadden kunnen zijn)
De sociologische verbeelding (C. Wright Mills, 1959)
De sociologische verbeelding betekent dat we het verband leren zien
tussen:
- Onze persoonlijke ervaringen (eigen biografie - IK)
- Onze omgeving (sociale context)
- Grote maatschappelijke ontwikkelingen (historische processen)
We begrijpen een individu pas als we zijn/haar leven plaatsen in de
bredere samenleving
Voorbeeld: je denkt dat je studiekeuze puur persoonlijk is, maar in
werkelijkheid wordt ze beïnvloed door:
- Je ouders (sociale context)
- Het belang dat onze samenleving hecht aan diploma’s
- Historische processen zoals de democratisering van het
onderwijs
Persoonlijke keuzes worden beïnvloed door maatschappelijke factoren
Toegepast op maatschappelijke veiligheid:
een dader of slachtoffer begrijpen vraagt inzicht in sociale
context, achtergrond, historiek en maatschappelijke structuren
De sociologische verbeelding: denken zoals een socioloog – beseffen
dat wat er met jou gebeurt, samenhangt met wat er in de maatschappij
gebeurt – het verband zien tussen persoonlijke ervaringen en de
bredere samenleving (sociale en historische context)
,De sociale context: micro, meso en macro
Sociologen bekijken de samenleving op drie niveaus:
- Micro: directe relaties (gezin, vrienden, collega’s, …)
- Meso: organisaties en groepen (buurt, school, bedrijf, club, …)
- Macro: de samenleving als geheel (economie, politiek, cultuur)
De sociale context beïnvloedt gedrag sterk, ook al denken mensen
vaak dat hun keuzes puur individueel zijn
Peter Berger vergelijkt het met een poppentheater:
de samenleving stuurt onze bewegingen, maar de mens kan wél naar
boven kijken – inzicht krijgen in wat hem beïnvloedt – dat inzicht
is de eerste stap naar vrijheid
Contextuele factoren
Dat zijn kenmerken van de omgeving die invloed hebben op menselijk
gedrag en interactie – ze worden steeds objectief onderzocht door
sociologen
Vijf soorten contextuele factoren:
Sociologische factoren
Ontstaan door interactie tussen mensen (zoals wetten, normen,
sociale rollen)
Bijv. een nieuwe wet tegen racisme verandert hoe mensen zich
gedragen
Demografische factoren
Structuur en samenstelling van de bevolking (leeftijd, migratie,
geboortecijfers)
Bijv. youth bulge – landen met veel jonge mannen kennen vaker
sociale spanningen
Ecologische factoren
Klimaat en geografie
Bijv. in warme landen werkt men ’s middags minder, in Zwitserland
hebben de bergen de politieke organisatie beïnvloed
Materiële factoren
Technologie, infrastructuur, middelen
Bijv. sociale media beïnvloeden communicatie en ook criminaliteits-
bestrijding
Economische factoren
Productie, werkloosheid, welvaart, conjunctuur
Bijv. bij economische crisis blijven jongeren langer studeren
, Al deze factoren beïnvloeden elkaar én samen het gedrag van mensen
Sociologie als wetenschap
Definitie (Brutsaert, 1992)
Sociologie is de wetenschap die begaan is met de systematische
studie van de interactie tussen personen en sociale eenheden, de
factoren die deze interactie bepalen, en de gevolgen daarvan voor
het menselijk gedrag
Ze combineert observatie, logica en empirisch onderzoek – net als
andere wetenschappen, maar toegepast op menselijk samenleven
Gedrag, sociaal handelen en interactie
Gedrag
Elke actie of reactie van een individu
- Zichtbaar gedrag (bijv. voldoen aan rolverwachtingen)
- Ideeën, attitudes en gevoelens (bijv. schoonheidsidealen)
- Cognitieve prestaties (bijv. PISA-resultaten)
Sociaal handelen
Handelen dat gericht is op anderen of beïnvloed wordt door anderen
(rekening houden met wat anderen zullen of kunnen doen)
Bijv. met iemand in gedachten een passend cadeautje kopen, bepaalde
schoenen kopen om indruk te maken
Het is niet altijd “sociaal” in de alledaagse betekenis – ook
agressie of misdaad zijn vormen van sociaal handelen
Interactie
Er is sprake van wederzijdse beïnvloeding tussen twee of meerdere
personen, met gedeelde betekenis
Vijf basisvormen van interactie:
- Sociale ruil of uitwisseling: iets doen in ruil voor een (niet
vastgelegde) tegenprestatie <-> economische ruil
- Samenwerking: verschillende partijen werken samen aan een
gemeenschappelijk doel (bijv. noodplanning bij rampen)
- Conformiteit: voldoen aan rolverwachtingen
tegenovergestelde = deviant gedrag (afwijkend gedrag)
- Conflict: botsing van belangen of waarden door:
o Objectieve tegenstellingen – een echt, aantoonbaar
verschil (bijv. ongelijkheid in loon)
o Subjectieve tegenstellingen – wat mensen zélf als
oneerlijk of storend ervaren, niet meetbaar