Respiratoir
Neusholte
→ oparmen via capillair netwerk, bevochtigen via kleine seromuceuze kliertjes, zuiveren via
mucuslaag, oppikken allergenen en antigenen via dendritische cellen i/h epitheel en lymfoide
elementen in de lamina propria, IgA productie in plasmacellen i/d lamina propria
vestibulum nasi:
overgang van meerlagig verhoornd plaveiselepitheel met zweetklieren, sebumklieren en vibrissae
(huid) tot pseudomeerlagig trilhaarepitheel (respiratoir)
nasale fossa:
respiratoire mucosa (= respiratoir epitheel op sterk gevasculariseerde lamina propria die sereuze en
muceuze klieren bevat)
De onderste en middenste conchae zijn bekleed met respiratoir epitheel, de bovenste met reukepitheel
nasale mucosa: pseudomeerlagig trilhaarepitheel op een sterk gevasculariseerde lamina propria die sereuze en muceuze
klieren bevat
respiratoir epitheel
1 trilhaarcellen
2 slijmbekercellen (apicale granules gevuld met mucine glycoproteïnen)
3 borstelcellen (microvilli en chemosensoren)
4 Kulchitsky cellen (neuroendoocriene cellen met kleine granulen)
5 basale cellen (stamcellen)
++ intra-epitheliale lymfocyten, dendritische cellen
Respiratoir 1
, paranasale sinussen
de respitatoire epitheel heeft een dunner epitheel, minder slijmbekercellen, seromuceuze klieren en
vascularisatie. De lamina propria ligt in continuïteit met onderliggend periost
nasopharynx
respiratoire mucosa maar overgang naar meerlagig plaveiselepitheel
de nf tonsillen/adenoïden zijn lymfoid weefsel bedekt met respiratoir epitheel
tonsil
Larynx
Bestaat uit kraakbeen.
Voornamelijk hyalien, behalve epiglottis en de cartillago cuneiforme en corniculata, deze zijn elastisch
Meerlagig plaveiselepitheel aan de linguale zijde van de epiglottis, bovenste deel laryngeale zijde
epiglottis, plica vocalis, plica ary-epiglottica; de rest is respiratoir epitheel
Respiratoir 2