Argumentatie
STANDPUNTEN
1. Positief: ik vind dat we moeten oefenen
2. Negatief: ik vind niet dat we moeten oefenen
3. Twijfel: ik weet niet of oefenen helpt
ARGUMENTEN: verdedigingen van je standpunt (S > want > A)
1. Feitelijke argumenten: ik wil niet, want het is dichtbevolkt.
2. Waarderende argumenten: ik wil niet, want het is lelijk.
Tegenargumenten: ontkrachtingen van het standpunt
- Ze gaan je organen gebruiken, want er is een tekort. >> Nee, want de
donororganen worden nauwelijks gebruikt.
Weerlegging: ontkrachtingen van het (tegen)argument
- Ze gaan je organen gebruiken, want er is een tekort. >> Nee, er is een overschot
ARGUMENTATIES SCHEMA’S
1. Oorzaak - gevolg: we krijgen buikpijn, want de kip was rauw
2. Kenmerk - eigenschap: hij is een groot kind, want hij speelt met lego
3. Voor-en/of nadelen: we kunnen beter niet gaan, want dan worden we nat
4. Voorbeelden: standpunt, want ze hebben schulden
5. Vergelijking: standpunt, want dat was ook het geval met ...
6. Autoriteit: uit onderzoek blijkt, dus ...
VERZWEGEN ARGUMENTEN
Als (argument) ... dan (standpunt)
ARGUMENTENATIESTRUCTUREN
Enkelvoudige argumentatie: 1 argument
Nevenschikkende argumentatie: 2+ argumenten
- afhankelijk
- Onafhankelijk
Onderschikkende argumentatie: subargument=argument voor een gegeven
argument
DROGREDENEN
onjuist gebruik van argumentatieschema’s
1. Onjuist beroep op oorzaak en gevolg (geen diploma, want geen WiFi)
2. Onjuist beroep op kenmerk of eigenschap (hij is vriendelijk, dus goede leraar)
3. Onjuist beroep op voor-en/of nadelen=overdrijven of vals dilemma
4. Onjuist beroep op voorbeelden=overhaaste generalisatie (Europeanen X
respect,want spanje..)
5. Onjuist beroep op vergelijking=verkeerde of valse vergelijking (X wc bus, dus ook
in trein)
6. Onjuist beroep op autoriteit (want Epke zonderland zei 5+1=2)
OVERTREDEN VAN DISCUSSIEERDEN
1. Persoonlijke aanval: wat weet jij nou, u r fat
2. Ontduiken (verschuiven) vd bewijslast: is toch duidelijk
3. Cirkelredenering(hetzelfde)
4. die fiets is van mij, want ik ben de eigenaar
5. Vertekenen vh standpunt: je wil niet? Dus zit dan maar alleen!
6. Bespelen vh publiek: alleen een idioot zou dat doen
AANVAARDBAARHEID ARGUMENTATIE
Afvragen: zijn het goede en feitelijke argumenten?
STANDPUNTEN
1. Positief: ik vind dat we moeten oefenen
2. Negatief: ik vind niet dat we moeten oefenen
3. Twijfel: ik weet niet of oefenen helpt
ARGUMENTEN: verdedigingen van je standpunt (S > want > A)
1. Feitelijke argumenten: ik wil niet, want het is dichtbevolkt.
2. Waarderende argumenten: ik wil niet, want het is lelijk.
Tegenargumenten: ontkrachtingen van het standpunt
- Ze gaan je organen gebruiken, want er is een tekort. >> Nee, want de
donororganen worden nauwelijks gebruikt.
Weerlegging: ontkrachtingen van het (tegen)argument
- Ze gaan je organen gebruiken, want er is een tekort. >> Nee, er is een overschot
ARGUMENTATIES SCHEMA’S
1. Oorzaak - gevolg: we krijgen buikpijn, want de kip was rauw
2. Kenmerk - eigenschap: hij is een groot kind, want hij speelt met lego
3. Voor-en/of nadelen: we kunnen beter niet gaan, want dan worden we nat
4. Voorbeelden: standpunt, want ze hebben schulden
5. Vergelijking: standpunt, want dat was ook het geval met ...
6. Autoriteit: uit onderzoek blijkt, dus ...
VERZWEGEN ARGUMENTEN
Als (argument) ... dan (standpunt)
ARGUMENTENATIESTRUCTUREN
Enkelvoudige argumentatie: 1 argument
Nevenschikkende argumentatie: 2+ argumenten
- afhankelijk
- Onafhankelijk
Onderschikkende argumentatie: subargument=argument voor een gegeven
argument
DROGREDENEN
onjuist gebruik van argumentatieschema’s
1. Onjuist beroep op oorzaak en gevolg (geen diploma, want geen WiFi)
2. Onjuist beroep op kenmerk of eigenschap (hij is vriendelijk, dus goede leraar)
3. Onjuist beroep op voor-en/of nadelen=overdrijven of vals dilemma
4. Onjuist beroep op voorbeelden=overhaaste generalisatie (Europeanen X
respect,want spanje..)
5. Onjuist beroep op vergelijking=verkeerde of valse vergelijking (X wc bus, dus ook
in trein)
6. Onjuist beroep op autoriteit (want Epke zonderland zei 5+1=2)
OVERTREDEN VAN DISCUSSIEERDEN
1. Persoonlijke aanval: wat weet jij nou, u r fat
2. Ontduiken (verschuiven) vd bewijslast: is toch duidelijk
3. Cirkelredenering(hetzelfde)
4. die fiets is van mij, want ik ben de eigenaar
5. Vertekenen vh standpunt: je wil niet? Dus zit dan maar alleen!
6. Bespelen vh publiek: alleen een idioot zou dat doen
AANVAARDBAARHEID ARGUMENTATIE
Afvragen: zijn het goede en feitelijke argumenten?