Goederenrecht 2019-2020, eerste kans
Vraag 1
Pieter heeft een fietshandel in Groningen. Hij oefent zijn bedrijf uit in een winkelcentrum dat in
appartementsrechten is gesplitst. Pieters appartementsrecht geeft hem het exclusieve gebruik van
een bescheiden winkelruimte met een werkplaats. Pieter heeft in zijn vrije tijd een gemakkelijk te
monteren elektromotortje ontwikkeld, waardoor een gewone fiets in een handomdraai kan worden
veranderd in een elektrische fiets. Hij ziet er wel markt voor. Hij vindt zijn oom Willem, die juist een
aard kapitaal heeft geërfd, bereid hem een lening te verstrekken van €100.000. Willem, die in 1992
een jaar rechten heeft gestudeerd, stelt zelf alle stukken op, waaronder ene stampandakte waarmee
alle aan Pieter toebehorende goederen worden verpand, met bovendien de verplichting de eerste
werkdag van elke maand een vervolgpandakte te registreren waarmee aan Willem worden verpand
‘alle vorderingen die bestaan of zullen voortvloeien uit ten tijde van registratie bestaande
rechtsverhoudingen’. De stampandakte wordt op 2 januari 2019 geregistreerd; Pieter voldoet steeds
prompt aan de verplichting tot registratie van vervolgpandakten.
De zaken gaan goed. Hij verkoopt zijn motortjes onder de naam ‘ElectroPack’ en verhuurt ze ook,
onder meer aan BikeBezorgers B.V. waarmee Pieter op 1 augustus 2019 een huurovereenkomst heeft
gesloten.
In de herfst van 2019 komt Pieter in de problemen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
start een onderzoek naar de verkeersveiligheid en de verkoop wordt stilgelegd. Als dan ook nog
onderhoud aan het winkelcentrum moet worden verricht, waarvoor Pieter aan de vereniging van
eigenaar een bedrag van €50.000 verschuldigd is, goot hij de handdoek in de ring. Op maandag 1
oktober 2019 wordt hij op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.
Bij de curator meldt zich, naast de genoemde partijen, de fiscus die een bedrag van €150.000 te
vorderen heeft ter zake van een naheffing omzetbelasting. Alle partijen hebben opeisbare vorderingen
en Pieter verkeert tegenover hen in verzuim.
Geef ten aanzien van de navolgende goederen aan (i) wie het desbetreffende goed kan opeisen en/of
executeren; en (ii) in geval van executie: wie als eerste uit de opbrengst wordt voldaan. Ga er bij de
navolgende vragen vanuit dat alle betrokkenen hun rechten op de maximaal mogelijke wijze
uitoefenen en beantwoord elke vraag op zichzelf, dus zonder rekening te houden met wat een
bepaalde partij ter zake van de andere goederen verkrijgt. U kunt voorbijgaan aan de
faillissementskosten.
A. Het appartementsrecht (200.000)
Het appartementsrecht valt onbezwaard in de boedel. De curator is aldus bevoegd te executeren.
De VvE heeft op grond van art. 3:286 BW een voorrecht, maar het fiscale voorrecht gaat op grond
van art. 21 lid 2 IW boven dit voorrecht. De fiscus krijgt dus eerst 150.000,-; de overige €50.000,-
dient aan de VvE te worden uitgekeerd.
B. Een lasapparaat, op 1 september 2019 onder eigendomsvoorbehoud geleverd door
Bouwmarkt B.V. (10.000)
Het lasapparaat blijft vanwege het eigendomsvoorbehoud buiten de boedel. De verkoper kan zijn
eigendomsvoorbehoud uitoefenen en vervolgens de zaak opvorderen van de curator, maar wordt
dan geconfronteerd met een beslagleggende fiscus, nu het lasapparaat een bodemzaak betreft en
sprake is van een naheffing omzetbelasting. Op grond van de Leidraad wordt het
eigendomsvoorbehoud niet ontzien als reële eigendom. (Evt: indien de leverancier niet zijn
eigendomsvoorbehoud uitoefent, maar het recht van reclame inroept, wordt hij wél ontzien, omdat
de eigendom van de reclamerende verkoper kwalificeert als reële eigendom). De fiscus wordt bij
de executie van het lasapparaat niet gehinderd door het faillissement.
C. Bestelbus Mercedes, aanwezig bij Garagebedrijf Bartjens, die een opeisbare vordering heeft
van €1.000 ter zake van een reparatie (30.000)
Vraag 1
Pieter heeft een fietshandel in Groningen. Hij oefent zijn bedrijf uit in een winkelcentrum dat in
appartementsrechten is gesplitst. Pieters appartementsrecht geeft hem het exclusieve gebruik van
een bescheiden winkelruimte met een werkplaats. Pieter heeft in zijn vrije tijd een gemakkelijk te
monteren elektromotortje ontwikkeld, waardoor een gewone fiets in een handomdraai kan worden
veranderd in een elektrische fiets. Hij ziet er wel markt voor. Hij vindt zijn oom Willem, die juist een
aard kapitaal heeft geërfd, bereid hem een lening te verstrekken van €100.000. Willem, die in 1992
een jaar rechten heeft gestudeerd, stelt zelf alle stukken op, waaronder ene stampandakte waarmee
alle aan Pieter toebehorende goederen worden verpand, met bovendien de verplichting de eerste
werkdag van elke maand een vervolgpandakte te registreren waarmee aan Willem worden verpand
‘alle vorderingen die bestaan of zullen voortvloeien uit ten tijde van registratie bestaande
rechtsverhoudingen’. De stampandakte wordt op 2 januari 2019 geregistreerd; Pieter voldoet steeds
prompt aan de verplichting tot registratie van vervolgpandakten.
De zaken gaan goed. Hij verkoopt zijn motortjes onder de naam ‘ElectroPack’ en verhuurt ze ook,
onder meer aan BikeBezorgers B.V. waarmee Pieter op 1 augustus 2019 een huurovereenkomst heeft
gesloten.
In de herfst van 2019 komt Pieter in de problemen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
start een onderzoek naar de verkeersveiligheid en de verkoop wordt stilgelegd. Als dan ook nog
onderhoud aan het winkelcentrum moet worden verricht, waarvoor Pieter aan de vereniging van
eigenaar een bedrag van €50.000 verschuldigd is, goot hij de handdoek in de ring. Op maandag 1
oktober 2019 wordt hij op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.
Bij de curator meldt zich, naast de genoemde partijen, de fiscus die een bedrag van €150.000 te
vorderen heeft ter zake van een naheffing omzetbelasting. Alle partijen hebben opeisbare vorderingen
en Pieter verkeert tegenover hen in verzuim.
Geef ten aanzien van de navolgende goederen aan (i) wie het desbetreffende goed kan opeisen en/of
executeren; en (ii) in geval van executie: wie als eerste uit de opbrengst wordt voldaan. Ga er bij de
navolgende vragen vanuit dat alle betrokkenen hun rechten op de maximaal mogelijke wijze
uitoefenen en beantwoord elke vraag op zichzelf, dus zonder rekening te houden met wat een
bepaalde partij ter zake van de andere goederen verkrijgt. U kunt voorbijgaan aan de
faillissementskosten.
A. Het appartementsrecht (200.000)
Het appartementsrecht valt onbezwaard in de boedel. De curator is aldus bevoegd te executeren.
De VvE heeft op grond van art. 3:286 BW een voorrecht, maar het fiscale voorrecht gaat op grond
van art. 21 lid 2 IW boven dit voorrecht. De fiscus krijgt dus eerst 150.000,-; de overige €50.000,-
dient aan de VvE te worden uitgekeerd.
B. Een lasapparaat, op 1 september 2019 onder eigendomsvoorbehoud geleverd door
Bouwmarkt B.V. (10.000)
Het lasapparaat blijft vanwege het eigendomsvoorbehoud buiten de boedel. De verkoper kan zijn
eigendomsvoorbehoud uitoefenen en vervolgens de zaak opvorderen van de curator, maar wordt
dan geconfronteerd met een beslagleggende fiscus, nu het lasapparaat een bodemzaak betreft en
sprake is van een naheffing omzetbelasting. Op grond van de Leidraad wordt het
eigendomsvoorbehoud niet ontzien als reële eigendom. (Evt: indien de leverancier niet zijn
eigendomsvoorbehoud uitoefent, maar het recht van reclame inroept, wordt hij wél ontzien, omdat
de eigendom van de reclamerende verkoper kwalificeert als reële eigendom). De fiscus wordt bij
de executie van het lasapparaat niet gehinderd door het faillissement.
C. Bestelbus Mercedes, aanwezig bij Garagebedrijf Bartjens, die een opeisbare vordering heeft
van €1.000 ter zake van een reparatie (30.000)