100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

samenvatting algemene fysiologie

Rating
-
Sold
-
Pages
84
Uploaded on
07-12-2025
Written in
2024/2025

Samenvatting van het tweedejaarsvak algemene fysiologie in lo&bw

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
December 7, 2025
Number of pages
84
Written in
2024/2025
Type
Summary

Subjects

Content preview

ALGEMENE EN MENSELIJKE FYSIOLOGIE
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
Fysiologie = studie van de levende, lichamelijke natuur volgens functie
- Physis = natuur, logos = studie -> studie van de natuur
- Fysica = studie levenloze natuur, psychologie = studie geestelijke, anatomie = studie vorm
- Soorten fysiologie: planten, menselijke, pathologische, toegepaste, normale, vergelijkende dieren…

Eigenschappen levende wezens (mens, bacterie, schimmel…)
- Uitwisseling met omgeving (opname of secretie)
- Metabolisme (anabolisme, katabolisme)
- Reactie op stimuli, prikkelbaarheid + aanpassingsvermogen (uitwending en inwendig) -> zintuigen
- Ontwikkeling (groei, vermenigvuldigen) + differentiatie (specialisatie)
ð Drijfveer = overleven
- Op korte termijn: overleven van 1 organisme
- Op lange termijn: genetisch materiaal van soort (voortplanten) -> blijven leven van soort
! Alles in ons lichaam ontstaan omdat het een voordeel gaf (alles met nadeel verdwijnt) = natuurlijke selectie
ð Soms nog restanten over, sommige niet goed begrepen

Organisatieniveaus
- Chemisch niveau: atomen die zich verbinden tot moleculen
- Celniveau: cellen van hetzelfde type werken samen om 1 specifieke functie uit te voeren -> weefsel
- Orgaanniveau: orgaan bestaat uit 2 of meer verschillende weefsels die samenwerken om specifieke
functie uit te voeren
- Orgaanstelselniveau: organen werken samen in orgaanstelsels
- Organismeniveau: samenwerking van alle orgaanstelsels in lichaam om leven in stand te houden
ð Iets wat stelsel negatief beïnvloedt, zal uiteindelijk negatieve invloed hebben op alle onderdelen stelsel

Ontstaan moderne fysiologie
- Grieken: Erasistratus, Galenus, Aristoteles
- 16e-17e eeuw: William Harvey (werking bloedsomloop), René Descartes (lichaam vs geest)
- Claude Bernard (1812-1878) = grondlegger moderne fysiologie ->
o Functie van lever, alvleesklier, glycogeen
o Milieu interieur: alle nodige elementen leveren (zuurstof, water), het overbodige afvoeren ->
constant houden van homeostase (niet constant -> ziek)
o Fysiologische onderzoeksmethodes: experimentele interventie, op mensen (invasief, niet-
invasief), op dieren (ratten, muizen -> ethisch debat)

Dieren in fysiologie
- Spontane genetische wijzigingen bij dieren als model voor humane ziekte
o Zucker-ratten: fout in gen voor leptine receptoren in hypothalamus -> geen
verzadigingsgevoel -> obesitas (ook soms bij mensen)
- Genetische manipulatie dieren
o Gen knock-out: myostatine knock out (schwarzenegger mouse)
o Gen overexpressie: mutant human gen voor superoxide dismutase (SOD) veroorzaakt
amyotrofe lateraal sclerose (ALS) bij muizen

,Ontwikkeling van medicijnen
o Bio-informatica en cellulair onderzoek (high-troughput screening)
o Dierproeven: proof of principle, dierlijk model voor menselijke ziekte, drug safety,
farmocokinetiek
- Fase 1: clinical trials -> testen op gezonde vrijwilliger, farmacokinetiek
- Fase 2: drug testen op doelpopulatie
- Fase 3: grote multicenter studies -> voldoende statistische power, representatief + goedkeuring door
FDA/EMEA -> op markt brengen
- Fase 4: zelfde medicijn voor nieuwe toepassing

Homeostase en feedbacksystemen
! Ziekte = falen van homeostase
ð Homeostase: constant houden van ‘mileu interieur’, vele parameters, dynamisch evenwicht
- Homeostatische regulering = aanpassing van fysiologische systemen
- Voorbeeld verstoorde homeostase = diabetes
o Maaltijd -> suiker in bloed = verstoring suikerspiegel (glycemie) -> tegenwerken door insuline
o Type I -> productie van insuline defect (b-cellen beschouwd als indringer, auto-immuunziekte)
o Feedbackloop overgenomen door technologie (glucosemeter, insuline injectie…)
ð Negatieve feedback: beschermen van set-point, maakt wijzigingen ongedaan
o Sensor (receptor) -> detecteren afwijking van set-point door (externe) verstoring
o Integratiecentrum (besturing) bepaalt respons
o Effector produceert de respons (werking gaat prikkel tegengaan)
- Situatie van homeostase – stimulus die homeostase verstoord – gemeten door receptor –
integratiecentrum stuurt respons naar effector (via hormonen, zenuwen…) – situatie corrigeren tot
opnieuw bereiken homeostase
- Setpoints belangrijke bloedparameters
Parameter Setpoint Ziekte/symptoom
Glucose 90 mg/dl Te hoog: diabetes, te laag: hypoglycemie
pH 6,8 – 7,2 Te hoog: alkalose, te laag: acidose
Ureum 25 mg/dl Te hoog: uremie
Zuurstof 20 mg/dl Te laag: hypoxie
Vetten 600 mg/dl Te hoog: hypercholesterolemie
Eiwitten 7 g/dl Te laag: ondervoeding, oedeem
Temperatuur 37 (30-41)

ð Positieve feedback: werking van effector gaat prikkel gaan versterken = zichzelf versterkende cyclus
- Betrokken bij de regulering van mogelijk gevaarlijke of belastende processen
- Meestal deeltje van grotere negatieve feedback loop


HOOFDSTUK 8 HET ZENUWSTELSEL

8.1 OPDELING VAN HET ZENUWSTELSEL
2 celtypes
- Neuronen: basis functionele eenheden van zenuwstelsel
- Steuncellen (neurogliacellen): steunweefsel vormen, fijn ondersteunend netwerk
Anatomische opdeling
- Centraal zenuwstelsel: hersenen en ruggenmerg
o Integratie en coördinatie verwerking sensorische informatie + doorgeven impulsen, hogere
functies (intelligentie, geheugen en emoties)
- Perifeer zenuwstelsel (alle neuronale weefsel buiten CZS): craniale zenuwen en spinale zenuwen

,Functionele opdeling zenuwstelsel
ð Afferent/sensorisch: alle info die naar centraal zenuwstelsel gaat
- Somatisch: alles van buiten het lichaam (zintuigen)
- Visceraal: info uit het lichaam zelf (homeostase,
proprioceptoren)
ð Integratiecentrum (centraal zenuwstelsel)
ð Efferent/motorisch: alle info die van het centraal zenuwstelsel
vertrekt (naar effectoren = doelorganen)
- Somatisch zenuwstelsel: skeletspieren
- Autonoom/visceraal: gladde spieren, klieren, hartspier…
o Parasympathisch: rest and digest systeem
o Orthosympatisch: fight or flight systeem

Neuronen = functionele eenheden van zenuwstelsel
- Dendrieten: opvangen van prikkels (afferent)
- Cellichaam: integratie van de signalen, bevat de celkern
o Veel mitochondriën, ribosomen, ruw endoplasmatisch reticulum (-> lichaampjes van Nissl)
- Axonheuvel en axon (efferente uitloper): productie en geleiding van impuls
o Er kunnen zich collaterale takken afsplitsen
- Zenuwuiteinden: vrijzetten van chemische stoffen (neurotransmitter), synaps vormen

Anatomische classificatie neuronen
- Multipolair: cellichaam, meerdere dendrieten, 1 axon (meest voorkomend)
- (pseudo)unipolair: dendriet niet via cellichaam, gaat rechtstreeks over in axon
(CL gaat alles in stand houden) (meeste sensibele neuronen)
- Bipolair: 1 dendriet en 1 axon (1 toekomend en 1 uitgaand signaal) (zintuigen)

Functionele classificatie neuronen
ð Sensibele/sensorische/afferente neuronen: ontvangen info van zintuigcellen, info doorgeven aan CZS
ð Schakelcellen, interneuronen, associatieneuronen: interne connecties (in hersenen of ruggenmerg)
ð Motorische/efferente neuronen: impulsen van CZS naar effectoren (doelcellen) leiden

Glia/steuncellen van het perifeer zenuwstelsel
ð Schwancellen of neurolemmocyten
- Vormen van myelineschede rond de axonen (gestructureerd en ordelijk)
- ‘isolatie’ door de vele lagen vette plasma-membraan (dubbele laag fosfolipiden
- Versnellen van prikkelgeleiding in axonen
- Knopen van Ranvier: opneingen in myelinescheden (signaal van knoop naar knoop springen)
ð Sattelietcellen: ondersteunen van neuronen in ganglia

Glia/steuncellen van het centraal zenuwstelsel
ð Oligodendrocyten: myelineschede vormen, elektrische isolator (witte stof)
ð Microglia: ‘opruimers’, fagocyterende cellen (ontstaan uit witte bloedcellen)
ð Ependymcellen: bekleden van de inwendige holte (= ependym), productie van cerebrospinaal vocht
ð Astrocyten: structurele en metabole ondersteuning van neuronen
- Vormen bloed-hersenbarrière: endotheelcellen in hersenen liggen heel dicht, astrocyten als extra laag
erond -> heel strike barrière (niet zomaar alles erdoor diffunderen)

, Grijze en witte stof
ð Perifeer zenuwstelsel
- Grijze stof: ganglia (collectie van cellichamen van neuronen)
- Witte stof: zenuwen (bundels van axonen)
ð Centraal zenuwstelsel
- Grijze stof: hersencortex, hersenkernen (collectie cellichamen in binnenkant centraal), centra,
(collectie cellichaam neuronen, specifieke functies), hogere centra (complex)
- Witte stof: tracts (bundels axonen met gemeenschappelijke oorsprong, functie en bestemming),
kolommen (meerdere tracts)


8.2 ACTIEPOTENTIALEN EN PRIKKELGELEIDING
Taak neuronen -> prikkels vormen en voortgeleiden
Celmembraan vaak niet doorlaatbaar voor ionen (wateroplosbaar)
ð Concentratiegradiënt
ð Na zit vooral buiten, K zit vooral binnen
ð 2 soorten transport: ionkanalen (specifiek per ion), poortkanalen (kunnen open en dicht, van hoge naar
lage concentratie via diffusie)

Neuronen ~ batterijen
ð Potentiaalverschil = verschil in elektrische lading (buiten cel positief, binnen cel negatief)
ð Rustmembraanpotentiaal (RMP) -> ladingen gescheiden door een plasmamembraan
- Binnen negatiever door ‘fixed anions’ (eiwit, ATP)
- Rustpotentiaal = membraanpotentiaal van een ongeprikkelde cel

Natrium
- Komt vooral buiten de cel voor -> wil naar binnen volgens de diffusiekracht
- Binnenkant cel is negatief, natrium is positief -> natrium naar binnen volgens elektrostatische kracht
Kalium
- Komt vooral binnen de cel voor -> wil naar buiten volgend de diffusiekracht
- Buitenkant cel is positief, kalium is positief -> kalium wil binnen blijven volgens elektrostatische kracht
ð Celmembraan is het meest permeabel voor kalium
ð Hoe sterk negatief moet membraanpotentiaal cel zijn om evenwicht te bekomen = evenwichtspotentiaal
ð Nernstvergelijking: evenwichtspotentiaal voor elk ion berekenen (Ex = 61/z * log([X0]/[Xi])
- Evenwichtspotentiaal kalium = -90mV, natrium = +66mV
- Rustpotentiaal = -65mV -> te weinig negatief voor K (uitstroom K), te negatief voor Na (instroom Na)->
via lekkanalen, ionkanalen beperkt open
- Correctie door Na+-K+-pomp -> elektrogeen, actief transport (uitwisselen 3Na tegen 2K met zelfde
snelheid -> nettoverlies van positieve lading

Ionkanalen
ð Poortkanalen, openen onder invloed van diverse stimuli
ð Instroom of uitstroom van positief of negatief geladen deeltjes (ionen)
kan membraanpotentiaal wijzigen
- Ligandgemedieerd (heel specifiek)
- Fosforylatiegemedieerd
- Spanningsgevoelig
- Mechanisch
$7.28
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
paulienwallyn

Get to know the seller

Seller avatar
paulienwallyn Universiteit Gent
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
New on Stuvia
Member since
1 month
Number of followers
0
Documents
19
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions