Dieetleer 2
1. Lichtverteerbaar dieet................................................................................................................................ 2
1.1. Begripsomschrijving.......................................................................................................................................2
1.2. Dieetkenmerken en uitwerking......................................................................................................................2
2. Mond – en slokdarmaandoeningen............................................................................................................ 4
2.1. Kauw- en slikstoornissen................................................................................................................................4
2.2. Gastro-oesofagale reflux (GER).....................................................................................................................5
2.3. Dysfagie.........................................................................................................................................................7
2.4. Besluit:...........................................................................................................................................................9
3. Maagaandoeningen.................................................................................................................................. 10
3.1. Gastritis........................................................................................................................................................10
3.2. Ulcus pepticum............................................................................................................................................11
3.3. Voeding na maagoperatie -> stuk maag weg.............................................................................................13
4. Constipatie............................................................................................................................................... 16
5. Diarree..................................................................................................................................................... 18
6. Chronische inflammatoire darmziekten.................................................................................................... 21
7. Darmresectie en short bowel syndroom................................................................................................... 29
8. Diverticulosis coli en diverticulitis............................................................................................................. 34
9. Prikkelbaar darmsyndroom...................................................................................................................... 35
10. Darmstoma en ileo-anale anastomose.................................................................................................... 41
11. Pancreasaandoeningen........................................................................................................................... 45
11.1. Acute pancreatitis......................................................................................................................................45
11.2. Chronische pancreatitis.............................................................................................................................46
11.3. Mucoviscidose............................................................................................................................................48
12. Leveraandoeningen................................................................................................................................ 57
12.1. Hepatitis.....................................................................................................................................................57
12.2. Levercirrose................................................................................................................................................58
13. Galblaasstenen....................................................................................................................................... 63
14. Jicht....................................................................................................................................................... 65
15. Hypertensie............................................................................................................................................ 67
16. Osteoporose........................................................................................................................................... 73
17. Decubitus............................................................................................................................................... 76
1
,18. Brandwonden......................................................................................................................................... 79
19. COPD..................................................................................................................................................... 84
1.Lichtverteerbaar dieet
1.1. Begripsomschrijving
Voedsel dat
• slechts korte tijd in de maag blijft -> minder vet en vezels
• snel en gemakkelijk wordt geresorbeerd
• de mucosa niet aantast (niet irriterend)
“Maagsparend” –“darmsparend” dieet -> Nut van dieet niet helemaal duidelijk
Kort => nutritioneel niet in orde voor een lange tijd
1.2. Dieetkenmerken en uitwerking
Aandacht besteden aan:
1. De keuze van de VM
2. De bereidingswijze
3. De voedingsgewoonten (leefwijze)
Keuze voedingsmiddelen
•Harde en overvloedige vdv mijden? Volkoren, donker -> veel vezels, rauwkost, muesli, granola, …
•Taai en overvloedig bindweefsel mijden? Taai vlees = 2 de kwaliteit vlees
Wel goed: vis, gehakt, mals vlees, lamb
•Ruwe, stekelige voedselbestanddelen verwijderen? Korsten, pitten, zaden, stokbrood
•Voedingsmiddelen die irriterend werken, mijden?
Maag (maagzuurstimulerende VM): pepers, alcohol, chocolade, thee, koffie, cola
Darm (gasvormende VM): kolen, ajuin, prei, bonen, spruiten
•Vetrijke voedingsmiddelen mijden
Bereidingswijze
•Voedingsmiddelen moeten gaar zijn
•Vetstof mag niet sterk verhit worden
•Geen grote hoeveelheid vet gebruiken
•Geen extra lucht inbrengen (opkloppen)
•Slechte bereidingstechnieken? Grillen, braden, frituren, opkloppen
Wel goed: stomen, koken, BBQ (geen korst)
2
, Voedingsgewoonten
•Kleine, frequente maaltijden
•Niet/weinig drinken tijdens de maaltijd (CO2)
•Eten op geregelde tijdstippen
• Rustig eten, stress vermijden
• Voldoend tijd voorzien
• Zittend eten
• Goed kauwen (10×)
• Rusten na de maaltijd (niet liggen)
3
,2.Mond – en slokdarmaandoeningen
Doel:
Voorkomen dat patiënt een eenzijdig voedingspatroon ontwikkelt
Voorkomen van een slechte voedingstoestand
2.1. Kauw- en slikstoornissen
Kauwproblemen:
–Indien er niet goed kan/niet mag gekauwd worden
Slikproblemen:
–Moeilijk slikken met problemen transport van voedsel van mond naar slokdarm
–Verslikken of aspiratie van voedsel (luchtpijp!)
–Pijnlijk slikken (verbranding slokdarm: bijtende vl, reflux, bestraling)
–Slikangst
Gevolgen:
–Ondervoeding
–Dehydratatie
–Aspiratiepneumonie (vreemde stof na verslikking in de longen -> ontsteking)
Etiologie
Neurologische aandoeningen:
Aantasting motoriek en sensibiliteit organen;
CVA, MS, ziekte van Parkinson, ziekte van Alzheimer
Pijn en psychische aandoeningen
Mechanische stoornissen:
Extractie van tanden of kiezen
Kaak- en oogoperatie
Kaakfractuur kauwproblemen
Gebrekkige gebitsfunctie
Slecht passende gebitsprothese
Tumor in hoofd-, halsgebied
Ontstekingen in mond-, keelgebied (keelontsteking, radiotherapie) slikproblemen
Verbranding mond-, keelholte (vloeistoffen)
Medicatie (anticholinerge werking) (droge mond -> droge bolus)
Dieetvoorschrift
Diagnose: onderliggende aandoening, eventueel nevendiagnose;
Symptomen: slik- of kauwklachten (> 1/week), gewichtsverlies (> 5% in 1 maand),
Klinische symptomen van ondervoeding;
Medicatie: middelen bij pijn;
Overige: lengte, gewicht en gewichtsevolutie;
Anamnese: zie dieetkenmerken
Doelstellingen
Verminderen of verbeteren van de symptomen (pijn, aspiratie, moeilijk slikken)
Handhaven of verbeteren van de voedingstoestand ingeval van ondervoeding
4
, Dieetkenmerken en uitwerking
-> Principes gezonde voeding + klachten patiënt:
1. Kauwproblemen
•Aanpassen consistentie van de voeding
•Afhankelijk van problemen en moeilijkheden patiënt
•zachte voeding - halfvloeibare - vloeibare voeding (zie TD1 (H15))
•Sondevoeding (als bijvoeding, minder druk op de patiënt, En++)
2. Pijnlijke mond
•Aanpassen pH, temperatuur en smaak
•Erg zure VM en alcohol werken irriterend, meer pijn
•VM met een uitgesproken smaak mijden
• Warme maaltijd: lauw serveren of vlak voor de maaltijd op ijsblokje zuigen
• ijskoude dranken/gerechten werken verdovend
3. Verslikken
• Dun vloeibare dranken indikken m.b.v. gelatine of
• Ook babygranen, zachte broodkruimels, melkpoeder, groente- en fruitpuree => ↑ kcal maken
• Geen klontervorming, homogene massa!
4. Droge mond
• Voldoende vocht voorzien
• tijdens en tussen de maaltijden?
• Bolusvorming bevorderen? Vochtig maken: sausen, doppen
5. Taai slijm
•Goede hydratatie
•Zoete melkproducten → zure melkproducten? Karnemelk, yoghurt
•Gewone melkproducten en chocolade mijden
•Na melkproducten voldoende water voorzien, drinken
-> CO2 dranken, kiwi of ananassap = bromelaïne: enzym die slijm afbreekt
6. Energetische ondervoeding
•Energie- en eiwitverrijkt dieet (zie TD1, H2)
-> Aandachtspunten:
Patiënt moet rechtop zitten + fixatie hoofd
Goede mondhygiëne, mond spoelen
Goede evaluatie/opvolging van het dieet
Streven naar principes gezonde voeding (bij verdunnen!)
Multidisciplinaire samenwerking vaak nodig
2.2. Gastro-oesofagale reflux (GER)
Terugvloei van zure maaginhoud in slokdarm:
(On)verteerd voedsel
Maagsap
Gal- en pancreassap
Klachten:
Zuurbranden
Zuur in de mond
Pijn
5
1. Lichtverteerbaar dieet................................................................................................................................ 2
1.1. Begripsomschrijving.......................................................................................................................................2
1.2. Dieetkenmerken en uitwerking......................................................................................................................2
2. Mond – en slokdarmaandoeningen............................................................................................................ 4
2.1. Kauw- en slikstoornissen................................................................................................................................4
2.2. Gastro-oesofagale reflux (GER).....................................................................................................................5
2.3. Dysfagie.........................................................................................................................................................7
2.4. Besluit:...........................................................................................................................................................9
3. Maagaandoeningen.................................................................................................................................. 10
3.1. Gastritis........................................................................................................................................................10
3.2. Ulcus pepticum............................................................................................................................................11
3.3. Voeding na maagoperatie -> stuk maag weg.............................................................................................13
4. Constipatie............................................................................................................................................... 16
5. Diarree..................................................................................................................................................... 18
6. Chronische inflammatoire darmziekten.................................................................................................... 21
7. Darmresectie en short bowel syndroom................................................................................................... 29
8. Diverticulosis coli en diverticulitis............................................................................................................. 34
9. Prikkelbaar darmsyndroom...................................................................................................................... 35
10. Darmstoma en ileo-anale anastomose.................................................................................................... 41
11. Pancreasaandoeningen........................................................................................................................... 45
11.1. Acute pancreatitis......................................................................................................................................45
11.2. Chronische pancreatitis.............................................................................................................................46
11.3. Mucoviscidose............................................................................................................................................48
12. Leveraandoeningen................................................................................................................................ 57
12.1. Hepatitis.....................................................................................................................................................57
12.2. Levercirrose................................................................................................................................................58
13. Galblaasstenen....................................................................................................................................... 63
14. Jicht....................................................................................................................................................... 65
15. Hypertensie............................................................................................................................................ 67
16. Osteoporose........................................................................................................................................... 73
17. Decubitus............................................................................................................................................... 76
1
,18. Brandwonden......................................................................................................................................... 79
19. COPD..................................................................................................................................................... 84
1.Lichtverteerbaar dieet
1.1. Begripsomschrijving
Voedsel dat
• slechts korte tijd in de maag blijft -> minder vet en vezels
• snel en gemakkelijk wordt geresorbeerd
• de mucosa niet aantast (niet irriterend)
“Maagsparend” –“darmsparend” dieet -> Nut van dieet niet helemaal duidelijk
Kort => nutritioneel niet in orde voor een lange tijd
1.2. Dieetkenmerken en uitwerking
Aandacht besteden aan:
1. De keuze van de VM
2. De bereidingswijze
3. De voedingsgewoonten (leefwijze)
Keuze voedingsmiddelen
•Harde en overvloedige vdv mijden? Volkoren, donker -> veel vezels, rauwkost, muesli, granola, …
•Taai en overvloedig bindweefsel mijden? Taai vlees = 2 de kwaliteit vlees
Wel goed: vis, gehakt, mals vlees, lamb
•Ruwe, stekelige voedselbestanddelen verwijderen? Korsten, pitten, zaden, stokbrood
•Voedingsmiddelen die irriterend werken, mijden?
Maag (maagzuurstimulerende VM): pepers, alcohol, chocolade, thee, koffie, cola
Darm (gasvormende VM): kolen, ajuin, prei, bonen, spruiten
•Vetrijke voedingsmiddelen mijden
Bereidingswijze
•Voedingsmiddelen moeten gaar zijn
•Vetstof mag niet sterk verhit worden
•Geen grote hoeveelheid vet gebruiken
•Geen extra lucht inbrengen (opkloppen)
•Slechte bereidingstechnieken? Grillen, braden, frituren, opkloppen
Wel goed: stomen, koken, BBQ (geen korst)
2
, Voedingsgewoonten
•Kleine, frequente maaltijden
•Niet/weinig drinken tijdens de maaltijd (CO2)
•Eten op geregelde tijdstippen
• Rustig eten, stress vermijden
• Voldoend tijd voorzien
• Zittend eten
• Goed kauwen (10×)
• Rusten na de maaltijd (niet liggen)
3
,2.Mond – en slokdarmaandoeningen
Doel:
Voorkomen dat patiënt een eenzijdig voedingspatroon ontwikkelt
Voorkomen van een slechte voedingstoestand
2.1. Kauw- en slikstoornissen
Kauwproblemen:
–Indien er niet goed kan/niet mag gekauwd worden
Slikproblemen:
–Moeilijk slikken met problemen transport van voedsel van mond naar slokdarm
–Verslikken of aspiratie van voedsel (luchtpijp!)
–Pijnlijk slikken (verbranding slokdarm: bijtende vl, reflux, bestraling)
–Slikangst
Gevolgen:
–Ondervoeding
–Dehydratatie
–Aspiratiepneumonie (vreemde stof na verslikking in de longen -> ontsteking)
Etiologie
Neurologische aandoeningen:
Aantasting motoriek en sensibiliteit organen;
CVA, MS, ziekte van Parkinson, ziekte van Alzheimer
Pijn en psychische aandoeningen
Mechanische stoornissen:
Extractie van tanden of kiezen
Kaak- en oogoperatie
Kaakfractuur kauwproblemen
Gebrekkige gebitsfunctie
Slecht passende gebitsprothese
Tumor in hoofd-, halsgebied
Ontstekingen in mond-, keelgebied (keelontsteking, radiotherapie) slikproblemen
Verbranding mond-, keelholte (vloeistoffen)
Medicatie (anticholinerge werking) (droge mond -> droge bolus)
Dieetvoorschrift
Diagnose: onderliggende aandoening, eventueel nevendiagnose;
Symptomen: slik- of kauwklachten (> 1/week), gewichtsverlies (> 5% in 1 maand),
Klinische symptomen van ondervoeding;
Medicatie: middelen bij pijn;
Overige: lengte, gewicht en gewichtsevolutie;
Anamnese: zie dieetkenmerken
Doelstellingen
Verminderen of verbeteren van de symptomen (pijn, aspiratie, moeilijk slikken)
Handhaven of verbeteren van de voedingstoestand ingeval van ondervoeding
4
, Dieetkenmerken en uitwerking
-> Principes gezonde voeding + klachten patiënt:
1. Kauwproblemen
•Aanpassen consistentie van de voeding
•Afhankelijk van problemen en moeilijkheden patiënt
•zachte voeding - halfvloeibare - vloeibare voeding (zie TD1 (H15))
•Sondevoeding (als bijvoeding, minder druk op de patiënt, En++)
2. Pijnlijke mond
•Aanpassen pH, temperatuur en smaak
•Erg zure VM en alcohol werken irriterend, meer pijn
•VM met een uitgesproken smaak mijden
• Warme maaltijd: lauw serveren of vlak voor de maaltijd op ijsblokje zuigen
• ijskoude dranken/gerechten werken verdovend
3. Verslikken
• Dun vloeibare dranken indikken m.b.v. gelatine of
• Ook babygranen, zachte broodkruimels, melkpoeder, groente- en fruitpuree => ↑ kcal maken
• Geen klontervorming, homogene massa!
4. Droge mond
• Voldoende vocht voorzien
• tijdens en tussen de maaltijden?
• Bolusvorming bevorderen? Vochtig maken: sausen, doppen
5. Taai slijm
•Goede hydratatie
•Zoete melkproducten → zure melkproducten? Karnemelk, yoghurt
•Gewone melkproducten en chocolade mijden
•Na melkproducten voldoende water voorzien, drinken
-> CO2 dranken, kiwi of ananassap = bromelaïne: enzym die slijm afbreekt
6. Energetische ondervoeding
•Energie- en eiwitverrijkt dieet (zie TD1, H2)
-> Aandachtspunten:
Patiënt moet rechtop zitten + fixatie hoofd
Goede mondhygiëne, mond spoelen
Goede evaluatie/opvolging van het dieet
Streven naar principes gezonde voeding (bij verdunnen!)
Multidisciplinaire samenwerking vaak nodig
2.2. Gastro-oesofagale reflux (GER)
Terugvloei van zure maaginhoud in slokdarm:
(On)verteerd voedsel
Maagsap
Gal- en pancreassap
Klachten:
Zuurbranden
Zuur in de mond
Pijn
5