LES 1: WAT IS JEUGDCRIMINOLOGIE & JEUGDDELINQUENTIE
INLEIDING
Wat is JEUGDCRIMINOLOGIE?
o JEUGDCRIMINOLOGIE = jeugd + criminologie
Jeugd = Dit verwijst naar de periode van de geboorte tot 18 jaar volgens maatschappelijke
normen, & neurowetenschappelijk kan dit worden verlengd tot 25 jaar (omdat de hersenen
zich blijven ontwikkelen tot die leeftijd)
Criminologie = Wetenschappelijke studie naar criminaliteit, slachtofferschap,
strafrechtsbedeling, …
(!) Criminaliteit is afhankelijk van tijd, plaats & context
o Voorbeeld: Gedragingen die vroeger geen misdrijf waren, kunnen dat nu wel
zijn, en vice versa (decriminalisering). Bovendien verschilt wat als misdrijf
wordt beschouwd tussen landen. (nationale verschillen)
o Geen concrete omschrijving in de literatuur
o We moeten begrip afbakenen
Wat is JEUGDDELINQUENTIE?
o JEUGDDELINQUENTIE = jeugd + delinquentie
Delinquentie = Definitie: “Crimineel gedrag is strafbaar gesteld gedrag”
MAAR “smalle definitie”: Als je zo gaat kijken is het te beperkend, want dan focust
men enkel op criminaliteit. Hierdoor kunnen we binnen de jeugdcriminologie niet
focussen op bepaalde gedragingen omdat deze niet strafbaar zijn. Daarom is het beter
om bij delinquentie te spreken over eigenlijk een combinatie van (1) regel overtredend
gedrag (criminaliteit) & (2) deviant gedrag (bv: pesten, spijbelen, ...)
o Object (onderwerp) van Jeugdcriminologie = Jeugddelinquentie (criminaliteit
+ deviant gedrag) dat is dus iets breder dan regel overtredend gedrag
(criminaliteit), het gaat hierbij ook over deviant gedrag (gedrag dat afwijkt van
maatschappelijke normen, maar niet altijd strafbaar is)
Tijd en plaatsgebonden begrippen
o Niet universeel
o Sterk aan verandering onderhevig
o Vb. strafbaarstelling veranderd doorheen de tijd
Jeugd, criminologie, delinquentie
o Gecontesteerde begrippen
o Tijd- en plaatsgebonden, onderhevig aan verandering
o Gedrag dat gesteld word door jongeren en strafbaar wordt gesteld = gedrag dat door volwassen wordt
gesteld en niet strafbaar wordt gesteld
Vb. alcohol regeling
= statusdelicten
Jongeren hebben bepaalde leeftijd waardoor we een bepaald gedrag als regel overtredend
gaan beschouwen
,Wat is criminologie?
Multidisciplinaire objectwetenschap
o Ontleent inzichten en methoden uit diverse disciplines
o Sterke mate van neurologisch en sociologisch onderzoek
o Criminologie heeft een “eigen” object (criminaliteit, delinquentie)
o Objectwetenschap want we kijken expliciet naar de jeugd
Ons object: verband tussen jeugd en criminaliteit
The term criminology, refers to all scholarly, scientific and professional knowledge concerning
o (1) the explanation,
o (2) prevention,
o (3) control and
o (4) treatment of crime and delinquency, offenders and victims,
o (5) including the measurement and
o (6) detection of crime,
o (7) legislation and
o (8) the practice of criminal law, and law enforcement, judicial, and correctional systems.
Wat is delinquentie?
Definitie: ‘Crimineel gedrag is strafbaar gesteld gedrag’
GEEN ‘Smalle’ definitie
o Bv. Pesten is niet perse strafbaar, maar kan samenhangen met crimineel gedrag. Pesten is dus
belangrijk om te onderzoeken
o Geen smalle definitie hanteren WANT gedrag die niet strafbaar is zijn ook relevant bij het bestuderen
van strafbaar gedrag
GEEN ‘harde’ definitie
o Bv. Decriminalisering en invoering van strafbaarstelling
‘Nationale’ definitie
o Bv. Straatroof is anders in Nederland dan in België
Vlaanderen: ‘jeugddelinquentierecht’
o Vlaamse context erkennen
Wat is jeugd?
Maatschappelijk: Gaat het over de periode van de geboorte tot 18 jaar, binnen in deze periode valt de adolescentie
(12-18 jaar) Een cruciale fase van identiteitsvorming, die vaak gelinkt wordt aan jeugddelinquentie, waarin jongeren
gevoeliger zijn voor beïnvloeding en risico’s nemen, mede omdat hun hersenen (vooral het deel voor impulscontrole)
nog niet volledig ontwikkeld zijn.
Adolescentie: 12 tot 18 jaar
Juridische meerderjarigheid als bovengrens: 18 jaar
o Maar … onderhevig aan verandering: tot 1990 21 jaar
Indien historisch jeugd criminologisch onderzoek moet je hiermee rekening houden
Maar … neuropsychologische ontwikkeling en maturatie van hersenen loopt door tot ~25 jaar
o Hersen ontwikkeling
o Vaststelling: maturatie van hersenen geeft een belangrijke rol en verklaring voor regel overtredend
gedrag bij jongeren
Beleidsdomein
o En … ‘jeugd’ volgens Departement Jeugd en toepassingsgebied
o Jeugd wordt gedefinieerd tot 30 jaar (Jeugd- en Kinderrechtenbeleidsplan)
ZEER REKBAAR
, Implicaties van juridische meerderjarigheid?
o Je moet gaan stemmen en kan verkozen worden;
o Je kan een (huur)contract ondertekenen;
o Je kan trouwen / samenwonen met wie je wil;
o Je kan verder studeren;
o Je mag je eigen geld zelfstandig beheren;
o Je bent burgerrechtelijk aansprakelijk;
o Je wordt handelingsbekwaam geacht;
o Je bent niet langer leerplichtig.
Ontwikkelingspsychologie
o Juridische meerderjarigheid ≠ neuropsychologische volwassenheid
Rijping van hersenen is langlopend proces
Juridisch: De leeftijd waarop iemand als juridisch meerderjarig wordt beschouwd en
verantwoordelijk is voor zijn daden ligt in België op 18 jaar, maar vroeger (tot 1990) was dit 21
jaar.
Neuropsychologisch: De hersenontwikkeling en maturatie, zoals de ontwikkeling van het
voorste deel van de hersenen (prefrontale cortex), loopt door tot ongeveer 25 jaar.
o Minderjarigen zijn zéér divers (0-25 jaar)
Groep minderjarigen heeft uiteenlopende behoeften gedurende die 25 jaar
Baby’s, peuters, kleuters, kinderen, adolescenten …
Adolescentie (periode tussen leeftijd van 10 & 25)
Vroeg-, midden- en laat-adolescentie (zie ontwikkelingsbenadering jeugd)
o Vroeg adolescentie: pre-pubertijd 10-14 jaar
Fysieke veranderingen (lichamelijke ontwikkeling, seksuele vorming,
Weinig verandering op psychosociale oriëntatie
o Midden adolescentie : 14-17 jaar
Fysiek: volwassenheid is bereikt – lichaam stopt met groeien
Psychosociaal: nieuw proces – hersenen beginnen opnieuw te rijpen
– is afgewerkt na deze periode
Niet langer definiëren tot onszelf of onze ouders – associëren tot onze
peers (leeftijdsgenoten) hebben grote invloed op ontwikkeling
(prosociaal en antisociaal)
Hersen maturatie: in deze periode gebeurd relatief weinig – meeste
hersengebieden worden afgerijpt
o Laat adolescentie: 17-25 jaar
Fysieke rijping is klaar
Breinontwikkeling is nog steeds bezig – is afgewerkt rond 25 jaar
Maturity gap (Moffitt): “gap between biological maturity and social maturity” of ook wel “the difference
between an adolescent's level of biological maturity and their level of social maturity”
o Vanaf een leeftijd van 12-17 jaar (afhankelijk van persoon tot persoon) is er sprake van fysieke
volwassenheid (lichaam is volgroeid). MAAR deze hebben echter nog geen sociale volwassenheid (ze
worden door de omgeving nog niet gezien als volwassenen emotioneel, psychologisch gezien zijn
we nog niet volwassen)
o maatschappelijk status die erbij komt, kan niet verworven worden
o Bepaalde gedragingen worden scheef bekeken
Alcohol, roken, beslissingen nemen, …
o Biologische volwassenheid gaat sociale volwassenheid vooraf
Streven naar onafhankelijkheid
Zoeken naar eigen identiteit
Aftasten grenzen
, o Delinquentie hoort daar bij om sociale status te verwerven en kloof te overbruggen
Moffit maakt een onderscheid tussen 2 soorten delinquenten
(1) Adolenscence limited offenders: plegen gedurende adolescentie delinquent
gedrag, tot ze effectief volwassen zijn
o gaan sociaal niet aanvaarde gedragingen gaan stellen
o Ontstaat: in de puberteit, tijdens een ‘maturity gap’ (= jongeren willen
autonomie of zelfstandig zijn, maar zijn dat niet ze zijn nog afhankelijk van hun
ouders. Er wordt dus een ontevredenheid gevoeld over hun afhankelijke
status als kind en men is ongeduldig om het recht te hebben op privileges en
verantwoordlijkheden die in hun ogen horen bij volwassenheid horen.)
o Zij gaan zich hierdoor associëren/aansluiten met delinquent peers
(leeftijdsgenoten). Ze gaan deze delinquente peers ook imiteren (social
mimicry), en dus tijdelijk delinquent gedrag plegen om hun autonomie
(zelfstandigheid) te demonstreren t.o.v. ouders. Deze individuen stoppen
hiermee als ze wel volwassen privileges en verantwoordelijkheden hebben.
o Leren dat gedrag van de life course persitent offenders kleine groep die
hele leven lang sociaal onaangepast gedrag
o Ze denken dat ze op die manier de sociaal aanvaardbare status zullen
verwerven
(2) Life-course-persistent (childhood-onset) offenders: heel vroeg delicten plegen en
blijven dat ook volhouden
o Ontstaat: tijdens vroege jeugd, uit overgeërfde neuropsychologische defecten
of tekortkomingen (dingen die niet goed zijn in uw brein), die zich laat zien in
cognitieve achterstanden, lastig temperament, lage zelfcontrole of
hyperactiviteit, impulsiviteit.
o Deze overgeërfde neurologische eigenschappen in combinatie met een
slechte omgeving (delinquente vrienden, slechte opvoeding,…). Zal er voor
zorgen dat de kans groot is het individu criminaliteit gaat plegen voor de rest
van zijn leven criminele carrière
Enkele klassieke vragen en antwoorden
Welke delicten plegen jongeren?
o Vooral eigendomsdelicten
Vb. Diefstal (klein en groot)
o Maar ook statusdelicten
Vb. Alcohol en drugs, weglopen, spijbelen, ongehoorzaamheid
Welke jongeren plegen delicten?
o Vooral jongens
Waarom breken jongeren regels?
o Grijp terug naar ontwikkelingspsychologie en klassieke theorieën uit etiologische criminologie
o Onset, continuity, escalation, de-escalation, desistance (ontwikkelings- &
o levensloopcriminologie)
o Vooruitblik: belang van neuropsychologische modellen en hedendaagse verklaringsmodellen
,HET VERBAND TUSSEN JEUGD EN CRIMINALITEIT
De age crime curve is een bekend concept in de criminologie dat het verband beschrijft tussen de leeftijd & de
criminaliteit. De algemene bevinding is dat criminaliteit zijn piek kent in de adolescentie rond een leeftijd van 15-19
jaar.
GRAFIEK 1
o Arrestaties voor geweldsdelicten per leeftijd
o Toename vanaf 12-13 jaar
o Daling wanneer men 25 jaar nadert
GRAFIEK 2
o Toont het aantal plegers per 1000 individuen over verschillende leeftijden met onderscheid tussen
mannen en vrouwen
o Piek: 15-19 jaar (late adolescentie) = Criminaliteit bereikt zijn hoogste punt in de adolescentie, meestal
rond de leeftijd van 15-19 jaar. Gedurende deze periode zijn jongeren vaker betrokken bij crimineel
gedrag, zoals vandalisme, diefstal, drugsgebruik en gewelddadigheid. Deze stijging wordt vaak
toegeschreven aan de maturity gap
Daderschap piekt in de (late) adolescentie (Farrington, Loeber)
Bij vrouwen komt de piek iets vroeger
Bij mannen is de piek hoger en langer
Slachtofferschap peikt in de (late) adolescentie (Stolzenberg)
Co-daderschap piekt in de (late) adolescentie (Piquero)
Minstens 2 daders komt vaak voor bij jongeren plegers
late adolescentie is een risicovolle periode
Parallelle risicofactoren zijn aanwezig
DLPFC is nog niet volledig geëvolueerd / ontwikkeld
o DLPFC wordt beïnvloed door alcoholgebruik, leeftijdsgenoten die slechte
beslissingen nemen
o Separatie t.o.v. ouders we moeten volwaardige eigen identiteit definiëren
dit doen we in verhouding met onze leeftijdsgenoten
o Daling in “the early twenties” (20’s): Vanaf 20 jaar, begint de criminaliteit af te nemen. Dit komt omdat
mensen beginnen met het nemen van volwassen verantwoordelijkheden (zoals werk, relaties en
gezinsleven),
Natuurlijk wilt dit echter niet zeggen dat men allemaal stopt met criminaliteit plegen,
criminaliteit stopt niet bij de volwassenheid. Er zijn individuen die lang na de piekperiode
(adolescentie) betrokken blijven in de criminaliteit, & eigenlijk een criminele carrière
uitbouwen
o Universeel = Dit patroon is universeel
Geografisch = overal ter wereld
Geslacht = Dit patroon zien wij terug, alleen is het aantal criminele feiten wel het meest bij de
jongens (jongens plegen meer criminaliteit dan meisjes)
Piek van de vrouwen vindt eerder plaats mannen rijpen (fysiek en psychologisch)
later dan vrouwen
,Age-crime curve tekst 4 reader
Mogelijke verklaringen voor piek criminaliteit in late adolescentie en afname kort daarna?
9 à 10 processen die de afdaling van de age-criminaliteit curve kunnen verklaren (Farrington & Loeber)
1. Groeiproces hersenen (Raine)
o Volgens onderzoekers zoals Adrian Raine is het brein is nog in volle ontwikkeling tijdens adolescentie,
zeker uw dorsale Laterale Prefrontale Cortex (groene gedeelte) duurt lang om volledig volgroeid te zijn
Dit gedeelte is verantwoordelijk voor executief functioneren (o.a. zelfcontrole, impulscontrole,
risicogedrag, langetermijndenken (inschatten van gevolgen), morele beslissingsprocessen)
o Hersenen groeien doorheen leeftijd van 0-25
o DLPFC ontwikkeld zich later dan andere delen in de hersenen
2. Individuele verschillen in zelfcontrole (Hirschi) (link met 1)
o Travis Hirschi legt de nadruk op het belang van zelfcontrole voor criminaliteit. Jongeren met een lage
zelfcontrole zijn meer geneigd om crimineel gedrag te vertonen.
3. Verandering in cognitieve processen en executief functioneren (Moffitt, link met 1 & 2)
o Zelfde bevindingen prefrontale cortex (zelfcontrole) is bij adolescenten nog niet volledig ontwikkeld
4. Verandering in risico- en beschermingsfactoren (in belang van familie, vrienden, link met 5 & 6)
o Emoties herkennen
o Weten wanneer bepaald situatie risicovol is
5. Middelengebruik (link met 1 & 2, 4)
o Leidt tot definitieve remapping
o Middelengebruik (zoals alcohol en drugs) komt vaak voor in de late adolescentie en wordt sterk
geassocieerd met criminaliteit.
6. Levensloopveranderingen (link met 4)
o Levensloopveranderingen in de vroege volwassenheid kunnen de neiging tot criminaliteit afnemen
o Vb. partner tegenkomen, unief afwerken, een job hebben, verlaten van ouderlijk huis
7. Situationele veranderingen gelinkt aan criminaliteit (opportuniteiten en routine activiteiten )
o Vb. omgevingsbenaderingen – minder vaak in omgeving terechtkomen waar delinquent gedrag plegen
mogelijk is
8. Buurt- en straatkenmerken (omgevingscriminologie)
o Vb. verhuisbewegingen
o Vb. arme buurten vaak meer delinquenten, dus ook meer delinquente peers
9. Maatschappelijke reactie (o.a. statusdelicten), incl. strafrechtsbedeling
o Hoe gaat maatschappij om met regel overtredend gedrag
Al deze elementen grijpen in op elkaar om zo tot een omvattende verklaring te komen
Het adolescente brein
Brein in volle ontwikkeling tijdens adolescentie
o Dorsale laterale prefrontale cortex (DLPFC) gebied is rond 20 jaar nog niet afgewerkt
o Verantwoordelijk voor executief functioneren (o.a. impuls- controle, risicogedrag, morele
beslissingsprocessen)
Hoe blauwer, hoe meer afgerijpt het gebied hoe roder, hoe minder afgerijpt (moeten nog matureren)
,CRIMINOLOGISCHE THEORIEVORMING OVER JEUGDCRIMINALITEIT IN VOGELVLUCHT
Vogelvluchtperspectief
Zie integraal: Weijers, I. (2020). Wetenschappelijke perspectieven op jeugdcriminaliteit. In. I. Weijers & C. Eliaerts
(Eds.), Jeugdcriminologie (pp. 95-142). Boom: Den Haag.
Individuele factoren: zichtbare kenmerken
Uiterlijke kenmerken
Lombroso geloofde in de “geboren misdadiger” (criminaliteit was aangeboren) & dat criminelen “atavistische
wezens” waren (bleven steken in een vorig evolutiestadia, waardoor je ze aan (primitieve) lichamelijk
kenmerken zou kunnen herkennen (bv: doorlopende wenkbrauw, scheve kaak, dikke lippen, asymmetrisch
gezicht, …)
Kritieken
o Lacasagne: invloed sociale omgeving op hersenen
o Goring: “There is no such thing as an anthropological criminal type” (1913)
o Bonger: het sociale milieu is bepalend (1905)
Individuele factoren: onzichtbare kenmerken
Psychofysiologie (zenuwstelsel)
Low Arousal hypothese van Sarnoff Mednick is vooral opgebouwd rond de werking van het autonome zenuwstelsel
(AZS). Dit is het gedeelte van ons zenuwstelsel die we niet onder controle hebben, het reageert automatisch op
bijvoorbeeld het ervaren van stress.
Arousal (opwinding) = gaat over de fysiologische respons op een bepaalde (stressvolle) stimuli, waardoor bv:
hartslag, bloeddruk,.. omhoog gaat
o Low-arousal individuen: Mednick stelde dat sommige mensen een laag niveau van fysiologische
arousal ervaren, wat betekent dat ze minder spanning of opwinding voelen in hun dagelijkse
ervaringen (wisselwerking / de rol van het CZS). Omdat deze mensen minder opwinding ervaren, zijn
ze vaak op zoek naar manieren om hun arousal-niveau te verhogen. Dit kan hen motiveren om
risicovolle activiteiten te zoeken (sensation-seeking), zoals criminaliteit, die hen de opwinding bieden
die ze missen in andere aspecten van hun leven.
o Verklaring = biologisch Sommige mensen hebben een minder reactief (of minder snelle activatie)
autonoom zenuwstelsel, waardoor ze niet zo sterk reageren op stressvolle of stimulerende situaties.
Gevolgen:
(1) Fearlessness hypothesis = Low arousal (minder snelle activatie AZS) hangt samen
met een verminderde angst
o Stelt dat er verminderde activiteit is in CZS – als verklaring voor meer
delinquent gedrag bij jongeren
o Lichaam streeft naar balans tussen sympatische en parasympathisch ZS
o Subpopulatie ervaart low arousal waardor parasympatisch ZS dominanter is
dan sympatische
o Geen homiostase
o Autonoom ZS: reguleert bepaalde zaken zonder dat we er aandacht aan
geven: hart en stresslevel
o Verminderd geweten – minder moreel geweten fearlessness
(2) Sensation-seekingg hypothesis = Ze ervaren weinig tot geen opwinding van
normale activiteiten, en gaan dus opzoek naar alternatieven die ze een “rush” geven
(bv: criminaliteit)
o Criminaliteit als opwinding: Criminaliteit kan een manier zijn voor mensen
met een lage arousal om spanning of opwinding te ervaren. Het kan hen een
soort adrenalinerush geven die ze anders misschien niet voelen, waardoor ze
het gedrag blijven vertonen.
,Neurologie
Er zijn ook belangrijke verklaringen voor jeugdcriminaliteit te vinden in de werking van de hersenen
(1) Frontal lobe dysfunction hypothese (Raine) = Prefrontale cortex is een deel van je hersenen dat zorgt voor
zelfcontrole & beslissingen, bij adolescenten is deze nog niet volgroeid waardoor er vaker sprake kan zijn
delinquent gedrag
o Frontale hersenkwab is bij sommigen disfunctioneel + kleiner volume
o DLPFC situeert zich in frontale kwab
o Minder activiteit aanwezig in PFC
o Verbonden met executief functioneren
(2) Rol van neurotransmitters, dit zijn stofjes in je hersenen die zorgen voor communicatie tussen zenuwcellen
o Serotonine (Raine et al.): Delinquenten hebben een significant lage concentratie aan serotonine, wat
gelinkt kan worden aan agressiviteit & impulsiviteit
Bij antisociale individuen is er een lager serotonine niveau
o Dopamine: Deze neurotransmitter is betrokken bij gevoelens van beloning, motivatie
(beloningsysteem) & tijdens de adolescentie is er een significante verhoging van dopamine. Hoge mate
van dopamine zijn gelinkt aan agressiviteit & dus ook crimineel gedrag. Na het stellen van risicovol
gedrag gaat men een zekere “beloning” (goed gevoel) krijgen, waardoor ze gemotiveerd zijn om het
nog eens te doen
Dopamine concentraties zijn hoger tijdens de midden adolescentie
REDEN: hersenrijping speelt mee – leidt tot verhoogde afgifte van dopamine
Naarmate dopamine gehalte afneemt + groei prefrontale cortex vaststelling: beloning
zoekend (reward seeking) en roekeloos gedrag neemt af
Adolescenten zien de mogelijke nadelige gevolgen niet in – kan ze niet inschatten
(3) 2 systemen in onze hersenen bij het maken van een beslissing (Damasio)
o Systeem 1 (snelle beslissingen) Somatische bestempelingshypothese = Vaak gebruiken we lichamelijk
signalen (emoties, hartslag, zweten,..) gebaseerd op eerdere ervaringen om heel snel tot een correcte
beslissing te komen (onbewust, automatisch,…)
Adolescenten zijn minder goed in staat om deze signalen te herkennen, hierdoor nemen ze
vaak de verkeerde snelle beslissingen!!!
o Systeem 2 (doordachte beslissingen: kosten-baten analyse)
Emotieherkenning: somatische bestempelingshypothese & experience sampling (Damasio)
Inschatten + beoordelen van situatie op lange en korte termijn gevolgen
Adolescenten hebben relatief weinig levenservaringen waardoor hersenen nog niet
op automatische piloot situaties kunnen inschatten en classificeren zorgt voor
verkeerde classificatie
Genen
Dual-risk of Diathesis-stress model: Dit model stelt dat sommige mensen een kwetsbaarheid (of aanleg)
hebben voor crimineel gedrag, maar dit enkel tot uiting komt als ze zich in een slechte omgeving bevinding.
o Genetische aanleg: Sommige mensen hebben genen die hen gevoeliger maken voor crimineel gedrag
o Omgevingsinvloed: Als deze mensen in een slechte omgeving opgroeien, kan die genetische
kwetsbaarheid "geactiveerd" worden, wat kan leiden tot problemen zoals agressie of antisociaal
gedrag.
Geen slechte omgeving? Als de omgeving juist goed is, kan de aanleg zich niet manifesteren,
en is er geen verhoogd risico.
Uw kwetsbaarheid wordt enkel geactiveerd in een negatieve omgeving (positieve omgeving
boeit hier niet)
Differential susceptibility hypothese (Belsky) = Sommige individuen hebben een bepaalde genetische aanleg
die hen gevoelig maakt voor negatieve omgevingsinvloeden & positieve omgevingsinvloeden
o Gevoeligheid voor omgeving: Sommige mensen zijn als een spons: ze nemen zowel de slechte als de
goede invloeden uit hun omgeving heel sterk op.
Slechte omgeving: In een negatieve omgeving ontwikkelen ze sneller problemen, zoals
crimineel gedrag of emotionele moeilijkheden.
Goede omgeving: Maar in een positieve omgeving ontwikkelen ze juist extra goed gedrag,
zoals meer zelfcontrole, sociale vaardigheden, en veerkracht.
,Biologie
Wij hebben een HPA-as (stressysteem) in ons lichaam dat verantwoordelijk is om er voor te zorgen dat wij kunnen
omgaan met stress, door eigenlijk ons stress hormoon aan te maken (Cortisol)… Het zorgt ervoor dat je “alert” bent,
maar natuurlijk kan dit maar een bepaalde periode duren & wordt het daarna uitgeput
Testosteron is gelinkt aan agressie: Hoge niveaus van testosteron kan leiden tot agressie
o De relatie tussen testosteron en criminaliteit is veel complexer dan vroege biosociale criminologen
aannemen!!! Testosteron staat namelijk in wisselwerking met andere hormonen, zoals Cortisol
= lage niveaus van cortisol, & hoge niveaus van testosteron, zal ervoor zorgen dat men
agressief gedrag zal vertonen in interactie met andere mensen!
Hoge niveau’s van cortisol zorgt voor meer agressie
o Maar dit verband hangt wel af van de leeftijd (voornamelijk bij adolescenten)
Zeer sterke empirische benadering, maar relatief weinig theorievorming
Samenvattend
o Cortisol modereert verband testosteron-agressie
o Leeftijd modereert verband cortisol-agressie
o Leeftijd modereert verband genen-agressie
o Corroboratie voor rol impulsiviteit bij jeugddelinquentie
Omgevingsfactoren
Chicago School (Shaw & McKay, Park & Burgess, e.a.)
Concentrische zone theorie (Park & Burgess): Hij (Burgess) zag dat steden zich doorheen de jaren uitbreiden, en dat er
verschillende zones onderscheiden kunnen worden, deze begonnen allemaal in het centrum, dan zone 2, zone 3,…
Burgess heeft de stad (Chicago) daarom ook opgedeeld in verschillende zones, & hij ging samen met Park kijken in
welke buurten de meeste criminaliteit plaatsvond
1) Centrale zakencentrum (the loop)
2) Transitiezone of overgangszone :Allerlei vormen criminaliteit komen hier voor, dus ook jeugdcriminaliteit
o Hoe komt het dat er vooral deviantie, crimineel gedrag was in zone II ? Dit werd onderzocht door
studenten van Park, die uiteindelijk de sociale desorganisatietheorie hadden gevormd (uitbreiding:
concentrische zonetheorie)
Door de groei van steden geraken de buurten in de zone in verval.
Belangrijkste buurtkenmerken:
Armoede (% werklozen, leefloners, …)
Immigratie (% inwijkelingen uit andere landen, regio’s, werelddelen)
Verhuismobiliteit (% dat binnen 6 maand opnieuw verhuist)
o = Mensen blijven niet lang in die buurt
Deze factoren bemoeilijken de sociale cohesie (relatie of samenhang) tussen buren of mensen
uit dezelfde wijk (als mensen voortdurend verhuizen kan men moeilijk een band scheppen met
elkaar + als men in enorme armoede leeft, heeft men natuurlijk andere zorgen dan een band
scheppen met de buren + wanneer men in een wijk woont waar 170 talen gesproken worden
kan men zelfs geen band opbouwen), naast verminderde sociale cohesie is er dus ook minder
sociale controle, in het algemeen kan men stellen dat deze buurtkenmerken de sociale
organisatie aantasten, waardoor er meer delinquentie plaatsvindt (in die buurten). Dit wilt
zeggen verhoogde aanwezigheid is van delinquente jongeren in deze verloederende of arme
buurten, het gaat voornamelijk om de woonplaats
o Dus er is sprake van sociale desorganisatie (Shaw & Mckay) – verminderde sociale controle, verstoring
consensus van wat goed & slecht is. Wat ten slotte leidt tot het al dan meer voorkomen van
criminaliteit.
3) Arbeiderszone
4) Residentiële zone (Zone van beter behuisde of de rijke inwoners)
5) Pendelaarszone
, Differentiële associatietheorie (Sutherland)
Jeugddelinquentie is aangeleerd gedrag door sociale interactie met “foute” vrienden (frequentie en intensiteit van
sociale contacten, status van sociale contact). Deze individuen hebben negatieve houding ten opzichte van de wet &
dus wanneer je hier vaak en intensief mee in contact komt. Ga je deze houding overnemen, en de criminele
handeling/motivaties/… aanleren
Spanningsbenaderingen: strain (Merton e.a.)
Merton’s anomie theorie stelt dat jongeren een zekere strain/spanning/frustratie voelen wanneer er een kloof is
tussen (1) Cultureel bepaalde doelstellingen & (2) Geïnstitutionaliseerde middelen (frustratie tgv. mismatch
verwachtingen en mogelijkheden om die verwachtingen te realiseren) om de doelen te bereiken, deze zijn niet gelijk
verdeeld in de maatschappij). Wanneer jongere dus onvoldoende middelen hebben op deze doelstellingen te behalen
(rijk worden, auto, …) ervaren ze frustratie & gaan criminaliteit plegen als één van de opties. Volgens Merton zijn er 5
soorten reactie op de anomische situatie (waarbij er een kloof is tussen de doelstellingen en de middelen)
Namelijk: (1) Conformisme, (2) Innovatie (criminaliteit) (3) Ritualisme, (4) terugtrekking & (5) Rebellie
Maatschappelijke kwetsbaarheid (Vettenburg & Walgrave)
Etikeringsbenadering: labeling (Lemert, Becker, e.a.)
“The person becomes the thing he is described as being” (Tannenbaum)
o (Tannenbaum): Dit betekent dat als iemand wordt bestempeld als crimineel of delinquent, deze
persoon zich kan gaan gedragen naar dat label/stigma. Het etiket kan ervoor zorgen dat de persoon
zich als crimineel gaat gedragen omdat anderen hen zo behandelen en omdat ze zelf die identiteit
beginnen aan te nemen.
Reintegrative shaming (Braithwaite)
Opportuniteit & keuze
Zonder opportuniteit kan er geen delinquent gedrag gepleegd worden
o Mogelijkheid moet groter zijn dan in andere situaties
Opportunity theories of crime
o Gelegenheid maakt de dief
o “Everybody could do at least some crime at some time” (Felson)
Rationele keuzetheorie (Cornish & Clarke)
o Het beslissingsproces van een persoon om criminaliteit te plegen & doelwit te kiezen kan worden
samengevat in volgend element “kosten-baten analyse” (voordelen-nadelen). Men gaat criminaliteit
plegen wanneer de baten > kosten. Maar minderjarige hebben een onderontwikkelde prefrontale
cortex dus, daarom nemen ze vaak de verkeerde beslissing
Vorm van executief functioneren bij volwassenen jongeren kunnen minder makkelijk
weloverwogen keuzes maken
Routine activiteiten theorie (Cohen & Felson)
o Criminaliteit ontstaat uit het samenvallen van drie elementen (het samenvallen creëert de gelegenheid
voor een misdrijf):
Gemotiveerde dader: Een persoon die de intentie heeft om een misdrijf te plegen.
Geschikt doelwit (victim): Een object of persoon dat het slachtoffer kan worden van het
misdrijf (bijvoorbeeld een woning, auto of persoon).
Afwezigheid van een waakzame (capable) beschermer: Er moet een gebrek aan bescherming
zijn, zoals onvoldoende toezicht of beveiliging, waardoor het doelwit kwetsbaar is voor
criminaliteit.
o Routineactiviteiten: Cohen en Felson stelden dat veranderingen in dagelijkse routines van mensen de
kans op criminaliteit kunnen beïnvloeden (hebben impact op deze bovenstaande factoren).
Bijvoorbeeld, als mensen meer tijd thuis doorbrengen, neemt de kans op inbraken af. Aan de andere
kant, als mensen vaker de straat op gaan en het huis verlaten, neemt de kans op bepaalde criminaliteit
toe. Omstandigheden waardoor delinquenten in contact komen met doelwitten
o Heeft ons punten om in te grijpen op de situatie