Hoofdstuk 1: Het persoonlijk referentiekader en interactie (Thema 1)
1. Gedrag
Gedrag is de waarneembare manier waarop een individu zich aanpast aan zijn
omgeving. Mensen gedragen zich voortdurend en alles wat zij doen of nalaten
zendt signalen uit en heeft betekenis; men kan niet niet gedragen.
Soorten gedrag
1. Uiterlijk waarneembaar gedrag: Dit is de zichtbare kant, die slechts het
topje van de ijsberg vormt.
2. Innerlijk gedrag: Dit speelt zich af achter de schermen van ons lichaam
en bestaat uit:
o Fysiologische processen: Biochemische en elektrische activiteiten
in het lichaam. Deze zijn meetbaar* (bv. hartkloppingen,
bloeddruk), hoewel ze niet waarneembaar zijn.
o Mentale processen: Inwendige activiteiten zoals denken,
fantaseren, voelen en onthouden. Deze zijn niet-
waarneembaar ,niet meetbaar, persoonlijk en het resultaat
van de werking.
Gedragsmodellen
De Reflex (S-R): Een constante, vrijwel starre, automatisch verlopende
reactie (R of respons) op een bepaalde prikkel die zonder nadenken volgt.
* zeer weinig mensen is gedrag reflexmatig , bij baby’s veel meer reflexen
o Kort voorbeeld: De kniepeesreflex of de zuigreflex bij baby’s.
Zinvolle Reactie op een Zinvolle Situatie (S-O-R):
De meeste vormen van menselijk gedrag zijn zinvolle reacties. Hierbij
geeft het organisme (O) betekenis aan de prikkel (S), waarna een
aangepaste reactie (R) volgt. Gedrag wordt mede bepaald door interne
psychische processen (verwachtingen, motieven, driften) van de mens
of het organisme (O).
o Kort voorbeeld: Wanneer een romantische relatie wordt verbroken
(S), zal de reactie (R) van de partner afhangen van zijn of haar eigen
gevoelens en behoeften (P/O), zoals opluchting, verdriet, of de wens
tot wraak.
2. Interactie
Interactie is de wederzijdse relatie tussen persoon en omgeving, of het
complexe proces waarin persoon en omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden.
*communicatie kan ook non-verbaal van aard zijn* (bv. een blik of fysieke
afstand).
* mensen hebben een wederzijdse relatie met de omgeving.
, Componenten van Interactie
Een persoon staat continu in contact met zijn omgeving, waarbij de volgende
componenten een rol spelen:
1. Waarneming (Perceptie): Het waarnemingsproces onderscheidt het
fysisch gegeven (prikkel), het zintuiglijk gegeven (werking zintuigen) en
het psychisch gegeven (hersenen geven betekenis).
o Fysisch gegeven: een bepaalde prikkel die zich in de omgeving
bevindt.
o Zintuigelijk gegeven: werking van de zingtuigen en inschakelen
van de zenuwbanen.
o Psychisch gegeven : de hersenen geven een betekenis a/d prikkel
* 1e twee stappen in het wnproces zijn onbewust, pas in de derde
stap wordt de gewaarwording een waarneming en zijn we ons
bewust van een prikkel.
o Perceptie: het organiseren, interpreteren en begrijpen van een
stimulus
Kenmerken van het waarnemingsproces
- Onze zintuigen passen zich aan en merken vooral veranderingen op
bv( geur, geluid,…)
- Er bestaat een drempel vooraleer iets wordt waargenomen.
Absolute drempel: de minimale hoeveelheid stimulatie die nodig is
voordaat de stimulus wordt opgewerkt
* kan verschillen tot persoon tot persoon
- er bestaat een onderscheidingsdrempel tussen prikkels
onderscheidingsdrempel/verschildrempel: het kleinst waarneembare
verschil tussen 2 prikkels hoe kleiner de waarde van deze drempel hoe
gevoeliger het zintuig is om het onderscheid tussen prikkels te kunnen
waarnemen.
- Geleidelijke waarnemingen worden moeizaam waargenomen
- Onze waarneming is relatief → onze wn gebeurt altijd in vergelijking met
andere vroegere waarnemingen.
- Onze waarneming is selectief → we maken een keuze uit de
binnenkomende prikkels op basis van aandacht of behoefte.
- Waarneming vatbaar voor beïnvloeding; we maken onze eigen
werkelijkheid.
Kort voorbeeld: Na het kopen van een nieuwe brommer, zie je
ineens veel meer soortgelijke snorfietsen (selectieve
waarneming op basis van behoeften).
1. Gedrag
Gedrag is de waarneembare manier waarop een individu zich aanpast aan zijn
omgeving. Mensen gedragen zich voortdurend en alles wat zij doen of nalaten
zendt signalen uit en heeft betekenis; men kan niet niet gedragen.
Soorten gedrag
1. Uiterlijk waarneembaar gedrag: Dit is de zichtbare kant, die slechts het
topje van de ijsberg vormt.
2. Innerlijk gedrag: Dit speelt zich af achter de schermen van ons lichaam
en bestaat uit:
o Fysiologische processen: Biochemische en elektrische activiteiten
in het lichaam. Deze zijn meetbaar* (bv. hartkloppingen,
bloeddruk), hoewel ze niet waarneembaar zijn.
o Mentale processen: Inwendige activiteiten zoals denken,
fantaseren, voelen en onthouden. Deze zijn niet-
waarneembaar ,niet meetbaar, persoonlijk en het resultaat
van de werking.
Gedragsmodellen
De Reflex (S-R): Een constante, vrijwel starre, automatisch verlopende
reactie (R of respons) op een bepaalde prikkel die zonder nadenken volgt.
* zeer weinig mensen is gedrag reflexmatig , bij baby’s veel meer reflexen
o Kort voorbeeld: De kniepeesreflex of de zuigreflex bij baby’s.
Zinvolle Reactie op een Zinvolle Situatie (S-O-R):
De meeste vormen van menselijk gedrag zijn zinvolle reacties. Hierbij
geeft het organisme (O) betekenis aan de prikkel (S), waarna een
aangepaste reactie (R) volgt. Gedrag wordt mede bepaald door interne
psychische processen (verwachtingen, motieven, driften) van de mens
of het organisme (O).
o Kort voorbeeld: Wanneer een romantische relatie wordt verbroken
(S), zal de reactie (R) van de partner afhangen van zijn of haar eigen
gevoelens en behoeften (P/O), zoals opluchting, verdriet, of de wens
tot wraak.
2. Interactie
Interactie is de wederzijdse relatie tussen persoon en omgeving, of het
complexe proces waarin persoon en omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden.
*communicatie kan ook non-verbaal van aard zijn* (bv. een blik of fysieke
afstand).
* mensen hebben een wederzijdse relatie met de omgeving.
, Componenten van Interactie
Een persoon staat continu in contact met zijn omgeving, waarbij de volgende
componenten een rol spelen:
1. Waarneming (Perceptie): Het waarnemingsproces onderscheidt het
fysisch gegeven (prikkel), het zintuiglijk gegeven (werking zintuigen) en
het psychisch gegeven (hersenen geven betekenis).
o Fysisch gegeven: een bepaalde prikkel die zich in de omgeving
bevindt.
o Zintuigelijk gegeven: werking van de zingtuigen en inschakelen
van de zenuwbanen.
o Psychisch gegeven : de hersenen geven een betekenis a/d prikkel
* 1e twee stappen in het wnproces zijn onbewust, pas in de derde
stap wordt de gewaarwording een waarneming en zijn we ons
bewust van een prikkel.
o Perceptie: het organiseren, interpreteren en begrijpen van een
stimulus
Kenmerken van het waarnemingsproces
- Onze zintuigen passen zich aan en merken vooral veranderingen op
bv( geur, geluid,…)
- Er bestaat een drempel vooraleer iets wordt waargenomen.
Absolute drempel: de minimale hoeveelheid stimulatie die nodig is
voordaat de stimulus wordt opgewerkt
* kan verschillen tot persoon tot persoon
- er bestaat een onderscheidingsdrempel tussen prikkels
onderscheidingsdrempel/verschildrempel: het kleinst waarneembare
verschil tussen 2 prikkels hoe kleiner de waarde van deze drempel hoe
gevoeliger het zintuig is om het onderscheid tussen prikkels te kunnen
waarnemen.
- Geleidelijke waarnemingen worden moeizaam waargenomen
- Onze waarneming is relatief → onze wn gebeurt altijd in vergelijking met
andere vroegere waarnemingen.
- Onze waarneming is selectief → we maken een keuze uit de
binnenkomende prikkels op basis van aandacht of behoefte.
- Waarneming vatbaar voor beïnvloeding; we maken onze eigen
werkelijkheid.
Kort voorbeeld: Na het kopen van een nieuwe brommer, zie je
ineens veel meer soortgelijke snorfietsen (selectieve
waarneming op basis van behoeften).