Methoden in het biomedisch onderzoek - 2
H2. Biomedische vraagstelling en onderzoeksmethodiek
Breed gamma aan vraagstellingen (focus op de mens)
Fysiologische vraagstelling -> hoe werkt ons lichaam
Pathologische vraagstelling -> wat loopt er fout -> maatschappelijk belang
Niveaus: Organisme – weefsel – cel – subcellulair (combinatie)
Vormen van onderzoek:
Open exploratief onderzoek
Versch experimenten gebr zonder specifieke richting te kiezen
Zorgt dat we hypothese kunnen genereren
Hypothese gedreven onderzoek
Specifieke exp met hypothese (antwoord vooropstellen)
Soorten onderzoek:
Fundamenteel: Analyse moleculaire bestanddelen/processen in cel
Translationeel: overgang
Klinisch:
Patiënt-gericht
o Optimaliseren diagnose / verbeteren behandeling / nieuw geneesmiddel
PICO principe (patiënt – intervention – controls – outcome)
Fasen
1. Gezonde personen
2. Beperkte groep zieke personen
3. Grotere groep
4. Op de markt -> langetermijneffecten
Analyse:
In vivo: levende organismen
Ex vivo: stalen v organismen (representeerd lichaam)
In vitro: proefbuis
In silico: met computer
Definities
Precisie (variabiliteit)
maat vr reproduceerbaarheid
standaard deviatie – coëfficiënt v variatie
Accuraatheid
Verschil gemeten waarde – echte waarde
Populatiestatistiek (confidentieniveau)
Detectielimiet (gevoeligheid) -> kleinste gemeten waarde
Kwantificatielimiet
Kleinste waarde met voldoende nauwkeurigheid
Robuustheid
Maat vr consistent resultaat ondanks klein verschil in experimentele parameters
1
,Criteria vr selectie van methoden: variabelen, precisie, detectielimiet, stalen, apparatuur,
vergunningen, …
H4. Eiwitten
Isoleren van eiwitten
Algemeen
Startmateriaal: weefsel, bloed, cellen, organellen
Homogenisatie (detergent, invries-ontdooien, sonicatie, …)
Ruw eiwitlysaat => opzuiveren: chromotografie / elektroforese
Homogenisatiebuffer: (eiwitten goed bewaard houden)
Buffer -> pH ~ lading eiwit
Zout (weinig) -> voorkomt denaturatie
Protease inhibitoren -> voorkomt afbraak => vaak mengsel meerdere inhibitoren
Serine proteasen (trysine, chymotrypsine, thrombine, kallikreïne)
o Inhibitoren: PMSF, benzamidine (BZA), aprotinine
Metalloproteasen (metaalion nodig)
o Inhibitoren: EDTA (bindt bivalente kationen)
Soms weglaten: goede enzymen soms ook metaalionen nodig
Cysteïne / thiol proteasen
o Inhibitoren: leupeptine (bindt cysteïne)
Aspartaat proteasen (pepsine, renine, cathepsine)
o Inhibitoren: papstatine (bindt aspartaat)
(Fosfatase inhibitoren) -> behouden van fosforylaties => vaak mengsel inhibitoren
Serine/threonine fosfatasen
o Inhibitoren: natrium fluoride, natrium pyrofosfaat, β-glycerofosfaat
Tyrosine fosfatasen
o Inhibitoren: natrium orthovanadaat
(Detergent) -> oplossen celmembraan als eiwit niet goed oplost
NP40, Triton-X100, CHAPS, SDS
(Reducerend agens) -> afbraak disulfidebruggen
DTT, β-ME
Aanmaken van eiwitten
Chemische synthese in vitro:
Werking
1. Koppeling AZ (C-terminus) + peptide linker met harsparel
2. Verwijderen N-terminale beschermingsgroep (N α-deprotectie)
3. Repetitieve cylci: koppeling volgende AZ (C-terminus) op N-terminus
4. Nα-deprotectie + afklieven harsparel en linker + zijketen deprotectie
Voordelen
Synthese artificiële eiwitten (ingebouwde artificiële AZ -> niet gecodeerd door
genoom) => ontstaan stabielere eiwitten / actievere enzymen / …
Geen probleem voor:
o Toxiciteit v eiwit vr organisme dat het zou moeten aanmaken
2
, o AZ-beschikbaarheid
Nadelen
Koppelingsefficiëntie per cyclus: 99%
o Verlaagde opbrengst bij elk extra AZ
o Enkel korte sequenties => oplossing: koppeling kortere eiw voor aanmaak
langere eiw
Duur
Kleine hoeveelheden
Toepassingen
Antistofproductie
Artificiële eiwitten
Enzymatische synthese in vitro:
Werking (gekoppeld met in vitro transcriptie)
In vitro translatie RNA -> in reticulocyt lysaat (konijn) / tarwekiem extract
o Bevat: ribosomen + AZ + energie
Koppeling met in vitro transcriptie
Voordelen
Makkelijk + snel
Nadelen
Kleine hoeveelheden
Toepassingen
Karakteriseren ORF (open reading frame)
Structurele en functionele studies
In vivo expressie systemen:
Recombinante eiwitproductie: introductie recombinant DNA vr expressie recombinant eiw
BELANGRIJK: keuze organisme bepaalt keuze expressie plasmide + eiwitcoderende
sequentie = codon optimalisatie
o Aanpassen coderende sequentie -> hogere eiwitexpressie
Synonieme codons gebruiken wr veel tRNA beschikbaar is in dat
organisme/celtype
Eiwitproductie
Transiënt -> werkt maar enkele dagen
o Transfectie: geen integratie recombinant DNA in genoom expressie
organisme
Stabiel -> maanden
o Transductie: integratie recombinant DNA in genoom expressie organisme
Schaal productie
Laboratoriumschaal -> kleine volumes (1 mL – 1L)
Industriële schaal -> tot bioreactor productietank (1000 L)
Expressie systemen
Bacterie
o Soorten
E.Coli
Bacillus subtilis -> eiwitsecretie in medium
o Voordelen
Makkelijk manipuleerbaar
Goedkope cultuurmedia
3
, Induceerbare promotoren (productie aanzetten als voldoende
bacteriën aanwezig)
IPTG: inactiveert lac repressor -> transcriptie gen + translatie
o Nadelen
Foute post-translationele modificaties
Foute opvouwing + oplosbaarheid v eiw
=> aggregatie in inclusion bodies
Kan ook voordeel zijn
Geen last van toxicitiet door eiw
Beschermd tegen proteolyse
Zuiver + hoog geconcentreerde eiwitten
o Nieuw: artificiële bacteriële ribosomen (Ribo-T)
Principe
Artificiële ribosomen toevoegen -> herkennen andere Shine-
Dalgarno sequentie DUS translatie andere set mRNA
Voordelen
Betere leefbaarheid bacterie -> endogene ribosomen ku
endogene eiw blijven aanmaken
Mogelijkheid artificiële AZ inbouwen
Nadelen
Niet volledig ontwikkeld
Enkel in bacteriën
Gist
o Soorten
Saccharomyces cerevisiae (bakkersgist)
Pichia pastoris
Minder immunogene glycosylaitepatronen (lijken beter op
mens)
Groeien aan hogere celdensitiet -> hogere eiwitopbrengst
o Voordelen
Makkelijk op te schalen
Goedkoop
Hoge expressie
Secretie eiwit in medium
Vectoren met
Constitutieve promotoren: altijd actief
Induceerbare promotoren: regelbaar
S. cerevisiae: methanol induceerbaar
P. pastoris: fosfaat induceerbaar
o Nadelen
Foute post-translationele modificaties + vouwing eiw
Plant (cellen / volledige planten)
o Soorten
Volledig transgene planten (stabiel) -> wel integratie
Transiënte expressie via agrobacteriën -> geen integratie in genoom
plant
Insect cellen
o Soorten
Combi met baculovirus expressie S2 cellen (Schneider 2) -> afgeleid v macrofagen embryo’s fruitvlieg
systemen -> veilig maken vr de mens Sf9 en Sf21 cellen -> afgeleid v ovaria legerrups
o Voordelen
4
H2. Biomedische vraagstelling en onderzoeksmethodiek
Breed gamma aan vraagstellingen (focus op de mens)
Fysiologische vraagstelling -> hoe werkt ons lichaam
Pathologische vraagstelling -> wat loopt er fout -> maatschappelijk belang
Niveaus: Organisme – weefsel – cel – subcellulair (combinatie)
Vormen van onderzoek:
Open exploratief onderzoek
Versch experimenten gebr zonder specifieke richting te kiezen
Zorgt dat we hypothese kunnen genereren
Hypothese gedreven onderzoek
Specifieke exp met hypothese (antwoord vooropstellen)
Soorten onderzoek:
Fundamenteel: Analyse moleculaire bestanddelen/processen in cel
Translationeel: overgang
Klinisch:
Patiënt-gericht
o Optimaliseren diagnose / verbeteren behandeling / nieuw geneesmiddel
PICO principe (patiënt – intervention – controls – outcome)
Fasen
1. Gezonde personen
2. Beperkte groep zieke personen
3. Grotere groep
4. Op de markt -> langetermijneffecten
Analyse:
In vivo: levende organismen
Ex vivo: stalen v organismen (representeerd lichaam)
In vitro: proefbuis
In silico: met computer
Definities
Precisie (variabiliteit)
maat vr reproduceerbaarheid
standaard deviatie – coëfficiënt v variatie
Accuraatheid
Verschil gemeten waarde – echte waarde
Populatiestatistiek (confidentieniveau)
Detectielimiet (gevoeligheid) -> kleinste gemeten waarde
Kwantificatielimiet
Kleinste waarde met voldoende nauwkeurigheid
Robuustheid
Maat vr consistent resultaat ondanks klein verschil in experimentele parameters
1
,Criteria vr selectie van methoden: variabelen, precisie, detectielimiet, stalen, apparatuur,
vergunningen, …
H4. Eiwitten
Isoleren van eiwitten
Algemeen
Startmateriaal: weefsel, bloed, cellen, organellen
Homogenisatie (detergent, invries-ontdooien, sonicatie, …)
Ruw eiwitlysaat => opzuiveren: chromotografie / elektroforese
Homogenisatiebuffer: (eiwitten goed bewaard houden)
Buffer -> pH ~ lading eiwit
Zout (weinig) -> voorkomt denaturatie
Protease inhibitoren -> voorkomt afbraak => vaak mengsel meerdere inhibitoren
Serine proteasen (trysine, chymotrypsine, thrombine, kallikreïne)
o Inhibitoren: PMSF, benzamidine (BZA), aprotinine
Metalloproteasen (metaalion nodig)
o Inhibitoren: EDTA (bindt bivalente kationen)
Soms weglaten: goede enzymen soms ook metaalionen nodig
Cysteïne / thiol proteasen
o Inhibitoren: leupeptine (bindt cysteïne)
Aspartaat proteasen (pepsine, renine, cathepsine)
o Inhibitoren: papstatine (bindt aspartaat)
(Fosfatase inhibitoren) -> behouden van fosforylaties => vaak mengsel inhibitoren
Serine/threonine fosfatasen
o Inhibitoren: natrium fluoride, natrium pyrofosfaat, β-glycerofosfaat
Tyrosine fosfatasen
o Inhibitoren: natrium orthovanadaat
(Detergent) -> oplossen celmembraan als eiwit niet goed oplost
NP40, Triton-X100, CHAPS, SDS
(Reducerend agens) -> afbraak disulfidebruggen
DTT, β-ME
Aanmaken van eiwitten
Chemische synthese in vitro:
Werking
1. Koppeling AZ (C-terminus) + peptide linker met harsparel
2. Verwijderen N-terminale beschermingsgroep (N α-deprotectie)
3. Repetitieve cylci: koppeling volgende AZ (C-terminus) op N-terminus
4. Nα-deprotectie + afklieven harsparel en linker + zijketen deprotectie
Voordelen
Synthese artificiële eiwitten (ingebouwde artificiële AZ -> niet gecodeerd door
genoom) => ontstaan stabielere eiwitten / actievere enzymen / …
Geen probleem voor:
o Toxiciteit v eiwit vr organisme dat het zou moeten aanmaken
2
, o AZ-beschikbaarheid
Nadelen
Koppelingsefficiëntie per cyclus: 99%
o Verlaagde opbrengst bij elk extra AZ
o Enkel korte sequenties => oplossing: koppeling kortere eiw voor aanmaak
langere eiw
Duur
Kleine hoeveelheden
Toepassingen
Antistofproductie
Artificiële eiwitten
Enzymatische synthese in vitro:
Werking (gekoppeld met in vitro transcriptie)
In vitro translatie RNA -> in reticulocyt lysaat (konijn) / tarwekiem extract
o Bevat: ribosomen + AZ + energie
Koppeling met in vitro transcriptie
Voordelen
Makkelijk + snel
Nadelen
Kleine hoeveelheden
Toepassingen
Karakteriseren ORF (open reading frame)
Structurele en functionele studies
In vivo expressie systemen:
Recombinante eiwitproductie: introductie recombinant DNA vr expressie recombinant eiw
BELANGRIJK: keuze organisme bepaalt keuze expressie plasmide + eiwitcoderende
sequentie = codon optimalisatie
o Aanpassen coderende sequentie -> hogere eiwitexpressie
Synonieme codons gebruiken wr veel tRNA beschikbaar is in dat
organisme/celtype
Eiwitproductie
Transiënt -> werkt maar enkele dagen
o Transfectie: geen integratie recombinant DNA in genoom expressie
organisme
Stabiel -> maanden
o Transductie: integratie recombinant DNA in genoom expressie organisme
Schaal productie
Laboratoriumschaal -> kleine volumes (1 mL – 1L)
Industriële schaal -> tot bioreactor productietank (1000 L)
Expressie systemen
Bacterie
o Soorten
E.Coli
Bacillus subtilis -> eiwitsecretie in medium
o Voordelen
Makkelijk manipuleerbaar
Goedkope cultuurmedia
3
, Induceerbare promotoren (productie aanzetten als voldoende
bacteriën aanwezig)
IPTG: inactiveert lac repressor -> transcriptie gen + translatie
o Nadelen
Foute post-translationele modificaties
Foute opvouwing + oplosbaarheid v eiw
=> aggregatie in inclusion bodies
Kan ook voordeel zijn
Geen last van toxicitiet door eiw
Beschermd tegen proteolyse
Zuiver + hoog geconcentreerde eiwitten
o Nieuw: artificiële bacteriële ribosomen (Ribo-T)
Principe
Artificiële ribosomen toevoegen -> herkennen andere Shine-
Dalgarno sequentie DUS translatie andere set mRNA
Voordelen
Betere leefbaarheid bacterie -> endogene ribosomen ku
endogene eiw blijven aanmaken
Mogelijkheid artificiële AZ inbouwen
Nadelen
Niet volledig ontwikkeld
Enkel in bacteriën
Gist
o Soorten
Saccharomyces cerevisiae (bakkersgist)
Pichia pastoris
Minder immunogene glycosylaitepatronen (lijken beter op
mens)
Groeien aan hogere celdensitiet -> hogere eiwitopbrengst
o Voordelen
Makkelijk op te schalen
Goedkoop
Hoge expressie
Secretie eiwit in medium
Vectoren met
Constitutieve promotoren: altijd actief
Induceerbare promotoren: regelbaar
S. cerevisiae: methanol induceerbaar
P. pastoris: fosfaat induceerbaar
o Nadelen
Foute post-translationele modificaties + vouwing eiw
Plant (cellen / volledige planten)
o Soorten
Volledig transgene planten (stabiel) -> wel integratie
Transiënte expressie via agrobacteriën -> geen integratie in genoom
plant
Insect cellen
o Soorten
Combi met baculovirus expressie S2 cellen (Schneider 2) -> afgeleid v macrofagen embryo’s fruitvlieg
systemen -> veilig maken vr de mens Sf9 en Sf21 cellen -> afgeleid v ovaria legerrups
o Voordelen
4