Hoofdstuk 9: de rechterlijke organisatie
Naast de regering en de Staten-Generaal vormt de rechterlijke organisatie
de derde staatsmacht, belast met de rechtspraak. Volgens het beginsel
van de machtenscheiding moet zij zelfstandig, onafhankelijk en
gelijkwaardig zijn aan de andere machten. Dit hoofdstuk onderzoekt of het
Nederlandse constitutionele recht voldoende waarborgen biedt voor deze
onafhankelijkheid en of er genoeg checks and balances zijn.
Bij de Grondwet van 1983 wilde de regering de hoofdlijnen van de
rechterlijke organisatie vastleggen en de belangen van burgers
beschermen. De vraag is of dat doel is bereikt.
Opbouw
De rechterlijke organisatie in westerse staten heeft meestal de vorm van
een piramide:
rechtbanken in eerste aanleg,
gerechtshoven in hoger beroep,
en een hoogste rechter die toeziet op de rechtseenheid.
Vaak bestaan er meerdere rechterlijke organisaties naast elkaar, zoals
voor civiele, straf- en bestuursrechtelijke zaken. Ook de Nederlandse
rechterlijke organisatie is historisch gegroeid tot een complex geheel.
De ontwikkeling van de rechterlijke organisatie in Nederland
De Grondwet van 1814 kende één rechterlijke macht voor civiele en
strafzaken, met de Hoge Raad als opperste gerechtshof. De Wet op de
rechterlijke organisatie (RO) van 1827 voegde de gerechtshoven,
arrondissementsrechtbanken en kantongerechten toe.
De Grondwet van 1983 noemt enkel nog de Hoge Raad; de wetgever
bepaalt verder zelf welke gerechten tot de rechterlijke macht behoren (art.
116 Gw). Sinds de hervorming van 2002 bestaat de rechterlijke macht uit
drie niveaus: rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad. De
kantongerechten zijn opgegaan in de rechtbanken.
De ontwikkeling van de bestuursrechtspraak
Lange tijd werd gedacht dat rechters geen besluiten van de overheid
mochten toetsen. Pas met de Grondwetsherziening van 1887 werd
bestuursrechtspraak mogelijk (art. 112 lid 2 Gw). Toch kwam de
rechtsbescherming tegen de overheid in Nederland langzaam op gang.
De wetgever koos voor een versnipperde aanpak, met afzonderlijke
bestuursrechters zoals de Raden van Beroep, de Centrale Raad van Beroep
(1902), de Ambtenarengerechten (1929) en het College van Beroep voor
het bedrijfsleven (1954). Zo ontstond een “lappendeken” van
, bestuursrechtspraak, wat de rechtsbescherming onoverzichtelijk maakte.
De Grondwet van 1983 wilde deze versnippering beëindigen en de
bestuursrechtspraak onderbrengen bij de gewone rechterlijke macht. In de
praktijk is dat slechts gedeeltelijk gelukt:
de rechtbanken behandelen bestuurszaken in eerste aanleg,
maar in hoger beroep blijven aparte instanties bestaan (de Centrale Raad
van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State).
Alleen de belastingrechtspraak is volledig geïntegreerd in de rechterlijke
macht.
De Grondwet en de organisatie van de rechterlijke macht
De Grondwet regelt de rechterlijke organisatie slechts globaal. Artikel 116
Gw laat de inrichting grotendeels over aan de wetgever, waardoor ook de
regering invloed kan hebben op organisatorische zaken — iets wat
spanning kan opleveren met de onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht.
Verder bepaalt de Grondwet dat:
lekenrechters naast beroepsrechters kunnen optreden, maar
juryrechtspraak is uitgesloten;
tuchtrechtelijk toezicht uitsluitend door rechters zelf wordt uitgeoefend
rechters door de regering worden benoemd, en de Hoge Raad op
voordracht van de Tweede Kamer.
Zo ontstaan wel checks and balances, maar blijft enige politieke invloed
mogelijk.
De huidige organisatiestructuur
Sinds 2002 kent de RO een moderne bestuursstructuur. Elk gerecht wordt
geleid door een gerechtsbestuur met een voorzitter (president), een
rechterlijk en een niet-rechterlijk lid. Rechters zijn organisatorisch
ondergeschikt aan dit bestuur.
De Raad voor de rechtspraak houdt toezicht op de bedrijfsvoering en
verdeelt het budget. Deze Raad legt verantwoording af aan de minister
van Justitie en Veiligheid, die aanwijzingen kan geven of besluiten kan
vernietigen.
Deze hiërarchische structuur roept de vraag op of de rechterlijke macht
nog wel voldoende zelfstandig en onafhankelijk functioneert.
9.3 onafhankelijkheid, onpartijdigheid en andere constitutionele
waarborgen
Naast de regering en de Staten-Generaal vormt de rechterlijke organisatie
de derde staatsmacht, belast met de rechtspraak. Volgens het beginsel
van de machtenscheiding moet zij zelfstandig, onafhankelijk en
gelijkwaardig zijn aan de andere machten. Dit hoofdstuk onderzoekt of het
Nederlandse constitutionele recht voldoende waarborgen biedt voor deze
onafhankelijkheid en of er genoeg checks and balances zijn.
Bij de Grondwet van 1983 wilde de regering de hoofdlijnen van de
rechterlijke organisatie vastleggen en de belangen van burgers
beschermen. De vraag is of dat doel is bereikt.
Opbouw
De rechterlijke organisatie in westerse staten heeft meestal de vorm van
een piramide:
rechtbanken in eerste aanleg,
gerechtshoven in hoger beroep,
en een hoogste rechter die toeziet op de rechtseenheid.
Vaak bestaan er meerdere rechterlijke organisaties naast elkaar, zoals
voor civiele, straf- en bestuursrechtelijke zaken. Ook de Nederlandse
rechterlijke organisatie is historisch gegroeid tot een complex geheel.
De ontwikkeling van de rechterlijke organisatie in Nederland
De Grondwet van 1814 kende één rechterlijke macht voor civiele en
strafzaken, met de Hoge Raad als opperste gerechtshof. De Wet op de
rechterlijke organisatie (RO) van 1827 voegde de gerechtshoven,
arrondissementsrechtbanken en kantongerechten toe.
De Grondwet van 1983 noemt enkel nog de Hoge Raad; de wetgever
bepaalt verder zelf welke gerechten tot de rechterlijke macht behoren (art.
116 Gw). Sinds de hervorming van 2002 bestaat de rechterlijke macht uit
drie niveaus: rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad. De
kantongerechten zijn opgegaan in de rechtbanken.
De ontwikkeling van de bestuursrechtspraak
Lange tijd werd gedacht dat rechters geen besluiten van de overheid
mochten toetsen. Pas met de Grondwetsherziening van 1887 werd
bestuursrechtspraak mogelijk (art. 112 lid 2 Gw). Toch kwam de
rechtsbescherming tegen de overheid in Nederland langzaam op gang.
De wetgever koos voor een versnipperde aanpak, met afzonderlijke
bestuursrechters zoals de Raden van Beroep, de Centrale Raad van Beroep
(1902), de Ambtenarengerechten (1929) en het College van Beroep voor
het bedrijfsleven (1954). Zo ontstond een “lappendeken” van
, bestuursrechtspraak, wat de rechtsbescherming onoverzichtelijk maakte.
De Grondwet van 1983 wilde deze versnippering beëindigen en de
bestuursrechtspraak onderbrengen bij de gewone rechterlijke macht. In de
praktijk is dat slechts gedeeltelijk gelukt:
de rechtbanken behandelen bestuurszaken in eerste aanleg,
maar in hoger beroep blijven aparte instanties bestaan (de Centrale Raad
van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State).
Alleen de belastingrechtspraak is volledig geïntegreerd in de rechterlijke
macht.
De Grondwet en de organisatie van de rechterlijke macht
De Grondwet regelt de rechterlijke organisatie slechts globaal. Artikel 116
Gw laat de inrichting grotendeels over aan de wetgever, waardoor ook de
regering invloed kan hebben op organisatorische zaken — iets wat
spanning kan opleveren met de onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht.
Verder bepaalt de Grondwet dat:
lekenrechters naast beroepsrechters kunnen optreden, maar
juryrechtspraak is uitgesloten;
tuchtrechtelijk toezicht uitsluitend door rechters zelf wordt uitgeoefend
rechters door de regering worden benoemd, en de Hoge Raad op
voordracht van de Tweede Kamer.
Zo ontstaan wel checks and balances, maar blijft enige politieke invloed
mogelijk.
De huidige organisatiestructuur
Sinds 2002 kent de RO een moderne bestuursstructuur. Elk gerecht wordt
geleid door een gerechtsbestuur met een voorzitter (president), een
rechterlijk en een niet-rechterlijk lid. Rechters zijn organisatorisch
ondergeschikt aan dit bestuur.
De Raad voor de rechtspraak houdt toezicht op de bedrijfsvoering en
verdeelt het budget. Deze Raad legt verantwoording af aan de minister
van Justitie en Veiligheid, die aanwijzingen kan geven of besluiten kan
vernietigen.
Deze hiërarchische structuur roept de vraag op of de rechterlijke macht
nog wel voldoende zelfstandig en onafhankelijk functioneert.
9.3 onafhankelijkheid, onpartijdigheid en andere constitutionele
waarborgen