Hoofdstuk 7: Wetgeving
7.2 de vaststelling van wetten
De Grondwet bepaalt in art. 81 dat wetten worden vastgesteld door de
regering en de Staten-Generaal gezamenlijk. Hiermee wordt uitgegaan
van een gedeelde wetgevende bevoegdheid. In vergelijking met andere
westerse constituties, zoals die van de Verenigde Staten en Duitsland, is
de positie van het parlement in Nederland minder sterk, aangezien de
regering een centrale rol speelt bij de totstandkoming van wetten.
Het initiatief tot wetgeving kan uitgaan van zowel de regering als van een
of meer leden van de Tweede Kamer (art. 82 Gw). Wetsvoorstellen van de
regering worden bij de Tweede Kamer ingediend ‘door of vanwege de
Koning’, terwijl voorstellen van Kamerleden na aanvaarding door de
Tweede Kamer aan de Eerste Kamer worden voorgelegd (art. 85 Gw). In de
praktijk komen de meeste wetsvoorstellen van de regering, die beschikt
over omvangrijke ambtelijke ondersteuning, terwijl de Tweede Kamer
hierin beperkter is.
De wetgevingsprocedure verloopt in hoofdlijnen als volgt.
1. Voorbereiding: Een wetsvoorstel wordt ambtelijk voorbereid op een
ministerie, vaak in overleg met maatschappelijke organisaties en
adviescolleges. De Aanwijzingen voor de regelgeving bevorderen
consistentie en beperken overmatige regelgeving.
2. Ministerraad: De ministerraad besluit over het voorstel (art. 45 Gw) en
zendt het daarna voor advies aan de Raad van State (art. 73 Gw).
3. Raad van State: De Raad toetst het voorstel beleidsmatig, juridisch en
wetstechnisch. De minister reageert in een nader rapport en kan het
voorstel aanpassen.
4. Indiening Tweede Kamer: Het voorstel wordt, met toelichting en
adviezen, bij de Tweede Kamer ingediend.
5. Behandeling Tweede Kamer: Een Kamercommissie onderzoekt het
voorstel en brengt verslag uit. De regering reageert schriftelijk,
Kamerleden kunnen amendementen indienen. De plenaire behandeling
verloopt in twee termijnen: eerst de algemene strekking, daarna de
artikelen. Na stemming gaat het aangenomen voorstel naar de Eerste
Kamer.
Hoewel de Tweede Kamer formeel ruime bevoegdheden heeft, onder meer
het recht van amendement, speelt zij in de praktijk een beperkte rol door
gebrek aan ambtelijke ondersteuning en de overwegend schriftelijke
behandeling. De Eerste Kamer kan een wetsvoorstel slechts aannemen of
verwerpen (art. 85 Gw); wijziging is niet toegestaan. Soms dient de
regering, onder invloed van de Eerste Kamer, een novelle in bij de Tweede
Kamer. Na goedkeuring door de Eerste Kamer volgt bekrachtiging door de
, regering (art. 87 Gw), waarmee de wet tot stand komt. Tot slot bepaalt art.
88 Gw dat wetten pas in werking treden na bekendmaking in het
Staatsblad, onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en
Veiligheid. Volgens de Bekendmakingswet gebeurt dit in beginsel op de
eerste dag van de tweede maand na publicatie, tenzij de wet anders
bepaalt.
7.2 de vaststelling van wetten
De Grondwet bepaalt in art. 81 dat wetten worden vastgesteld door de
regering en de Staten-Generaal gezamenlijk. Hiermee wordt uitgegaan
van een gedeelde wetgevende bevoegdheid. In vergelijking met andere
westerse constituties, zoals die van de Verenigde Staten en Duitsland, is
de positie van het parlement in Nederland minder sterk, aangezien de
regering een centrale rol speelt bij de totstandkoming van wetten.
Het initiatief tot wetgeving kan uitgaan van zowel de regering als van een
of meer leden van de Tweede Kamer (art. 82 Gw). Wetsvoorstellen van de
regering worden bij de Tweede Kamer ingediend ‘door of vanwege de
Koning’, terwijl voorstellen van Kamerleden na aanvaarding door de
Tweede Kamer aan de Eerste Kamer worden voorgelegd (art. 85 Gw). In de
praktijk komen de meeste wetsvoorstellen van de regering, die beschikt
over omvangrijke ambtelijke ondersteuning, terwijl de Tweede Kamer
hierin beperkter is.
De wetgevingsprocedure verloopt in hoofdlijnen als volgt.
1. Voorbereiding: Een wetsvoorstel wordt ambtelijk voorbereid op een
ministerie, vaak in overleg met maatschappelijke organisaties en
adviescolleges. De Aanwijzingen voor de regelgeving bevorderen
consistentie en beperken overmatige regelgeving.
2. Ministerraad: De ministerraad besluit over het voorstel (art. 45 Gw) en
zendt het daarna voor advies aan de Raad van State (art. 73 Gw).
3. Raad van State: De Raad toetst het voorstel beleidsmatig, juridisch en
wetstechnisch. De minister reageert in een nader rapport en kan het
voorstel aanpassen.
4. Indiening Tweede Kamer: Het voorstel wordt, met toelichting en
adviezen, bij de Tweede Kamer ingediend.
5. Behandeling Tweede Kamer: Een Kamercommissie onderzoekt het
voorstel en brengt verslag uit. De regering reageert schriftelijk,
Kamerleden kunnen amendementen indienen. De plenaire behandeling
verloopt in twee termijnen: eerst de algemene strekking, daarna de
artikelen. Na stemming gaat het aangenomen voorstel naar de Eerste
Kamer.
Hoewel de Tweede Kamer formeel ruime bevoegdheden heeft, onder meer
het recht van amendement, speelt zij in de praktijk een beperkte rol door
gebrek aan ambtelijke ondersteuning en de overwegend schriftelijke
behandeling. De Eerste Kamer kan een wetsvoorstel slechts aannemen of
verwerpen (art. 85 Gw); wijziging is niet toegestaan. Soms dient de
regering, onder invloed van de Eerste Kamer, een novelle in bij de Tweede
Kamer. Na goedkeuring door de Eerste Kamer volgt bekrachtiging door de
, regering (art. 87 Gw), waarmee de wet tot stand komt. Tot slot bepaalt art.
88 Gw dat wetten pas in werking treden na bekendmaking in het
Staatsblad, onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en
Veiligheid. Volgens de Bekendmakingswet gebeurt dit in beginsel op de
eerste dag van de tweede maand na publicatie, tenzij de wet anders
bepaalt.