Hoofdstuk 6: De verhouding tussen regering en Staten-
Generaal
6.1 Inleiding
In Nederland is er een scheiding van machten, maar die is niet volledig.
Om te voorkomen dat één macht te sterk wordt, controleren de regering,
het parlement en de rechter elkaar via een systeem van checks and
balances.
De regering en de Staten-Generaal werken nauw samen. Ze maken samen
de wetten en stellen de begroting vast. Daarnaast zijn er belangrijke regels
die de verhouding tussen hen bepalen: de ministeriële
verantwoordelijkheid, de vertrouwensregel, de kabinetsformatie en de
Kamerontbinding.
De ministers moeten verantwoording afleggen aan het parlement
(ministeriële verantwoordelijkheid) en kunnen alleen aanblijven als zij het
vertrouwen van het parlement behouden. Zo blijft er een evenwicht tussen
regering en parlement.
Het parlement heeft vier hoofdtaken: wetgeving, begroting, controle op de
regering en invloed op de kabinetsvorming. In Nederland is het parlement
steeds meer gaan letten op zijn controlerende functie, soms ten koste van
zijn wetgevende taak.
Deze samenwerking en controle zorgen ervoor dat de regering haar
democratische legitimatie ontleent aan het parlement. Tot slot hoort ook
het recht van parlementaire enquête bij de middelen waarmee het
parlement de regering kan controleren.
6.2 De ministeriële verantwoordelijkheid
De ministeriële verantwoordelijkheid staat in artikel 42, tweede lid, van de
Grondwet: “De Koning is onschendbaar; de ministers zijn
verantwoordelijk.” Dit betekent dat niet de Koning, maar de ministers
verantwoordelijk zijn voor het regeringsbeleid en het handelen van de
Koning. Sinds 1848 zijn ministers geen dienaren van de Koning meer, maar
zelfstandige bestuurders die verantwoording afleggen aan het parlement.
De ministeriële verantwoordelijkheid vormt de grondslag van de
democratische controle: ministers moeten het parlement inlichten en
uitleg geven over hun beleid (artikel 68 Gw). Kamerleden kunnen ministers
ter verantwoording roepen via schriftelijke vragen, het vragenuur of een
interpellatie. Ministers mogen alleen informatie weigeren als dat nodig is
voor het belang van de staat (bijv. staatsveiligheid of vertrouwelijke
informatie).
Ministers zijn verantwoordelijk voor:
1. Hun eigen handelen en dat van hun ministerie, inclusief ambtenaren.
Generaal
6.1 Inleiding
In Nederland is er een scheiding van machten, maar die is niet volledig.
Om te voorkomen dat één macht te sterk wordt, controleren de regering,
het parlement en de rechter elkaar via een systeem van checks and
balances.
De regering en de Staten-Generaal werken nauw samen. Ze maken samen
de wetten en stellen de begroting vast. Daarnaast zijn er belangrijke regels
die de verhouding tussen hen bepalen: de ministeriële
verantwoordelijkheid, de vertrouwensregel, de kabinetsformatie en de
Kamerontbinding.
De ministers moeten verantwoording afleggen aan het parlement
(ministeriële verantwoordelijkheid) en kunnen alleen aanblijven als zij het
vertrouwen van het parlement behouden. Zo blijft er een evenwicht tussen
regering en parlement.
Het parlement heeft vier hoofdtaken: wetgeving, begroting, controle op de
regering en invloed op de kabinetsvorming. In Nederland is het parlement
steeds meer gaan letten op zijn controlerende functie, soms ten koste van
zijn wetgevende taak.
Deze samenwerking en controle zorgen ervoor dat de regering haar
democratische legitimatie ontleent aan het parlement. Tot slot hoort ook
het recht van parlementaire enquête bij de middelen waarmee het
parlement de regering kan controleren.
6.2 De ministeriële verantwoordelijkheid
De ministeriële verantwoordelijkheid staat in artikel 42, tweede lid, van de
Grondwet: “De Koning is onschendbaar; de ministers zijn
verantwoordelijk.” Dit betekent dat niet de Koning, maar de ministers
verantwoordelijk zijn voor het regeringsbeleid en het handelen van de
Koning. Sinds 1848 zijn ministers geen dienaren van de Koning meer, maar
zelfstandige bestuurders die verantwoording afleggen aan het parlement.
De ministeriële verantwoordelijkheid vormt de grondslag van de
democratische controle: ministers moeten het parlement inlichten en
uitleg geven over hun beleid (artikel 68 Gw). Kamerleden kunnen ministers
ter verantwoording roepen via schriftelijke vragen, het vragenuur of een
interpellatie. Ministers mogen alleen informatie weigeren als dat nodig is
voor het belang van de staat (bijv. staatsveiligheid of vertrouwelijke
informatie).
Ministers zijn verantwoordelijk voor:
1. Hun eigen handelen en dat van hun ministerie, inclusief ambtenaren.